Industriële ontwikkeling en Ruimtelijke Ontwikkeling 9 nog steeds de methode toegepast de planologische regelingen te wijzigen, naar gelang de „industriële" beslissing over de vestigingsplaats uitvalt. De vesti gingsplaats van Dow was planologisch niet aange wezen, niet voorzien; wel was er industrieterrein langs het kanaal van Terneuzen. Hetzelfde geldt voor de nu voorziene uitbreiding van Dow richting Braakman. Hoechst heeft, voor zover ons bekend, terrein in optie dat niet op het gemeentelijke uit breidingsplan voorkwam; bovendien is het gehele streekplan daar nog in ontwerp. De ontwikkeling van de Nieuwe Waterweg is misschien wel het dui delijkste voorbeeld van de stelregel: eerst ontwik keling en dan de planologische sanktie. In West Noord-Brabant komt het gebied aan de monding van de Rode Vaart, waarop naar thans iéder aanneemt, Rotterdam en Shell-Chemie het oog hebben laten vallen, voor op een 4 maanden oud in sneltreinvaart officiëel vastgesteld streekplan. Nu kan men zeggen, ja, maar de planologie is nog jong en zo ook de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening. We zijn nog volop in de ontwikkelingsfase en we kunnen niet alles tegelijk, zodoende moeten we wel eens achter de feiten aanlopen en aanpassen. Het is echter een hard oordeel als de burgemeester van Rotterdam in Middelburg zegt: „We moeten ons van de planologie maar niet te veel aantrekken, als de plannen vastgesteld zijn, zijn ze al verouderd." Ik neem overigens deze uitspraak in beginsel niet. Het zou betekenen dat men en wie zijn dan die men: grote gemeenten, grote bedrijven? maar rijn gang kan gaan en ruimtelijke ontwikkeling een willekeurige zaak zou worden. TOCH reeds moet men konstateren dat veel ruimte die de industrie wordt gegeven (dank zij en ondanks de planologie) anderen, b.v. Horeca bedrijven en ook de landbouw missen. In de laatste sektoren ontmoet men de planologie als stelsel van geboden en verboden, dat niet voor versoepeling in de toekomst in aanmerking komt. Bovendien tasten sommige planologische regelingen in een aantal ge vallen de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaan de bedrijven aan. De indruk bestaat voorts, dat ook andere bepalingen (Monumentenwet, Natuurbescher mingswet, bouwverordeningen) de landbouwonder neming sterker treffen dan industriële ondernemin gen. Op een kraaninstallatie heeft bouw- en woning toezicht technisch geen greep; op een pannen, rieten of golfplatendak van een boerenschuur wel. Wan neer er grote ekonomische belangen in 't geding zijn, b.v. als gedreigd wordt met buitenlandse vestiging, past de huidige planologie zich blijkbaar flexibel aan. Bij ekonomische belangen op kleine schaal wordt planologisch wel een breed skala van niet- ekonomische belangen tot landschappelijk waarde volle toe ingebouwd. Men zal toch niet willen be weren dat de industriële vormgeving in Nederland er in meerderheid landschappelijk erg waardevol uitziet, daargelaten de imposante vestigingen die er ook wel degelijk zijn. Terwijl ik in Zwitserland vaak mooie fabrieksgebouwen zie, moet men die hier te- zeer met een lantaarntje zoeken. Terwijl een boer ook door zijn kollega's wordt bekritiseerd als het op zijn erf voor 't oog een rotzootje is, kan iedere industrie naar hartelust rond zijn gebouwen op zijn terreinen aan de openbare weg oud roest en de rest opstapelen en het onkruid meters hoog laten groeien. (Drogerij Scherpenisse). IK ben mij, waarde toehoorders, waarachtig niet 1 aan het uitleven in overmatige kritische lusten. Wel wil ik de overheden waarschuwen in ons land, dat een rechtsstaat zoekt te. zijn, niet het klimaat te laten groeien dat de kleintjes, het ekonomische deel- belangetje zie de opmerking van burg. Thomas sen met de wet in de hand op hun nummer gezet worden. Dit, terwijl de mening postvat dat er elders voor de groten, zij het dan ook onder het gebruik van belangrijke woorden als werkgelegenheid, betalingsbalans e.d., de hand wordt gelicht. Ik geloof dan ook dat we zo niét moeten doorgaan. Zoals het huidige beleid er thans uitziet, tot de burgers komt, wordt het ongeloofwaardig. Waar schijnlijk zijn we weer te perfektionistisch ge worden. Ik dien een alternatief te geven voor een zo goed mogelijk gebruik van de ruimte, dat ik zo eenvoudig mogelijk heb gehouden. Het is niet meer dan een gedachte suggestie. Provincieplannen met een open arcering voor gebieden met overwegend bebouwing, industrie, rekreatie, agrarisch gebied. Dit houdt dus in dat er ook een duidelijke beslissing moet zijn over de uiterste grenzen van industriegebieden. Daarop gebaseerd gemeentelijke bestemmings plannen met een provinciale bestuurlijke toet sing. Per streek speciale representatieve organen de planologische vormgeving laten voorbereiden, aleer deze in de smeltkroes der hogere instanties worden gaargebrouwen. Deze gedachte is bevrucht door het werk dat de streek in samenwerking met deskundigen van C.T.D. en L.D. in een verkaveling plegen te doen! i voordracht door de heer J. W. HUPKES, op het congres van de Z.L.M. te Goes op 18 juni 1968. P)E „Ruimtelijke Ordening" staat de laatste tijd L-/ in het centrum der belangstelling. Een belang rijke stimulans hiertoe leverde de Regering met nota's