8e Jaargang. VRIJDAG 20 JANUARI 1899. No. 3. Ds. J. HULSEBOS, Ds. A. LITTOOIJ, I)r. L. H. WAGENAAR. Uit de Heilige Schrift. Belijdenis en School. y/EEK BLAD GEWIJD AAN DE ^ELANGEN DER pERE FORMEER DE JCERKEN IN ^EELAND, jNfOORD-BRABANT EN LlMBURG. Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze KoningHij zal ons behouden. Jesaja 33 22. ONDER REDACTIE VAN Doch Samuel zeideHeeft de HEERE lust aan Brandofferen en Slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des Hee- ren Zie, gehoorzamen is beter dan slacht offer, opmerken dan het vette der rammen 1 Sam. 15 22. Abonnement per 3 maanden f 0.85. Afzonderlijke nos. 3 cent. Advertentiën van 1 5 regels 80 cent, iedere regel meer 5 cent. Familieberichten van 1—5 regels 50 cent, iedere regel meer 10 cent. Uitgever: K. LE COINTRE MIDDELBURG. Berichten, Advertentien enz., gelieve men tydig, uiterlijk Vrijdagmorgen, by den Uitgever in te zenden. HUISGEZINNEN en SCHOLEN. Voedt hen op in de leering en ver maning des Heeren. Efezen 6 4b. IL Hierover zijn wij het zeker allen eens, dat de school zich behoort aan te sluiten aan het huisgezin, ook de middelbare en hooge school, althans wat richting en karakter der opleiding en wat het beginsel aangaat, waarvan het on derwas uitgaat. De leeraar der middelbare school behoort den opgeschoten knaap niet voor te gaan in ruwe taal, maar een vaderlyk leidsman voor hem te wezen, zoo ook de professors, gelijk schrijver dezes en anderen met hem in hun studenten tijd daarvan nog wel iets hebben mogen onder vinden. En wij kunnen er de winkels en werk plaatsen benemen. Op de bazen ligt eene dure verantwoording tegenover de knapen en half wassen, die by hen in de leer worden gedaan. Ook in het onderricht en de beoefening der wetenschappen wil de Heere, dat de genade de natuur ontmoete. Het beginsel der school, het- zy lagere of hoogere, mag dus niet vyandig of onverschillig tegen de genade overstaan, inte gendeel zij moet aan de genade een kanaal bie den, zij moet haar eene bedding graven, waar in zy den onnaspeurlijken rijkdom der wijsheid Gods kan doen uitkomen. Natuur en genade moeten worden onderschei den. Dit wordt uit het oog verloren door allen, die tevreden zyn met aan de natuur een chris telijk tintje te willen geven, en daaraan genoeg te hebben, het streven der Remonstranten, het remonstrantsch beginsel, dat meende in de wet op het lager onderwijs van 1857 zijnen triomf te vieren, maar dat ons met zijne christelijke en maatschappelijke deugden naar het heiden dom voert. De natuur verchristelijkt, zie daar het palladium, waarom zich de vroegere libe ralen in geestdrift schaarden. Neen, natuur en genade mogen niet worden dooreen gemengd. Dat is: de genade van hare kracht berooven en aan de natuur gelijk maken. De geboorte is niet genoeg, de wedergeboorte is eene daad van Gods scheppend alvermogen, onmisbaar voor het kindschap Gods. Maar daarom mogen natuur en genade niet worden uiteengerukt. Dit doet het ongeloof, het vroom remonstrantisme der vroegere schoolmannen moede. Dit doet het ongeloof met zyn strikt neutrale school, maar ook met zyn beslist ongeloovige middelbare scholen (de schrik van ernstige va ders en vrome moeders) en hoogescholen. Doch niet alleen het beslist ongeloof, ook nog van andere zijde maakt men zich schuldig aan eene uiteenrukking van natuur en genade. Het zijn die geloovigen, die geen onderscheid maken tusschen natuur en zonde en al wat natuur is als het rijk des satans beschouwen en verwer pen. Zij hebben geen oog voor de verbondsbe- loften, voor de roeping van Gods volk in huis gezin en school en op het gansche gebied van het natuurlek leven. De christelijke opvoeding wordt verwaarloosd, wat zal het ook baten, zoo heet het, als God het harte niet bekeert. Aan het openbaar onderwijs reiken zij de hand, waarom zouden de kinderen daar niet kunnen gaan. En al wederom is hetAls de Heere hen bekeeren wil, kan niets Hem daarin verhinderen. Waarheden al te maal, maar niet recht op haar plaats gebracht. En de uitkomst zal zich wre ken. Zulke eigenwillige wegen worden niet straf feloos bewandeld. Zoo is dan de openbare school onvruchtbaar, ja verwoestend in hare gevolgen voor eene chris telijke natie. Geen schoon gebouw of natuurlijke voortreffelijkheid van den onderwijzer kan het buitenwerpen der genade vergoeden Het is een teeken des tyds, dat ook de rechtzinnige jood het gevaar inziet. Het is wel wat laat, maar beter laat dan nooit. W(j moeten den weg op, om Gods bevel in dezen ook moedig te eeren. Wij moeten niet rusten, maar voortvaren en scholen bouwen met den Bijbel, niet alleen voor onze kinderen, maar ook voor de kinderen van ons arm volk. Ook op het middelbaar en hooger onderwijs moet het oog worden1" gericht. God doet menig maal groote dingen met kleine krachten in den weg