B IJ.VOEGSEL Zierikzeesclien Nieuwsbode van Zaturdag 31 December 18*70. behoorende bij den De BURGEMEESTER en WETHOUDERS van Zie rikzee doen te weten, dat door den Raad dier gemeente in zijne vergaderingen van den 21 October 1870 en den 19 November 1870 is vastgesteld liet volgend Besluit: BESLUIT tot Heffing van een HOOFDE LIJK E N OMSLAG in de gemeente Zierikzee. De GEMEENTERAAD van Zierikzee; Overwegende dat de noodzakelijkheid is geblekenoin eenige wijzigingen te maken in de bestaande verordening op de heffing van een Hoofdelijken Omslag in deze gemeente, laatstelijk goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 9 Maart 1869, no. 6 Gelet op de artikelen 1, 6 en 8 van de wet van den 7 Julij 1865 (Staatsblad no. 79) benevens op art. 243 der wet van den 29 Junij 1851 (Staatsblad no. 85); BESLUIT: I. Vast te stellen het volgende: Besluit tot heffing van een Hoofdelijken Omslag in de gemeente Zierikzee. Artikel 1. Er zal te beginnen met het jaar 1871, ten behoeve der gemeente Zierikzee, jaarlijks eene directe belasting worden geheven, onder den naam van Hoofdelijken Omslag. Art. 2. Deze belasting wordt geheven tot zoodanig bedrag als de Raad jaarlijks zal vaststellen, doch hoogstens tot een bedrag van ƒ18500. Dit bedrag mag met 6 teil honderd overschreden worden voor den aanslag van hen, die in. den loop van een dienst jaar belastingschuldig geworden en op suppletoire kohieren gebragt zijn. Art. 3. De belasting wordt geheven 1.° van de in de gemeente wonende of verblijvende ge zinnen en 2.° van in de gemeente wonende of verblijvende personen, die of op zich zelve wonen, of bij anderen inwonende, niet tot het gezin behooren. Art. 4. Yoor leden van hetzelfde gezin worden alleen gehouden 1.° Echtgenootenhunne inwonende bloed- en aanverwanten in de regte lijnbenevens hunne inwonende broeders en zusters. 2.° Zamenwonende broeders en zusters. Art. 5. De aanslag van een gezin geschiedt ten name van het hoofd des gezinsnaar de vermoedelijke inkomsten van al de leden van het gezin enbij ontstentenis van het natuurlijk hoofd des gezins, ten name van het oudste lid. Art. 6. Als grondslagen der heffing worden aangenomen: 1.° de inkomsten, welke door de belastingschuldigen over het jaar, waarin de belasting wordt geheven, vermoedelijk zullen worden genoten; envoor zoo verre hiervan geene of onvoldoende opgave wordt gedaan, of bij Burgemeester en Wethouders geene genoegzame kennis bestaat; 2.° de bekende inkomsten, in verband met den uiterlijken staat der belastingschuldigen. In beide gevallen met. inachtneming van de talrijkheid van het gezin. Art. 7. Door inkomsten worden verstaan alle vruchten van goe deren, bezoldigingen, winsten van handel, nijverheid, be roep, bedrijf, arbeid en onderneming. Art. 8. Ter berekening van de inkomsten worden in aanmerking genomen 1.° Berekend naar het jaar waarover de belasting loopt: a. alle dag- en huurloonen, hetzij in geld of op andere wijze genoten; b. pensioenen, wachtgelden, lijf- en andere renten, uitkee- ringen uit weduwenfondsenlevensverzekeringen en der gelijke; c. renten van inlandsche en vreemde fondsen en effecten en van uitgezette kapitalen; d. alle uitkeeringen, hetzij van ouders, hetzij van anderen, zelfs onder den naam van gift genoten; e. de huur en alle verdere voordeden van verhuurde of ver pachte goederen; f. de winsteubaten en voordeelen van onroerende goederen anders dan tot uitoefening van een beroep, bedrijf of nering in eigen gebruik g. de huur, welke van in eigen gebruik zijnde woonhuizen, tuinen, buitenplaatsen en andere dergelijke vaste goe deren zouden kunnen worden genoten, indien zij verhuurd waren h. de. bezoldigingen en voordeelen aan ambten, bedieningen en commissiën, van welken aard ook, verbonden; 2.° Berekend over het ajgeloopen jaar de zuivere winsten voortvloeiende uit beroepen, bedrijven, neringen, ondernemingen of arbeid, voor zoover die niet zijn bedoeld sub 1 litt. a; 3.° Berekend naar het resultaat der laatste rekening: renten en uitdeelingen van aandeelen in vennootschappen en andere maatschappijen. Art. 9. Van die onder No. 1 en 3 genoemde inkomsten worden "afgetrokken de uitgaven, welke tot verkrijging dier inkomsten noodzakelijk zijn, waartoe worden gerekend te behooren: a. de grond- en polderlasten der onroerende goederen benevens de op die goederen gevestigde renten en uitkeeringen; b. de kosten van onderhoud van in eigen gebruik zijnde woonhuizen en van verhuurde of verpachte goederenvoor zooverre die ten laste des verhuurders zijn; c. de interessen van opgenomen kapitalen; d. de uitkeeringen aan personendie van het gezin van den belastingschuldige geen deel uitmakenkosten van opvoe ding en onderwijs aan kinderen zijn evenwel onder dezen aftrek niet. begrepen. Art. 10. Als belastbaar inkomen worden aangemerkt de inkomsten vermeld in art. 8, verminderd met de uitgaven in art. 9 vermeld, en bovendien, voor zooveel betreft een inkomen beneden 1000, met eene som van twee honderd guldenen voor izooveel betreft een inkomen van 1000 tot 1999, met eene som van honderd gulden. Het gezamenlijk bedrag van het belastbaar inkomen van een gezin, wordt tot regeling van den aanslag verminderd met vijf ten honderd voor elk lid des gezins boven de vijf. Voor de toepassing dezer bepaling, worden ter zake van opvoeding of onderwijs uitwonende kinderengerekend leden van het [gezin te zijn. Art. 12. De belasting wordt omgeslagen naar de volgende klassen: Iu de 1ste klasse voor eeu belastbaar inkomen van 50,000 of meer. 2de - 45,000-/49,999. 3,je - 40,000 - 44,999. 4de - 35,000— - 39,999. 5de - 30,000 - 34,999. 6de - 25,000— - 29,999. 7de - 20,000 - 24,999. 8ste - 17,500— - 19,999. 9de 15,000 - 17,499. 10de - 12,500 14,999.

Krantenbank Zeeland

Zierikzeesche Nieuwsbode | 1870 | | pagina 3