Uit de Heilige Schrift. KERK. VRIJDAG 15 OCTOBER 1897. eekblad gewijd aan de j^elangen der pereformeerde jierken in ^Zeeland, JSfooRD_j-)rabant en JLimburg. Ds. J. HULSEBOS, Ds. J. H. FERINGA en Ds. A. LITTOOIJ. Feringa. Hülsibos. 6e Jaargang. Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze KoningHij zal ons behouden. Jesaja 33 22. ONDER REDACTIE VAN Doch Samuel zeide: Heeft de HEERE lust aan Brandofferen en Slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des Hee- ren Zie, gehoorzamen is beter dan slacht offer, opmerken dan het vette der rammen. 1 Sam. 15 22. Abonnmeent per 3 maanden f 0.35. Afzonderlijke nos. 3 cent. Advertentiën van 1 5 regels 30 cent, iedere regel meer 5 cent. Familieberichten van 1 5 regels 50 cent, iedere regel meer 10 cent. Uitgever: K. LE CO INT RE MIDDELBURG. Berichten, Advertentien enz., gelieve men tijdig, uiterlijk Vrijdagmorgen, bij den Uitgever in te zenden. SCHAPEN DES GOEDEN HERDERS. XII. „Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht tegenover mijne tegen partij ders." Psalm 23 5a. In tegenstelling met onze aanvankelijke be spreking van vers 4 in den Psalm des Goeden Herders zijn wij langzamerhand meer op de tegenstelling van Zijn Heil met de tegenwer king van menschen en zonden gaan zien. Het verband met het volgende vers nood zaakte hiertoe Want de voorstelling ondergaat daar een wijziging. Gelijk in de kaleidoskoop de eene figuur in de andere overging, zoo gaat ook in onzen Psalm het eene beeld in het andere over. De Schrift is zoo rijk aan beelden. De Heere acht. ons niet te wijs om als kleine kinder- kens door prentenboekskens onderwezen te worden. En niet toevallig, maar met opzet telijke Goddelijke wijsheid heeft Hij Zijn Bijbel niet laten schrijven door kritische letterkun digen in het Noorden of door afgemeten rechts geleerden in het Westenmaar door kinderen van het gloeiende Oosten wier beeldspraak is als een tweede natuur, opdat ook wij zouden leeren het Boek der Schriftuur te beter te ver staan door de letteren van het Boek der Na tuur opdat wij alle eigenwillige grensbepaling tusschen heilig en onheilig zouden mijden op dat ook in de Natuur te meer onze God zou worden verheerlijkt en om, wellicht, menige andere wijze en heilige oorzaak nog. Maar daarbij ook voorzeker om deze eenvoudige re den Dat wij zoo onvatbaar en zoo onachtzaam zijn, en daarom deze beeldspraak behoeven. Daarom gebruiken Patriarchen, Richters, en Propheten beeld op beeld. Daarom spreken Jezus en Zijn Apostelen ieder oogenblik in beeldspraak. En ontleenen zy allen hun beel den wel soms uit de Geschiedenis en soms uit de Heilige Schriftmaar meestal uit het dage lij ksch levenEen vrouw, die veegteen valsche trompeteen gebarsten wijnzakeen beschadigde ploegopschietend onkruideen vertrapte disteleen klein kindeen koning, die ministerraad houdtkinderen, die begra fenisje spelenmenschen, die elkander slaan en al wat maar meer in het van God veror dend en gemaakt mozaiek des levens de aan dacht trekken mag. En zoo rijk is deze beeldspraak, dat vaak het eene beeld het andere verdringt; het eene beeld overgaat in het andere. Zoo is het ook hier. Het beeld van het schaap gaat over in dat van den strijdenden reiziger, door allerlei vij anden belaagd en wederstaan. En met het oog op de zekerheid der overwinning jubelt nu onze dichter: „Gij richt de tafel toe voor myn aan gezicht tegenover mijne tegenpartlgders." Leg op dat „tegenover myne tegenpartyders" eens een oogenblik nadruk. Het is zoo waar en zoo troostrijk. „len Belials stuk kleeft hem aan en hij, die gevallen is, zal niet weder opstaan" zeggen handenwrijvend de ellendelingen, die den deel nemend bezochten vriend naar Psalm 41 han denwringend hebben aangetroffen. Lafaards, die alleen stervende leeuwen durven schoppen en dan nog van schrik wegkrimpen over hun laatste gebrul. Valsche vrienden of vriendinnen, die honig zoet komen onderzoeken of de lijdende vriendin wel pyn genoeg heeft om aan hun leedver maak bevrediging te schenken. Bittere bestrijders den feilen haat botvierend nu huns inziens de ure der bestrijding geko men is. Eerlooze verraders, weerloos gemaakte prooi in de laaghartiglyk bewerkte gevangen schap met gejuich hoonend. Want die held, die vriendin, die bestredene, die veiradene (of hoe ge het slachtoffer noemen moogt) is ten ondergebracht. Is in de vallei der schaduwen des doods. Is dus weerloos, „En hy, die gevallen is, zal niet weder opstaan Schandelijke roem Maar ydele roem tevens! Hoort, het slachtoffer antwoordt: „Verheug U niet over mijik ben gevallen, maar zal weder opstaan Hoe is dat