des geloofs. In prediking en huisbezoek moet rusteloos aan deze taak gearbeid. In het huisgezin moet gebroken worden met het zon dige scheiden van genade en natuur. Op de huwelijken moet meer worden gelet, dat het niet zij het aantrekken van een juk met den ongeloovige. De natuur moet niet worden uit- gebluscht, maar de genade moet bij en in alles worden gezocht en afgebeden. Leide de Heere ons door Zijnen Geest in zijne wegen. Hulsëbos. IL Vóór ik op een en ander wijs, dat, naar het mij voorkomt, pleit, voor het rekening houden ook met de moeder by het doopen der kinde ren, vestig ik er de aandacht op, dat dit reke ning houden, óók met haar in de laatste tijden vaak genoemd is, „een inkruipsel" van het Genootschap. Dat dit een zoodanig inkruipsel is, is, sinds er over het wachten naar de moeder, bij ge woon verloopverschil van meening was, wel gezegd, maar niet bewezen. Teneinde het te bewijzen zou een historisch onderzoek volstrekt noodig zijn. Een predikant toch, der zake kundig, stelde, toen hierover zich verschil van gedachte open baarde en er van een inkruipsel sprake kwam, in meer dan eene plaats, met dc kerkelijke doop boeken in de hand, een onderzoek in, en daarbij bleek hem, dat er ook vóór 1816 menigmaal gedoopt werd, in tegenwoordigheid niet alleen van den vader, maar ook van de moeder. Doch neem aan, dat rekening te houden ook met de moeder, bij de toediening des doops, eerst na 1816 gebruikelijk werd, dan is daar mee toch nog niet bewezen, dat dit in strijd met Gods woord is. Het gaat immers niet aan vooraf vast te stellen, dat alles wat tijdens het Genootschap in gebruik kwam, in strijd met de Heilige Schrift en daarom veroordeeld is. Dit vast te stellen en daarvan uit te gaan is al te gemakkelijk en ook al te partijdig. Ook hier en in dezen geldt het„Onderzoekt alle dingen en behoudt het goede". Dit te doen kan wijsbeleid heeten. Immers leerde ons de ervaring, dat schier alle secten bij al het verkeerde nog wel iets hadden, dat voorbeeldig en navolgenswaardig was. Om dit te bewijzen zouden wij u kunnen herinneren, dat de Doopsgezinden en daarna de Labadisten, tegenover de volkskerk en het al te tuchteloos leven, op den eisch, om met het hart te gelooven en dit in het leven te openbaren al den nadruk hebben gelegd. Dat dit noodig was, vooral in hun tijd, zal geen kenner van de geschiedenis der Vaderlandsche Kerk tegenspreken. Insgelijks kunnen wy u wijzen op de voorbeeldige toewijding, door hon derden mannen en vrouwen, die by het Heils leger behooren, aan den dag gelegd. Omdat de Heere de een gebruikt om dit en de ander om dat in het licht te stellenja vaak ondanks hen zeiven en in weerwil van al hunne afwijkingen, moeten wy alles onbe vooroordeeld toetsen aan het Woord des Hee ren, en „het goedebehouden en overnemen. Of iets een verkeerd inkruipsel is, moet ten slotte aan de hand der Schrift worden uitge maakt. Zoo is het inzake de verhouding van Kerk en Overheid en hare aangewezene werkzaam heden, met de rechten van de vrouw en die der armen, ja zoo is het naar wij gelooven en belijden met alles. „Niet onverhoord oordeelen", geldt het alzoo ook met het oog op hetgeen wij thans bespre ken. Maar zoo zegt men ook wij moeten het onderhouden van eene instelling Gods, in casu den doop, niet langer uitstellen dan ab soluut noodig is. Hierover nu is geen verschil van meening. Ontegenzeggelijk stemmen dit allen toe, die wenschen te leven overeenkomstig het Woord des Heeren. Als men zoo spreekt, en dit op de onderha vige quaestie toepast, dan heeft men haar van voren uitgemaaktnatuurlijk volgens eigen in zicht. Neem bijv. het tegendeel eens aan, namely k, dat God wil, dat, in gewone omstandigheden, de moeder er ook bij zal zijn, dan is het im mers uitgemaakt, dat er van langer uitstellen dan noodig is, geen sprake kan wezen, bijal dien alleen daarmee rekening gehouden wordt. Daarenboven, indien het zoo spoedig mogelijk, zoDder daarbij rekening te houden met de moe der, moet geschieden, is het de vraag of de Gemeente, van wier saam vergadering het dan afhangt, niet meermalen, dan nu het geval is, zou moeten samenkomen. Hoe dit zij, men moet in ieder geval voor men recht heeft te zeggen, dat zij die hierbij met de moeder rekening houden, den doop hunner kinderen langer uitstellen dan, volgens de Heilige Schrift, mag, bewijzen dat dit het geval is. Zoolang dit niet is bewezen, is het verwijt van het noodeloos uitstellen, ook niet gemoti veerd met teksten of op gronden aan de Hei lige Schrift ontleend. Zoo is het ook met de zoo menigmaal gehoorde bewering, dat de man bij den doop der kinde ren de moeder vertegenwoordigt.

Krantenbank Zeeland

Zuider Kerkbode, Weekblad gewijd aan de belangen der gereformeerde kerken in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. | 1899 | | pagina 1