Het is hare overtuiging dat het voor den Boekhouder doenlijk is geweest oin de leden, die de telliug deden, te misleidendoor telkens reeds geverifieerde panden als nog niet geziene hun voor de oogen te brengen; doch ook alleen, indien die telling onnaauwkeurig geschiedde. Zij is evenzeer overtuigd, dat indien die leden het gewigt der hun opge dragen taak begrijpende, haar vervuld hadden met den noodigen ernst en met naauwkeurigheid, het bedrog door hen had moeten ontdekt worden. Men moet echter aannemen dat zulks niet is geschied en terwijl uit de raededeelingen van het bestuurslid Mr.- Cau, aan de Commissie gedaan, blijkt dat de gedelegeerde Com missarissen telkens als zij eene opname hadden gedaan, in de daarop volgende vergadering van het Bestuur verklaarden, dat zij die telling hadden gedaanten dat het getal der aan wezige panden dat in de door den Boekhouder opgegeven staten en bijgehouden registers vermeld stondook werkelijk door hen in het magazijn aanwezig was bevonden, blijkt te gelijkertijd, dat die verklaring eene onwaarheid bevatte en dat de gedelegeerde Commissarissen die telling zeer zeker niet, althans niet goed hadden verrigt. Door Mr. Cau is ook verklaard, dat een der Commissa rissen en wel de heer Landsknegt na het arrest van Rinkier hem heeft medegedeelddat hij bij de telling nooit de cijfers had getotaliseerd en dat zij, gedelegeerde Commissarissen, ge woon waren hunne aanteekeningen aan den Boekhouder ter hand te stellen om de totalen op te maken, terwijl het bekend is dat de andere Commissaris ae heer Tachi eene dergelijke verklaring voor het Hof heeft afgelegd, zoodat de onder stelling der Commissie dat die jaarlijksche telling niet naauw- keurig plaats vond, zekerheid is geworden. En dewijl het juist op die telling aankwam, daar het na tuurlijk van het aantal aanwezige panden afhing, hoeveel geldals daarop beleenduitstondterwijlindien b. v. duizend panden in de registers stonden aangeteekend en er slechts vijf honderd in het magazijn waren, het bedrog terstond had moeten uitkomen zoo moet die onware ver klaring door de daarmede belaste Commissarissen telkens afgelegd, worden beschouwd als de voorname, zoo niet de eenige oorzaak waarom dat bedrog gedurende zoo vele jaren is kunnen gepleegd worden en tot zulk een aanzienlijk nadeel voor de gemeente heeft kunnen leiden. Het is der Commissie niet onbekend, dat door den ge wezen Boekhouder ook valschheden zijn gepleegd in processen- verbaal van verkoopingen van verstane panden, waarschijnlijk hebben ook die handelingen gestrekt om bestaande tekorten te verbergendoch de grondoorzaak van alles moet naar het oordeel der Commissie gezocht worden in het opgeven van fictieve beleeningcn en dat zou moeten ontdekt zijn, indien behoorlijk de aanwezigheid der opgegeven pandenniet alleen wat hun aantal, maar ook wat aun gehalte betrof, ware ge verifieerd geworden. Als bewijs voor de juistheid harer meening gelooft de Commissie op de volgenae omstandigheid te mogen wijzen. Voor de telling die den 2 Julij 1873 zou plaats hebben waren aangewezen niet dezelfde twee Commissarissen die steeds dat werk hadden verrigt, doch slechts een van hen en een nieuw benoemd lid van het Bestuur. De Boekhouder werd even als gewoonlijk daarmede in kennis gesteld. In den nacht echter van Zondag op Maandag 30 Junij ontstond de bekende brand in het magazijn en daar in regten als bewezen is aangenomen dat die brand door den Boekhouder is gesticht, ligt het vermoeden voor de hand, dat die brand heeft moeten strekken om het ontbreken van een aantal in het register van beleening genoteerde panden te bedekken, terwijl