mogeiyk? Och, om een heel eenvoudige oorzaakGod is er ook nog! En Hij redt, waar niemand helpt. En Hij zegent, waar ieder miskent. En Hy geleidt met Zijn stok en Zfin staf, ook zelfs midden door het dal der schaduwe des doods. Hy laat het den felbestreden reizigers naar Sion niet aan hulp ontbreken. Hy geeft ver sterking in en feestvreugde na den stryd. Hy zorgt heerlyk voor wie Hem als Gastheer komt zoeken met heilbegeerig hart. En de roem van den gast mag en moet dan wezen „Gy richt de tafel toe voor mijn aangezicht tegenover mijne tegenpartijders." De Avondmaalstafel? Wel neen Natuuriyk is best mogelijk, dat David prophe- teerende van dien disch zou gesproken hebben. Maar 't is immers onmogelyk, dat zyn hoorders hem hadden verstaan? De Avondmaalstafel word door Gods Woord niet licht met het weêrstaan van tegenparty ders in verband gebracht. De schuchterheid in het heilige wordt dan te gauw vervangen (of althands beduimeld en bezoedeld) door Lief deloosheid en eigengerechtigheid. Door zekere vertooningmakerij en zekere zelfrechtvaardi ging. En dit is juist hier nog minder dan ergens elders op zyn plaats. Neen biyf denken aan de beeldspraak van den reiziger, die in de donkere, ijzingwekkende, vallei niet alleen alle bezwaren is te boven gekomen, en alle gevaren heeft veracht, maar ook alle aanvallen van vyanden met kracht heeft afgeslagen. En nu, wacht den overwin naar het feest der overwinning door den He- melschen Gastheer hem bereid „Hy richt (on danks alle benyders en bestrijdersde tafel toe voor myn aangezicht tegenover myne te genpartyders Uit de geschiedenis der Kerk. De Provinciale Synode van Dordrecht. 1574 VI. Ten besluite brengen wij nog een enkel punt uit het op deze Synode bepaalde onder de aan dacht onzer lezers. Van veel gewicht is hetgeen in art. 3 wordt gelezen „Tot uitroeyinge der valsche Leeringen ende dwalingen, die door het lezen der Ket- tersche boeken zeer toenemen, zal men die middelen gebruiken, die hier na volgen. Ten eersten, zullen de Dienaren van de Predikstoel het volk vermanen tot naarstige lezinge der Bybelsche Schrifturen, ende van de ongezonde Kettersche Boeken afmanen, doch de namen der Boeken spaarlijk noemen. Ten tweede, zullen dè Boekverkoopers (de reiner Leere toegedaan) van de Dienaren ver maant worden, dat ze zulke Boeken niet en drukken noch verkoopen. Ten derden, zuilen de Dienaars in de Huisbezoekinge der Lidt- maten der Gemeente naarstelyk toezien, of in hare Huizen eenige schadeiyke Boeken zijn, opdat ze hen vermanen mogen, zulke boeken weg te doen." Over de besluiten en verordeningen dezer Synode is veel opspraak gemaakt. Den beslis ten toon, waarmede de Kerk in deze Synode sprak, zich harer roeping en harer zelfstandig heid bewust, en de vrijmoedige toepassing der gereformeerde beginselen, kon men niet ver dragen. Leeraars als Coolhaes en andere voor- loopers der Remonstranten hekelden deze Sy node en vielen haar ook over dit artikel der boekencensuur lastig. Zy noemden dit eene specie van inquisitie. Hier tegenover werd door verdedigers der Synode ingebracht, dat dit on derzoek een werk was van Christelijke zorg vuldigheid. Gelijk een herder, zeiden zy, in- quireert op zyne schapen, of er ook een schurft is, of een vader inquireert op zijne kinderen, met wie zij omgaan en welke boeken zy lezen, zoo mogen de geestelijke herders en vaders ook wel ten beste hunner gemeenteleden doen. Ten aanzien van den staat gedraagt deze Synode zich buitengewoon zelfstandig. Zy wil niet ingrijpen in hetgeen der burgerlijke regee ring toekomt en schryft voor, in alle zaken, die voor een deel politiek zijn, het oordeel of de medewerking der Overheid in te roepen. In de Consistorién, Classen en Synoden zal niets behandeld worden, dan wat Kerkeiyk is, maar de regeling van het Kerkelyke beschouwt zij ook als alleen de Kerke toebehoorende. By de benoeming van dienaren wordt de medewerking van den godvruchtigen magis- straat, zooals de Wezelsche artikelen verlangen niet ingeroepen. Van de Overheid wordt bij de keus en de beroeping der dienaren geen woord gerept. Ook beveelt deze Synode het uitschry ven der generale samenkomst den Dienaren der Classe van den Paltz aan, zonder het aanvragen van de toestemming der Overheid voor te schry ven. Dat dit de toenmalige Overheid niet aange naam was, laat zich verstaan. Wy zien hier een gereformeerd beginsel van Kerkrecht, dat eerst in onze eeuw tot doorwerking kwam.

Krantenbank Zeeland

Zuider Kerkbode, Weekblad gewijd aan de belangen der gereformeerde kerken in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. | 1897 | | pagina 1