y Uit <le Heilige Schrift. K E R K. VRIJDAG 29 JANUARI. No. 5. Ds. J. HULSEBOS. l)s. J. H. FERINGA en Ds. A. LITTOOIJ. De »Belijdenfc des geloofs" over het leerstuk der Kerk. €e JaargaMg. EEKBLAD GEWIJD AAN DE j^ELANGEN DER PEREFORMEERDE )CERK IN ^/EELAND, JJ OORD-BRABANT EN IMBURG. Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze KoningHij zal ons behouden. Jesaja 33 22. ONDER REDACTIE VAN Doch Samuel reide Heeft de HEERE lust aan Brandofferen en Slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des Hee- ren Zie, gehoorzaamen is beter dan slacht offer, opmerken dan het vette der rammen- 1 Sam. 15 gpA Abonnement per 3 maanden f 0.35. Ajzonderlyke nos. 3 cent. Advertentien van 1—5 regels 30 cent, iedere regel meer 5 cent. Familieberichten van 1—5 regels 50 cent, iedere regel meer 10 cent. Uitgever: K. LE COINTRE MIDDELBURG. Berichten,? Advertentien enz., gelieve men tijdig,Ruiterlijk Vrijdagmorgen, by den Uitgever in te zenden. IEERAAR EN GEMEENTE. „Die U ontvangt, ontvangt Mij,en dieMy ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezon den heeft. Dieeenen profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal de loon eens profeten ontvangen; en die eenen recht vaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal de loon eens recht vaardigen ontvangen. En zoo wie een van deze kleinen te drinken geeft al leenlijk eenen beker koud waters in den naam een3 discipels, voorwaar zeg ik U, hij zal zyn loon geenszins ver liezen." Mattheus 10 4042. De Heiland zendt Zijn twaalftal uit om te genezen en te prediken. En eer Hij hen hier toe doet uitgaan, geeft Hy hun de noodige aanwijzingen mede, welken arbeid zjj hebben welke positie zij IQ nemen/wolk'e ontmoetingen hun wachten, welk arbeidsveld het hunne is, alles zet lly hun uiteen. Een uiteenzetting, die kort saamgevat is uit te drukken met wat in 1 Corinthe 13 5 van de Liefde gezegd wordt„Zij zoekt zich- zelve niet." Geen winst te zoeken en hun leven Diet te sparen maar bestendig te offeren, ziedaar hun eere. Geen rust te kennen maar reddend te ar beiden nacht en dag, ziedaar hun taak. Geen menschen in het oog te-hebben, zoo min om hen te overheerschen als om zich door hen te laten overheerschen, ziedaar hun positie. Geen eigen begrenzing van arbeidsveld te maken, maar zich door den Christus het ter rein te laten afbakenen, ziedaar hun arbeids veld. Geen erkenning, maar als andere Simsons, ja als de Christus, die hen zendt, -- misken ning, schapen te midden der wolven" en „in do Synagogen gegeeseld," ziedaar hun vooruit zicht. In kleiner mate is dit alles toepasselyk op wie getrouw het Leeraarsambt bekleeden. Hooge eere voor dezulken te kunnen zeggen met een Samuël„Ziet, hier ben ik, betuigt tegen my voor den Heere en voor Zijnen ge zalfde. wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb." In arbeid, bij besmet telijke ziekten, in eigen nooden, in allerlei op zichten het Paulus te kunnen nazeggen„ja ik acht ook mijn leven niet voor eenig ding." In zwakken voorsmaak (door de aardsche zwakheid niet zoo aangenaam) het „zij hebben geen rust, nacht noch dag" des Hemels in te studeeren, gepaard aan dat woord uit Hebreen 13 17„want zij zijn slapeloos over Uwe zielen, als die rekenschap zullen geven." Eenerzyds te denken aan Petrus' woord „Vermaan ik, die een medeouderling ben weidt de kudde Gods, die onder u is niet als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren." Anderzyds twee andere Schriftwoorden niet voorbij te zienDat tot de Galatiers„Den welken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping". En dat andere tot de Corinthiërs „Gij zy t duur gekocht, wordt geene dienstknechten der menschen." Geen eigen begrenzing van arbeidsveld, noch te eng noch te vvyd. Maar zóó ver als do leiding des heiligen Geestes in de kerkelijke meerdere vergadering het aanwijst. En de arbeid daar is zóó, a s door het meer of min der uitgebreide van dien kring van Godswege geboden is. Een zaak waarin tevens weer het mandaat der niet-leerende Ouderlingen gegrond is. Hun voornaamste taak is toch niet om de Leeraars te controleeren Dat zou gepast heb ben in het oude Japan, waar elk ambtenaar zijns naastens verspieder moest zijn. en allea op wantrouwen gegrond was. Maar in Christus' Gemeente moet vertrouwen (niet: lichtgeloovig- heid) de grondtoon wezen. Der Ouderlingen ambt is oin voorzoover zy toezicht te oefenen hebben dit inzonderheid op hun medeouderling den Leeraar te doen, omdat hij (bij dwaling) de meeste schade kan aanrichten. Maar hun werk is niet ihzcndcVjc 1 dit geetdelyk politie toezicht, dit is er slechts een deel van. Hoofd werk iste doen namens