dat register zelf bovendien ook aan brandgevaar was blootgesteld en werkelijk gedeeltelijk verbrand is. Indien men alzoo, met de Commissie aanneemt, dat aan onnaauwkeurigheid der telling moet worden toegeschreven het door de gemeente geleden nadeelrijst van zelf de vraag //Kan het Bestuur der Bank voor dat nadeel aansprakelijk //worden gesteld, of zoo niet het gehcele Bestuur, kan men «als dan van de leden die hunne taak zoo weinig naauw- «keurig hebben vervuld vergoeding vorderen." Deze èn voor de gemeente èn voor de betrokken personen zoo hoogst gewigtige vraag is door de Commissie met den grootsten ernst en de meeste naauwgezetheid overwogen. Ten einde tot hare oplossing te geraken moet men noodwendig onderzoeken, welke de werkkring is van het Bestuur, welke zijne verpligtingen zijn. Beiden, werkzaamheden en verpligtingen, vindt men om schreven in het Reglement op de Bank van Leening. De Commissie gaat daarop na wat die werkzaamheden en verpligtingen zijn en in hoever het Bestuur zich daarvan heeft gekweten. Van hetgeen zij daarvan zegt verdient vermelding waarin het Bestuur naar haar oordeel is tekort gekomen. Zii meent dat uit het geding tegen den gewezen Boek houder gevoerd gebleken is, dat niet altijd door hen, die uit het Bestuur werden gecommitteerd om de driemaande- lijksche verkoopingen der verstane panden bij te wonen, aan dien last is gevolg gegeven en is te dien opzigte wel eenig verzuim gepleegd. De Commissie is van oordeeldat ook dat verzuim oorzaak kan zijn geweest dat het door den Boekhouder gepleegd bedrog niet vroeger is aan het licht gekomen. Wat nu «zegt de Commissie verder" de waarneming der algemeene werkzaamheden betreft, deze worden allen terug- gebragt tot de eene rubriek «toezigt op de handelingen van den Boekhouder," immers al wat met de werkelijke administratie, het werkdadige beheer in verband stondgeschiedde door dezen en niet door het Bestuur der Bank zelf. Hier kan dus alleen te pas komen de vraag, of dat toezigt zoodanig is geweest, dat het Bestuur zich daaromtrent kan verantwoorden. Die vraag moet deels bevestigenddeels ontkennend worden beantwoord. Vooraf behoort te gaan eene mededeeling voor sommigen, wat voor anderen slechts eene herinnering is, namelijk, deze'. De Bank van Leening was in 1854 niet wat men noemt eene nieuwe Instelling in de gemeente. Zij was eenige jaren te voren opgerigt en tijdens de oprig- ting was M. Rinkier aangesteld als Boekhouder. In 1854 ontdekte een der Leden van het Bestuur dat er een te kort was in de kas; bij naauwkeurige verificatie bleek dat tekort het bedrag van ƒ7400 te beloopen; de Boekhouder, ter ver antwoording geroepen, kon niet aanwijzen hoe het was ont staan het Bestuur zelf, hoezeer niet twijfelende, of het was aan zijne achteloosheid te wijtenmeende echter dat er geene termen aanwezig waren om hem te verdenken van kwade trouw; het zag naar middelen uit om èn den Boekhouder met wien men medelijden gevoelde, te redden èn de gemeente voor schade te vrijwaren. Zoo kwam men tot het besluit om den toestand te ver helen voor den Raad die zeer zekerindien hij al de Bank niet hadde opgeheven eenen anderen Boekhouder zou hebben aangesteld. Men, d. i, het toenmalig Bestuur der Banknam het besluit om aan den Boekhouder de verpligting op te leggen het tekort aan te zuiveren en daartoe jaarlijks zooveel te besteden als in zijn vermogen was. Men begreep tevens dat de zaak op eenen nnderen voet behoorde te worden ingerigt en stelde daarom aan den Raad eene geheel nieuwe verordening voorzijnde liet Reglement dat thans van kracht is en waarbij als het ware een geheel nieuwe inrigting werd