8e Jaargang. VRIJDAG 30 JUNI 1899. Ds. HUL8EB0S, Ds. A. LITTOOIJ, Dr. L. H. WAGENAAR. Uit de Heilige Schrift. KERK. No. 26. EEKBLAD GEWIJD AAN DE ^ELANGEN DER pEREFORMEERDE j^ERKEN IN pEELAND, J^JOORD-BRABANT EN [^IMBURG. J Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze KoningHij zal ons behouden. Jesaja 33 22. ONDER REDACTIE VAN D och Sanmel zeide Heeft de HEERE lust aan Brandofferen en Slachtofferen,al» aan het gehoorzamen van de stem des Hee- ren Zie, gehoorzamen is beter dan slacht offer, opmerken dan het vette der rammen 1 Sam. 15 tt. Abonnement per 3 maanden f 0.35. Afzonderlijke nos. 3 cent. Advertentiën van 1 5 regels 30 cent, iedere regel meer 5 cent. Familieberichten van 1—5 regels 50 cent, iedere regel meer 10 cent Uitgever: K. LE COINTRE MIDDELBURG. Berichten, Advertentien enz., gelieve men tydig, uiterlijk Vrijdagmorgen, by den Uitgever in te zenden. DE KONINKRIJKEN. En de zevende engel heeft ge bazuind en er geschiedden groote stemmen in den hemel, zeggende De koninkrijken zyn geworden onzes Heeren en van Zijnen Chris tus, en Hij zal als Koning heer- schen in alle eeuwigheid. Openb. 11 15. „De zevende engel heeft gebazuind", zoo klinkt de indrukwekkende taal der „Openba ring." Is de Openbaring zonder meer een duis ter boek te noemen Neen, het is niet duister, voor wie waarlyk leerling en liefhebber is van het Woord Gods. Dat wil niet zeggen, dat dan ook alles, wat in dit boek voorkomt, tot de diepste diepte reeds kan worden gekend en door gedacht, maar het is een ryke schat voor Gods kerk tot vertroosting, onderwijzing, oefening Het boek is, zooals bij den aanvang wordt ver klaard „De Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om zynen dienstknech ten te toonen de dingen, die haast geschieden moeten, en die Hy door Zynen engel gezonden en Zijnen dientknecht Johannes te kennen ge geven heeft." De inhoud isde groote stryd en worsteling van het begin der wereld aangevangen, in hare voortzetting na Christus verheerlyking tot aan zyne wederkomst. Het gebrekkige in vele uit leggingen is wel geweest, dat men te veel be paalde tydpunten en historische personen met de meest juiste aanduiding in dit boek heeft meenen te vinden. Neen, het is meer ééne groote profetisch-symbolische schildering en voorstelling van den strijd der eeuwen en den eindelyken volkomenen triomf van Koning Jezus. Onze tekst noemt ons dien triomf, gelijk die in den hemel, als reeds behaald, naar het eeuwig voornemen, wordt gevierd en beleden, en in het einde dezer tegenwoordige aardsche bedeeling vervuld en verkregen zal worden. En nu is het der geloovigen voorrecht en roeping in het licht van die toekomst, de dingen, die rondom ge beuren te beschouwen eD in dat licht te wan delen, te stryden, te werken. De Koninkryken zyn alle heerschappijen en machten, gaven, schatten, talenten, die zich dienstbaar stellen aan het anti-christelijke, aan de verheerlyking van het schepsel en zich niet onderwerpen aan den Christus des Heeren. Van den aanvang (Gen. 3 15), loopt den stryd tot Golgotha. Schynbaar overwint Satan, maar in der daad wordt zyn kop verpletterd. En van Golgotha loopt de stryd door tot 't einde. De wereld woelt en worstelt en is als in barens nood, om den mensch der zonde, den anti christ voort te brengen, die als een god in zynen tempel zitten zal. De Openbaring teekent om dien stryd in zijn verloop en in zyn einde, onder het beeld der zegelen, der engelen met de bazuinen en der phiolen of schalen. En de kerk is zyn strijdend leger, gelouterd, getroost, uitgered, staande onder zijne tucht en bescher ming en aanvoering (Openb. II, IH.) In de be- schryving van Gods oordeelen en van den stryd verleent de Openbaring telkens eenen blik in den hemelOok daar is belangstelling in dezen stryd, van daar is de verborgen kracht, daar resideert de groote koning, van daar verwach ten wy Hem De heerschappy van Koning Jezus is de heer- scbappy over de Schepping, over al het heer- lyke in de menschenwereld. Dat alles wordt aan God door den Satan en de macht der zonde in de menschenwereld betwist. Satan eigent zich en zyne dienaren de Ko ninkryken toe. Maar de Koninkrijken zyn aan den Zoon gegeven en door Zyn l(jden heeft Hy ze zich verworven. En nu nog een stryd ten einde toe, maar in den hemel jubelt het reeds met groote stemmenDe Koninkrijken der we reld zijn geworden onzes Heeren en van Zijnen Christus, en Hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid. Dit licht valle dan nu ook op het leven rondom ons en in ons. Alles dringt en dryft naar volmaking de wereld naar den anti-christ, de bruid des Lams, de Kerk en de Heilige Geest zuchten Kom, Heere Jezusja kom haas- teiyk, Heere! „Die onrecht doet, dat hy nog onrecht doe, en die vuil is, dat hy nog vuil worde, en die rechtvaardig is, dat hij nog ge rechtvaardigd worde." Door vele verdrukkingen zullen de geloovigen