de Leeraars (alsof dezen het in eigen persoon gedaan hadden), wat de Leeraars niet afkunnen. Gelijk (zegt het formulier) de Leviten er waren tot hulp der Priesteren. Geen erkenning maar miskenning te wachten is indien zij waarlijk trouw zijn (en dus niet trachten, trouw te schijneneven onver- mydelijk hun vooruitzicht als toen Paulus klaagde, dat hij „overvloediger beminnende, te minder bemind werd." Hooge, maar veelzins pijnlijke, eer. Heeft het Leeraarschap geen vroolijker lichtzijde? Voorzeker: In loon, in vrucht, in macht, in troost, komt 'sHeilands ontferming Zijn ge zondenen ten goede. In macht„Die u ontvangt, ontvangt Mij." Het woord, dat hij spreekt, is zijns Meesters woord. Met zijns Meesters kracht, op zijns Meesters last Voor zyns Meesters verant woording. De Leeraar is er hoegenaamd niet verant- woordeiyk voor. Hy heeft niet te vragen, hoe het zal worden opgenomen of wat het zal uitwerken Hij heeft niet het spreekwoorde lijke „wee aanzeggen aan de goddeloozen" en, „wel aanzeggen aan de Godvreezenden" op te vatten als een vleien van de (terecht of ten onrechte) als „kinderen Gods" geroemden en een afbijten van de niet als zoodanig geijkten. Hij heeft niet te vragen, of de wereld boos zal worden. Hy heeft niet te vragen, of men het hem met bitterheid cf laster vergelden dan wel hem met spot beantwoorden zal. Hij heeft eenvoudig de boodschap te brengen, die God hem gegeven heeft. Slechts voor één zaak heeft hij te zorgen Dat hy die boodschap onvervalscht en onver- minkt overbrengt. De woorden zijn dan wel zijn woorden maar het woord, dat zij dan bevatten is dan (1 Thessalonicensen 2 13) Gods Woord. Ontzacheiyke macht die zelfs de eeuwigheid omvat! Heerlijke afhankeiykheid, die de (an ders ondragelijke) verantwoordelykheid weg neemt Het loon is aan die opdracht evenredig. Hoe hoog spreekt de Schrift van het loon van „die er velen rechtvaardig maken." De vrucht - ja, daar is het teêre plekje tusschen Leeraars en Gemeenten. De ware Leeraar heeft zyn schapen zoo lief. Kan niet voldaan zijn, eer hij hen geborgen weet, ook al is hij zelf vry van hun bloed. Dorst, snakt, smeekt, weent, worstelt om vrucht. Soms ziet hij vrucht. Veel soms. Hoe zalig dan. Hoe vol is dan zyn hart! Hoe wordt dan zyn leven tot leven Soms mist hij ze. En dan Dan zendt God Zijn engelen tot zyn ver moeide Elia's in hun woestijnen. Dan leert Hij hen den aanvang van Psalm 41 verstaan. Dan komt tot een ontstemde Eliza een speel man, wiens harpspel de snaren zijns harten weórtrillen doet. Dan komen (soms enkele, soms vele) Ge meenteleden, en leeren door Liefde hun Leeraar. Dan komen zij en geven den door de wereld verachten, door de ge waarschuwden belaster den. door zichzélf »r.;3kc.nd<yLcc-: toto „omzien beker koud waters". „Voorwaar, zeg Ik u, zij zullen hun loon geenszins verliezen." Fbsihga. Wy weten wel. dat de artikelen XXVII— XXXII van de „Belijdenisse des geloof m der Gereformeerde Kerken in Nederland," aan het meerendeel onzer aandachtige lezers niet on bekend zyn, toch is het op zich zelf reeds goed, dat er bij herhaling en bij vernieuwing de aandacht op worde gevestigd, en er is toch altijd wel eens weer iets bij op te merken, wat het inzicht in deze waarheid kan verdie pen en versterken en dus ook met Gods hulpe het beiyden troostvoller en vruchtbaarder kan maken. Met artikel XXVII wordt het leerstuk der Kerk aangevangen. Er staat boven geschreven Van de algemeene christelijke Kerke. Hier heb ben wij al dadelijk eene opmerking. Het is dunkt ons van veel belang er op te letten, dat volstrekt de bedoeling niet istwee kerken te leerende algemeene christelijke Kerk als een zeker abstractum, een liefelyk denkbeeld van met alle geloovigen toch eigenlijk een te zijn, hoewel daar toch byna nooit iets van openbaar wordt, en dan afgescheiden daarvan, het lichaam of de corporatie, die men zijne Kerk noemt en waarvan men lid is. Neen, die nog met zoo verkeerde denkbeel den bezet is, kan onmogelyk de Belydenisse verstaan. Deze gaat toch in artikel XXVIII in eenen adem voort over deze algemeene christelyke Kerk te handelen, maar nu, gelyk zij zich zichtbaar openbaart en belichaamt in de zichtbare vergadering der geloovigen. En nadat dan in art. XXIX het onderscheid is aangewezen tusschen de openbaring der ware Kerk en hetgeen zich valschelyk daarvoor uit geeft of daarvoor wil doorgaan, wordt al verder in art. XXX, XXXI en XXXII de loop voort gezet, en op den wasdom van het gebouw der

Krantenbank Zeeland

Zuider Kerkbode, Weekblad gewijd aan de belangen der gereformeerde kerken in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. | 1897 | | pagina 1