in het leven geroepen. De Boekhouder bleek niet in staat te zijn om alleen uit eigen middelen het tekort aan te zuivereu en een der leden vau het BestuurMr. Cauniet willende dat eventueel de gemeente benadeeld zou wordenheeftom dat tekort te dekkendaaraan uit eigen middelen besteed ruim 4000. Eene fout moet het echter worden genoemddat het Bestuur den waren staat van zaken in 1854 heeft verheeld doch eene fout waarvan niemand dan het meergenoemd lid het materieel nadeel heeft ondervonden en die liaren oorsprong vond in misplaatst medelijden met eenen niet vertrouwbaren beambte. Intusschen, door ondervinding geleerd, was het Bestuur der Bank in 1854 doordrongen van de noodzakelijkheid om een zoo gestreng mogelijk toezigt te houden op de admini stratie van den bij vernieuwing aangestelden Boekhouder en werkelijk zijn ook alle denkbare maatregelen genomen om aan dat voornemen gevolg te geven. De door den Boekhouder in te vullen registers werden elke maand geregeld geverifieerdde Voorzitter Mr. Cau had zelf een staat opgemaakt van het aantal panden, dat bij het in werking treden der inrigting in 1854 aanwezig was; elke maaud werd door hem die staat bijgewerkt volgens de dag en maandstaten hem door den Boekhouder bezorgd. Dewijl nu de Leden die de jaarlijksche telling dedenver klaringen aflegden en staten overbragten, die met den gene nden staat van den Voorzitter overeenkwamen, was er voor het Bestuur, als zoodanig, geene reden om te vermoeden dat de zaak niet rigtig was. Doch juist die leden, die met de opname der panden en met dc telling belast waren, (eene materieele taak en zeer zeker de meest eenvoudige in het raderwerk der administratie) hebben zoo als hiervoren reeds gezegd is die taak verzuimd, moeten die jaren achtereen hebben verzuimd en zijn daardoor oorzaak geweest dat hunne medeleden van het Bestuur in dwaling zijn gebrngt en gehouden, eene dwaling, die tot zulke noodlottige resultaten heeft geleid; terwijl ook het niet geregeld bijwonen der verkoopingen, die door den Boek houder werden gehoudener toe heeft bijgedragen om het bedrog verborgen te houden. Wanneer dus de Commissie vermeent dat het Bestuur der Bank in zijn geheel als ligchaam zich kan verantwoorden met betrekking tot het op den Boekhouder gehouden toezigt, dan geldt zulks niet voor alle individuëele leden en schroomt zij niet een blaam te werpen op die personen uit dat Be stuur, die zoo ligtvaardig hunne taak hebben opgevat en verzuimd. De Commissie zou met aarzelen den Raad in overweging te geven tegen diezelfde leden eene vordering ter vergoeding van het door de gemeente geleden nadeel in te stellen indien zij van oordeel was dat men daarin zou slagen. De meerderheid der Commissie echter meent daaraan te moeten twijfelennaar hare meening toch geldt het hier misslagen verzuimengeene misdrijven begaan door personen met een publiek mandaat bekleed in hunne betrekking als publiek persoonwaarbij niet moet worden uit het oog ver loren dat die opname en telling der panden niet bij eenige verordening van den Raad was bevolendoch een maatregel was vau huishoudelijke» aard voor welks verwaarloozing het moeijelijk zou zijn iemand in regten te betrekken. Hare minderheid deelt niet in elk opzigt het gevoelen der meerderheid en is van oordeel dat in de gebeele toedragt der zaak aanleiding te vinden is om het denkbeeld der civiele aansprakelijkheid niet zoo geheel te verwerpen, zonder intus schen een bepaald advies in dien geest te willen geven. De Commissie zou dus huiverig zijn eenig voorstel aan den Raad te doenof eenig advies uit te brengende strekking kunnende liebben om langs den weg