Uit de Heilige Schrift. Belijdenis en School. 8e Jaargang. VRIJDAG 16 JUKI 1899. No. 84. Db. J. HULSEBOS, DS. A. LITTOOIJ, Dr. I. H. WAGENAAR. EEKBLAD GEWIJD AAN DE ^ELANGEN DER jjEREFORMEERDE JCERKEN IN ^EELAND, JTOORD-BRABANT EN j^IMBURG. Want de HEERE ia onze Rechter, de HEERE ia onze Wetgever, de HEERE is onze KoningHij zal ons behouden. Jesaja 33 22. ONDER REDACTIE VAN Doch Samuel zeide: Heeft de HEERE lust aan Brandofferen en Slachtofferen,ala aan het gehoorzamen van de stem des Hee- ren Zie, gehoorzamen is beter dan slacht offer, opmerken dan het vette der rammen 1 Sam. 15 22. Abonnement per 3 maanden f 0.85. Afzonderlijke nos. 3 cent. Advertentiën van 1 5 regels 30 cent, iedere regel meer 5 cent. Familieberichten van 1—5 regels 50 cent, iedere regel meer 10 cent. Uitgever: K. LE COINTRE MIDDELBURG. Berichten, Advertentien enz., gelieve men tijdig, uiterlijk Vrijdagmorgen, by den Uitgever in te zenden. KORT VERSLAG van de toespraak gehou den door Ds. J. Gommer van Grypskerke in de ure des gebeds, volgende op de Zendings-Conferentie van 11 Mei 1899. Na gebed en zingen van psalm 193 noemt spreker als zynen tekstJerémia 16 19 en lui dende O Heere! Gij zijt mijne sterkteen mijne Sterkheiden mijne Toevlucht ten dage der benauwdheidtot U zullen de Heidenen komen van de einden der aarde, en zeggenImmers hébben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en ijdélheid, waarin toch niets was, dat nut deed. Aan dezen tekst werden drie hoofdgedachten ontleend en achtereenvolgens ongeveer aldus ontwikkeld. I de profeet spreekt van groote voorrechten, die de Heidenen missen. II Hij schetst den zoo diep droevigen toe stand, waarin het Heidendom ligt verzonken. III Hy voorzegt aan de Heidenen eene heer- ïyke toekomst. Met liefelijke woorden beschrijft de profeet de voorrechten, die hy en zyne medegeloovigen smaken. Zyn broederschap onder Israël wykt jammerlijk af. Over dezen afval is hij diep be droefd en nog meer benauwt hem het oordeel, dat zijne broederschap wacht. Zie vers 18 Die zal Ik (de Heere) hunne ongerechtigheid en hunne zonde dubbel vergelden, omdat zij mijn land ontheiligd hébbenzij hébben mijne erfenis met de doode lichamen hunner verfoeiselen en hunner gruwelen vervuld. Eene heeriyke verademing is voor hem zyn voorrechto HeereGij zijt mijne Sterkte en mijne Sterkheid en mijne Toevlucht ten dage der benauwdheid, maar ook de toebrenging der hei denen Tot u zullen de heidenen komen. Ook nu zijn het dagen, in welke duizenden bij duizenden van het Verbond Gods afvallen. En benevens hen, die roekeloos die welda den verwerpen en verachten, zijn daar nog millioenen by millioenen van blinde Heidenen, die alle vertroosting missen en in diepe ellende zijn verzonken. Dat de geloovigen te midden daarvan hun voorrecht gevoelen mogen Het is niet uit u, het is genade alleen, dat gy eene Toevlucht kent ten dage der benauwdheid. Soli Deo Gloria II. Maar niet slechts by het gemis der Heide nen, ook bij den positief ellendigen toestand, waarin zij verkeeren, worden wy hier bepaald. De droeve werkelijkheid wordt ons hier getee- kend. Immers hébben onze vaders leugen erfe lijk bezeten. Dit is hun ellende de erfelijke be zitting van de leugen. Zij zijn zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Gods. Ja, als gevolg der zonde moesten zij daartoe wel komen. Zouden de Heidenen alleen maar op een lageren trap van ontwikkeling staan Neen, de mensch heeft door de zonde het beeld Gods verloren, en is van zynen heerlyken oorspron- keiyken staat in de diepste ellende vervallen. En zoo bezitten de Heidenen erfelijk de leu gen. Geve dan toch niemand aan de voorstel ling toe, alsof het Heidendom slechts een lagere graad of trap van godsdienst zou zyn. Het Heidendom is eene diepe verbastering van den oorspronkelijken staat, waaraan zonder genade geen ontkomen is. Verder ontwikkelt spreker den droeven toestand der Heidenen. Afgoden dienst is leugendienst en die wordt by hen gevonden van geslachte tot geslachte. Hunne afgoden zyn ydelheid. Men late ook het dwaze denkbeeld varen, alsof er nog iets goeds te wachten ware voor de Heidenen, die in hunne zonden sterven. Hl. Doch ziet, daar is eene deur der hope. God heeft de tijden der onwetendheid overgezien. God heeft in zynen raad wat beters over hen besloten. Hij heeft een lied, een psalm voor den opperzangmeester gegeven Opdat men op de aarde Uwen weg kenne, onder alle Heidenen Uw heil(ps. 67) En„De volken zullen U o God! loven, de volken, altemaalzullen uloven De propheet roept het hier in heerlijke ge- loofsverwachting uit en de heilsbelofte voor de Heidenen geefe- hem moed. De Heidenen zullen de plaats innemen van het afkeerig Israël. De kantteekenaar zegt„De profeet richt zich op door zyn geloof en de zekerheid van Gods beloften". Wonderlijk zijn de wegen Gods. Door Israels val komt de zaligheid tot de