ingaan. Aan Christus de heerlyke overwinning! Ieder meDSchenkind moet Christus heerschap py eeren, de goddeloozen zullen in het eeuwig vuur zyn recht moeten eerbiedigen. Zyne uitver korenen redt Hy en ontrukt ze aan Satans macht. Hy triomfeert in hen, en richt zijn beeld in hen op. Maar Hij is ook de erfgenaam van alles gaven, wetenschappen, machten, heerschappyen. Dit alles hoort den Christus toe. Dit moeten de geloovigen beiyden in Woord en daad, in zich zei ven en voor anderen. Ziet hier dan de roeping, de worsteling op 't gebied van lager- en middelbaar- en hooger onderwijs, en opdat van de wetgeving en regeering der volken. Is Christus uw Koning en Gebieder? Moet de macht van uw zondig willen en begeeren onder Zyne heerschappy bezwyken Wee, die Hem gezanten nazenden en daarby volharden Kleine luyden Is de stryd niet te zwaar Niet, waar de Heere is aan de spitse getreden, die het onedele dezer wereld heeft uitverkoren om 't machtige te beschamenWorde dan maar het volk, de voorgangers in verootmoediging geleid en met inneriyke kracht gesterkt. Hulsebos. Uit de geschiedenis der Kerk. 1586-1618. Utrecht. IL Wellicht herinnert gy u lezer en anders dee- len wy het u by dezen mede, dat ons laatste historisch schetsje uit den tyd, die aan de Dordtsche Synode van 161819 voorafging, han delde over Utrechtsche toestanden. De ver- eeniging op kerkeiyk gebied tusschen de St. Ja- cobsgemeente en het Consistorie werd wel niet weder te niet gedaan, maar toch als 'tware eene contra-reformatie doorgezet van Dryfhuis en de St. Jacobsgemeente. Genoemde Dryf huis had een afkeer van tuchtoefening, althans wat de leer betrof. De discipline moest in broe- derlyke vermaning bestaan. Hy kon niet toe geven dat men eenigh mensch behoort van 't avontonaal te keeren, die daer begeert toe te gacn. Ook was hij een tegenstander van het hebben eener belijdenis en het onderteekenen van de Nederlandsche confessie en den catechis mus. Hy predikte„gij meent het al af te meten na een seecker meet-koordeken, dat gij daar toe besicht, 'l zij van een deel artykelen, ut die Schrift bij den anderen geraept ende daer u gloose dan opgemaekt, die gij u bekentenis ofte catechismus noemt; ende daerna wilt gij alle menschen rechten ende oordeelen, of sij gezont sjn in den leere of niet, ende meent also den heijligen geest palen te setten, daer hij hem na èoude moeten reguleren Gij ziet juist de geest, die men sedert 1816 openlijk in de Kerken is gaan dryven, maar die onder eene schyn, tot den diepsten afval voert; juist de leus van de ethischen in onze dagen. Het aan ieder geweten overlaten om te beoordeelen of hy tot de Kerk kan behooren, geen beoordeeling van de belydenis der leden door de opzieners. Dit stelsel beviel uitermate aan de meeste menschen uit de hoogere standen, die liefst in hunnen wereldschen wandel ongemoeid bleven en daar nu tevens door lieden als Dryfhuis het kerkeiyk gezag werd miskend en alle zeggen schap in kerkeiyke zaken gaarne aan de Over heid werd gelaten, zoo is het te verstaan, dat in Utrecht door de regenten met kracht tegen de mannen van het Consistorie werd opgetre den. Zonder eenige wettige reden werden 17 Dec. 1589 al de predikanten van hunne bedie ning ontzet met verlies van hunne tractemen- ten. En terwyi nu Bastingius en de Roy voor een paar maanden werden geleend, deed de Overheid haar best de afgezette predikanten ergens beroepen te krygen. De laatsten ge droegen zich voorbeeldig. Zy lieten zich vin den in de kerk op hunne gewone plaatsen on der het gehoor der geleende predikanten, ver maanden de lidmaten van huis tot huis om het ongelyk, zooals zy zeiven, in lijdzaamheid te dragen. Weldra werden zy door tusschen- komst van Prins Maurits naar elders beroepen en verlieten alzoo de stad. Helmichius ging^ naar Delft, Uijtenbogaart naar den Haag, Sopin- gius naar Breda en Royenburg naar Heusden. Maar hiermede was de moeite uit de Utrecht sche Kerk niet weggenomen. De geleende die naren werden minachtend huurlingen genoemd. Evenmin was de gemeente ingenomen met de nieuw beroepen leerarenHenricus Cesarius Gerardus Blokhoven, Johannes Andelius en Jo hannes Gerobulus. Deze toch waren door de Overheid zonder roeping der kerk en alzoo op onwettige wyze in den dienst gesteld. Een groot deel der gemeente kwam niet meer in de Kerk, hield conventicelen, liep zelfs met geweer ter preek te LJsselstein en geene pla- eaten of poenen konden dit beletten. Zoo begonnen ook hier reeds de vervolgin gen, die in de Remonstrantsche troebelen haar toppunt bereikten. De Regenten gingen intusschen voort hun plan te voltooien, en geheel ten uitvoer te leg gen. Dit bleek uit de kerekenordeninghe bij ds Uitlegging.

Krantenbank Zeeland

Zuider Kerkbode, Weekblad gewijd aan de belangen der gereformeerde kerken in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. | 1899 | | pagina 1