van regten vergoeding te eiscben. Zij acht het bij verschil van meening omtrent dat punt bestaandewenschelijk dat omtrent de civiele aansprakelijkheid des Bestuurs of van sommige zijner leden het oordeel worde ingeroepen van een onpartijdig regtsgeleerde en adviseert den Raad daartoe te besluiten. Zonder op het te nemen besluit te willen vooruit loopen of den Raad in zijne keuze te willen leidenmeent de Commissie te mogen noemen den naam van Mr. A.Philips, advokaat te Amsterdam, wiens regtskennis en ervaring op het hier besproken gebied algemeen bekend zijn. Het rapport der Commissie voorgelezen zijuae, betuigt de Raad op voorstel van den Voorzitter de Commissie dank voor de wijze waarop zij zich van hare taak heeft gekweten. Het rapport wordt daarna ter inzage van de leden neder- gelegd ter Secretarie om later te worden behandeld. De Voorzitter deelt mede: 1.° dat zijn ingekomen twee sollicitatien naar de betrekking van Vroedvrouw: nl.van L. van der Meulen te Bruinisse en van K. J. Kastelein te Bodegraven en dat Burgemeester en Wethouders nog geen voorstellen voor de vervulling dier betrekking kunnen doen, daar zij nog andere sollicitatien wachtende zijn. Voor kennisgeving aangenomen; 2.° dat beden nog is ingekomen een verzoekschrift van den heer Dr. P. Schuringa, leeraar in de Natuurkunde, WerktuigkundeKosmographie en Wiskunde voor de twee hoogste klassen der Hoogere Burgerschool, om verhooging zijner jaarwedde, op grond dat deze in verschillende opzigten in ongunstige verhouding staat tot anderen. Gesteld in handen van Burgemeester en Wethouders om praeadvies. De Voorzitter doet daarop de gewone omvraag. De heer van der Grijp zegt dat de aarde die bij het uitgraven van zelkasch uit de putten komtna de uitgraving terstond weder in die putten worat geworpen. Hij geeft het dagelijksch Bestuur in overweging te zorgen dat dit voortaau niet meer zal geschie den maar dat aan den persoon, die met het toezigt over de ontgraving belast iszal worden opgedragen de uitgegraven putten te laten open liggenopdat men zou kunnen onder zoeken- of er nog asch in aanwezig is. Spreker heeft daarvoor eene bepaalde reden en meent dat zoodanige maatregel in bet belaug der gemeente-financiën zal zijn. De Voorzitter antwoordt dat Burgemeester cn Wethouders deze zaak in overweging zullen nemen. De heer Zuurdeeg vraagt, wanneer Burgemeester en Wet houders rapport zullen doen omtrent het door hen ingesteld onderzoek naar de uitgraving der zelkasch uit het terreiu der voormalige scheepstimmerwerf «de goede intentie," waarop de Voorzitter te kennen geeft, dat Burgemeester en Wet houders dit zoodra mogelijk zullen doen, doch dat zij tot nog toe daartoe niet in staat waren. Daarna vraagt de heer Koole of Burgemeester en Wet houders niet in staat zijn advies uit te brengen omtrent het verzoek der Spootboot-Maatscliappij tot het maken van eene keibank of bankhelling, hetwelk nu reeds ongeveer drie maan den geleden in hunne handen gesteld is. De Voorzitter zegt dat Burgemeester en Wethouders daartoe nog niet in staat zijndaar zij onlangs eene inlichting hebben gevraagd aan de Directie, waarop zij nog geen ant woord hebben ontvangen. De heer Koole zegt den Voorzitter dank voor deze inlichting. Het zou kunnen geschieden dat men hem bij de aanstaande vergadering der Directie van de Spoorbootmaatschappij weder naar de zaak vroeg en hij vindt het in zulk een geval onaan genaam als hij als Raadslid niets van de zaak weet. De Voorzitter sluit de Vergadering. Uitgevers: DE LOOZE WAALË. Gedrukt by OCHTMAN, PIETERSE van DISHOECK.

Krantenbank Zeeland

Zierikzeesche Nieuwsbode | 1875 | | pagina 4