Heidenen. Zij zijn aan den Zoon gegeven. God zal ze Hem toevoegen. Zij zullen zich tot den Heere bekeeren. Die toekomst is voor de Heidenen weggelegd. De Heere vervult zijne beloften in den middelijken weg. Alles op 's Hee- ren tijd en door Zijne kracht. Men overdrijve niet, en schrijve ook bij alle geboden yver niets aan den mensch toe. Men wachte zich voor opwinding. De Heidenen zyn geene macedonische mannen. God roept ons, om aan alle creaturen het Evangelie te prediken. Daarom zy er veel gebeds, dat de Heere mannen roepe tot den Dienst onder de Heide nen. Alleen geroepenen moeten gaan, om het Evangelie te verkondigen. Wij kunnen de Heidenen niet bekeeren. Wy hebben alleen het bevel. Maar deze arbeid is niet te vergeefs. Wij hebben de belofte: Tot U zullen de Heidenen komen van de einden der aarde. Onder het zingen van psalm 2214, bestygt nu Dr. L. H. Wagenaar den kansel, van wiens rede wy het volgend nummer op dezelfde wy- ze nog een kort overzicht hopen te geven. Hulsebos. Zegt onze vriend te Zoutelande„Het gaan ten avondmaal wordt veel bezien van de zijde der gemeente, en dan zal het wel zoo zijn, dat ieder niet-gecensureerde voor de gemeente ge rechtigd iswij zeggen welnu, dat het óók van de zyde der gemeente wordt bezien, is noodig en goed, ja, dat móet. De gemeente toch is, naar het Oude en Nieuwe Testament en op grond daarvan en dienovereenkomstig de conciliën der Christelijke Kerken en Synoden der Gereformeerde Kerken ons leeren, schuldig, schuldig aan God en aan de leden der gemeente, toe te zien, of de gerechtigden tot het Heilig Avondmaal, getrouw zijn aan hunne beiydenis en verbintenis, óók in betrekking tot het Heilig Avondmaal en of zy zich niet als verzuimers en verachters daarvan aanstellen. Immers, wanneer het laatste het geval is, dan maken deze gerechtigden zich aan eene publieke zonde schuldig, en publieke zonden moeten door de Gemeente bestraft worden. Het voortdurend leven in verkrachting van zyne beiydenismag niet ongestraft worden voorbij gegaan. Onder het Oude Testament moest de ziel, die zich aan deze zonde schuldig maakte, uit hare vol keren worden uitgeroeid. De Kerken zyn geroepen alles te doen, wat haar mogelyk is, om de leden, en alzoo de ge meente te houden bij het leven naar de gebo den en inzettingen Gods, en dies ook naar de beiydenis. Dat ieder niet-gecensureerde voor de gemeente gerechtigd is, toonden wij reeds aan, en dat zij toe moet zien of van dat recht gebruik wordt gemaakt, dewyi het geen recht is, waarvan men naar willekeur al of niet ge bruik kan maken, bespraken wy nu met een enkel woord en hopen dat later breeder te doen. Wij deden het thans om te doen uitkomen, dat het noodig, ja, geboden is deze zaak ook „van de zijde der gemeente te bezien." Dat ook de eerste Christeiyke Kerken geloof den dat dit noodig en geboden is, bleek ons reeds uit hetgeen het concilie te Antiochië ten dezen beslooten wat de Gereformeerde Ker ken te Dordt in synode vergaderd (1574) daar van dachten bleek insgeiyks uit het artikel, dat ik de verledene week liet afdrukken. Maar nog meerdere bewyzen wensch ik te leveren. Om, zoo noodig, nog meer te over tuigen dat het, volgens het oordeel der Ge reformeerde Kerken, óók de zaak der Gemeente is en dat voor haar de belijdende, niet-gecen sureerde leden gerechtigd zyn, wys ik op het geen door de synode der Christelijke Gerefor meerde Kerken, (1879) handelende over het niet ten Avondmaal gaan van beiydende leden, blykens hare notulen, opgemerkt en onder de aandacht gebracht is, namelyk, dat de groote Nationale Synode van 1618 en '19, zich in be ginsel heeft uitgesproken, gelijk dat het concilie en de Synode in 1574 hebben gedaan. Door haar geschiedde dit in de vragen van het formulier voor den doop der bejaarden. Lees dit formulier, en het zal, naar ik vertrouw, u duide- ïyk zijn. En dit heeft ook „de Synode der Afge scheiden, Gereformeerde Gemeenten, vergaderd te Amsterdam 1840", gedaan. Ook merkte professor Brummelkamp in zijne recensie mijner brochure „Belijdenis, Avondmaal, Tuchtterecht op, dat zij reeds in 1836 en 1837 zich in dien geest heeft uitgesproken. En na dat ik evengenoemd geschriftje aan het publiek aanbood, spraken, na op de Synode te Zwolle aangeklaagd te zijn, onze Christelyke, Gereformeerde Kerken in hare Synode te Dord recht met alle stemmen op één na zich nog maals in dien geest uit. En dat die ééne stem ontbrak, was niet, om dat die broeder dacht zooals wyien Ds. K., maar wel, omdat hem het besluit nog niet kras genoeg was. In den geest van wyien Ds. K's schryven heeft niet één lid der Synode gesproken. Dat wy slechts een zeker deel der Gemeente aan het Avondmaal prediken en een ander deel

Krantenbank Zeeland

Zuider Kerkbode, Weekblad gewijd aan de belangen der gereformeerde kerken in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. | 1899 | | pagina 1