over de Ruimtelijke Ordening in 1960 en 1966. De geschiedenis van ons land nagaande, zien wij al sinds vele eeuwen een beïnvloeden door de mens van zijn ruimtelijke omgeving. Steeds zag Nederland zich geconfronteerd met een relatief grote bevolking en schaarse leef- en werkruimte. In dit verband kunnen de talloze inpolderingen, landontginningen, de drooglegging van de Zuiderzee en in zekere op zichten ook het Deltaplan als een manifestatie van ruimtelijke ordening worden omschreven. Het begrip „Ruimtelijke Ordening", dat wij vandaag de dag hanteren, heeft echter een bredere betekenis. Aller eerst omdat meer dan in vroeger eeuwen een „orde nend" optreden van de overheid wordt verlangd. Maar „Ruimtelijke Ordening" wordt de laatste jaren ook in toenemende mate verbonden met de leefbaarheid van ons land in meer algemene zin. De industrialisatie en de verstedelijking van Nederland brachten ons naast een grotere materiële welvaart tevens de minder plezierige konsekwenties: lucht en waterverontreiniging, lawaai, onvoldoende re creatiefaciliteiten, te weinig goede woningen en sombere stadswijken, ontvolking van het platteland. In dit verband moeten ook worden genoemd de verschillen in welvaartspeil tussen de verschillende delen van ons land: een welvarende Randstad ener zijds en grote gebieden met economische stagnatie anderzijds. Van deze achtergronden uit redigeerde de Rege ring in 1966 de „Tweede nota inzake de Ruimtelijke Ordening". Om vergissingen te voorkomen wijs ik erop, dat de conclusies van de nota niet waren ge baseerd op louter planologische overwegingen. En terecht. Het zou immers weinig zinvol geweest zijn om bij het schetsen van een toekomstig ruimtelijk beeld, geen rekening te houden met economische en sociale ontwikkelingstendenzen. De conclusie van de genoemde nota is duidelijk. In de komende decennia zal een relatief groter deel van de Nederlandse bevolking buiten de Randstad moe ten wonen en werken. In de driehoek Amsterdam, Den Haag. Rotterdam is de leefbaarheid reeds in gevaar en bij een voortgaande onbeperkte expansie in dat gebied dreigt men zonder meer in grote moei lijkheden te geraken. Gegeven de groei van onze bevolking is het derhalve noodzakelijk, nieuwe grote woon- en werkgebieden te ontwikkelen in andere delen van ons land. Hierbij valt onder meer aan het Noorden van ons land, maar vooral aan Zeeland te denken. In de nota komt duidelijk naar voren, dat met het beoogde ruimtelijk beleid aanzienlijke bedragen zijn gemoeid. De nota gaat niet in op de omvang van deze bedragen. Dat de benodigde investeringen groot zijn, blijkt echter wel uit de zinsnede waarin staat dat belastingverhogingen voor dit doel onvermijde lijk kunnen zijn. Dit hoeft geen reden te zijn vraag tekens te plaatsen bij dit ruimtelijke beleid. De leefbaarheid van ons land is immers een materiëel offer waard. Dit feit benadrukt evenwel, dat een hoge zo niet de hoogste prioriteit moet worden gegeven aan een beleid, dat de economische groei op lange termijn waarborgt. In dit verband plaats ik mij dus achter de uitspraak in de eveneens in 1966 ver schenen „Nota inzake Groei en Structuur van onze Economie" „De wenselijkheid van een voortgaande economi sche groei is evident, zowel voor de wereld als ge heel als voor ons eigen land. Voor een groeiende bevolking kan slechts volledige werkgelegenheid, tezamen met een verdere toeneming van de indivi duele en collectieve welvaart worden gerealiseerd, wanneer de nationale produktie voortdurend stijgt." Met andere woorden: een groeiend nationaal in komen bezorgt ons allen een hoog materieel inko men en tevens de middelen voor de omvangrijke investeringen, welke gemoeid zijn met het leefbaar houden van ons land en het waarborgen van de groei van het nationaal inkomen. Het meest effectieve instrument voor het waar borgen van de voortgezette economische groei is het industrialisatiebeleid en speciaal het regionale in dustrialisatiebeleid. Als middelen om de industriali satie te stimuleren staan omvangrijke overheids- fondsen voor onder meer de benodigde infracstruc- tuurinvesteringen, het bouwrijp maken van in dustrieterreinen, de aanleg van wegen, havens, kanalen e.d. Zouden deze fondsen onvoldoende worden aange wend ter stimulering van de regionale industriële ontwikkeling, dan is het gevaar niet denkbeeldig, dat wij over een aantal jaren zien, dat de Randstad zodanig is volgebouwd, dat verdere uitbreidingen van de bedrijven daar onmogelijk zijn. De kans op stagnatie is dan niet denkbeeldig en de leefbaarheid van de Randstad zonder meer slecht geworden. Tegelijkertijd zou men dan zien, dat grote gebie den buiten de Randstad zo vér in de industrialisatie en daarmee de sociaal-economische ontwikkeling zijn achtergebleven, dat een stagnatie in de eco nomische groei in de Randstad niet via de andere regionen kan worden opgevangen. Het mag U wellicht wat somber voorkomen. Maar ik kan mij niet voorstellen, dat een onevenwichtige structuur van onze nationale economie als hiervoor geschetst gevoegd bij de ruimteproblemen in de Randstad op lange termijn geen ongunstige kon sekwenties met zich zou brengen.

Krantenbank Zeeland

Zeeuwsch landbouwblad ... ZLM land- en tuinbouwblad | 1968 | | pagina 9