wat is Sporenelementen GeórijfseconcmiscE onderzoek j ONDERZOEK OP VOOR LAND- EN TUINBOUW ergudering Mi »1 Kratzet Nu het belang van sporenelementen voor een ge zonde ontwikkeling van de gewassen en het vee in brede kringen wordt ingezien, komt uit dé practijk vaak de vraag of deze sporenelementen evenals kali en fosfaat bepaald kunnen worden, waardoor het mogelijk wordt om bij eventuele tekorten in te grijpen en door een doelmatige bemestingverfoete. ring in een onjuiste toestand te scheppen. Het gaat hier dus om twee verschillende problemen, n.l. de mogelijkheid van bepaling van het gehalte aan spo renelementen in grond en/of gewas en het geven van advies op de gevonden cijfers. De vraag of de sporenelementen bepaald kunnen worden, kan in het algemeen bevestigend worden beantwoord. De hoeveelheid, waarin bepaalde spo renelementen voorkomen, kan door chemisch, phy- sisch-chemisch en physisch onderzoek bepaald worden. Het bepalen van de hoeveelheden alléén is echter niet voldoende om te constateren of, en in welke mate, een bepaalde grond tekorten ver toont. Hierbij moet ook worden nagegaan, welk gedeélte van dé in de grond aanwezige hoeveel heid van sporenelementen door de plant opgeno men kan worden; welke eisen de verschillende ge wassen aan de sporenelementen stellen en hoe de reactie op verschillende grondsoorten is. Deze ken nis kan alleen aan de hand van proefveldonderzoek verkregen worden. Welke sporenelementen zijn nu van belang? Van de ruim 60 elementen, waaronder vele sporenele menten, die in planten zijn aangetoond, is slechts een deel essentieel, d.w.z. voor een normale groei van de plant absoluut noodzakelijk. Tot de voor de land- en tuinbouw belangrijke sporenelementen rekent men: koper, mangaan, borium, ijzer, alumi nium, zink en molybdeen, (Voor het vee zijn ook cobalt en jodium van belang.) Hierbij moet wel worden bedacht dat ook overmaat kan schaden. Velen rekenen ook magnesium tot de sporenele menten, hoewel dit minder juist is, daar van dit ele ment aanzienlijk groter hoeveelheden nodig zijn den van de echte" sporenelementen. Van de boven genoemde elementen geschiedt het onderzoek op koper en magnesium thans desgevraagd bij het nor male bemestingsonderzoek en er kan op grond van resultaten verkregen door proefveldonderzoek. ge adviseerd worden. Voor de andere elementen bestaat deze advies basis nog niet en valt er van een bepaald gehalte niet te zeggen of dit hoog (ook te hoog), voldoen de, matig of laag is. Een zekere indicatie kan men wel eens krijgen door gelijktijdig chemisch onder zoek van gewas van een „gezonde" en van een „zieke plek" op hetzelfde perceel. Welke moeilijk heden hier liggen moge verder blijken uit het feit, dat o.m. het klimaat (o.a. regenval, temperatuur enz.) invloed heeft. Hiermede wordt bedoeld, dat eenzelfde gehalte van een sporenelement het ene jaar voldoende kan zijn en het andere jaar te laag. Bovendien is van de wederzijdse beïnvloeding van de sporenelementen nog weinig bekend. Het zal duidelijk zijn, dat een onderzoek op sporenelemen ten in individuele gevallen weinig practisch nut heeft, zodat het onderzoek alleen hoge kosten zal vergen, zonder dat men veel resultaat mag ver wachten. In dit stadium acht het Bedrijfslabora. torium voor Grond, en Gewasonderzoek het onjuist om een uitgebreide bepaling van sporenelementen voor de practijk te verrichten. Het feit waar alles om draait is, dat men aan liet gehalte dat op het laboratorium wordt gevonden, een reëele betekenis moet kunnen hechten. Het argument wordt wel eens aangevoerd, dat in Amerika wel degelijk sporenelementen worden bepaald. Hierop kan alleen geantwoord worden, dat men in Amerika met precies dezelfde moeilijk heden te kampen heeft als in Nederland, Men is daar ook zoekende naar een mogelijkheid om iets meer te weten te komen over de sporenelementen kwestie en voert in het kader van de onderzoekin gen, evenals wij, inderdaad bepalingen van sporen elementen uit, Hieraan mag evenwel niet de con. clusie worden verbonden, dat men in Amerika nu ook over een adviesbasis beschikt. Ook daar wordt als regel voor de practijk evenmin onderzoek op sporenelementen verricht. Betreffende sporenelementenonderzoek kan het standpunt van het Bedrijfslaboratorium voor Grond- en Gewasonderzoek en het Landbouwproef station en Bodemkundig Instituut T.N.O. als volgt worden geformuleerd: Er wordt hard gewerkt om zo spoedig mogelijk een nader inzicht in de sporenelementen-kwes tie te verkrijgen. Het is echter onverantwoor delijk de boeren en tuinders voor te spiegelen, dat sporenelementen-onderzoek met daaraan gekoppelde adviesgeving thans reeds mogelijk is. Indien evenwel bepaalde gebreksverschijnselen geconstateerd worden, die doen denken aan een tekort aan een bepaald sporenelement in de grond, heeft het, gezien het algemeen belang dat hiermede gediend kan worden, zeker zin, de grond op het sporenelement te onderzoeken. Ook op deze wijze worden steentjes bijgedragen ter verdieping van het inzicht in deze materie. Bedrijfslaboratorium en Gewasonderzoek. voor Grond- en Landbouwproefstation en Bodemkundig Instituut T.N.O. Oosterbeek en Groningen. November 1951. Met technisch onderzoek komt iedere boer in aanraking. Voorbeelden er van zijn: grondonder zoek op plantenvoedende bestanddelen, kuilvoer op voederwaarde, suikerbieten op gehalte, melk op vet, koeien op productie en gewassen op kg- opbrengst per ha. Zijn de resultaten van het technisch onderzoek voor een bepaald bedrijf op alle punten gunstig, dan zal gemakkelijk de gedachte ontstaan dat het niet beter gaan kan. Toch bestaat de kans, dat die gedachte onjuist blijkt te zijn wanneer op hetzelfde bedrijf economisch onderzoek zou plaats vinden. Het gaat immers pas goed wanneer goede tech nische resultaten met voldoende rendement ge. paard gaan. Door onderzoek is echter bekend ge worden, dat hoge opbrengsten niet altijd samen gaan met een hoog rendement. Voor een juiste beoordeling van de bedrijfsresultaten is het dus gewenst, dat naast het technische onderzoek ook de financiële uitkomsten worden vastgesteld. Het (bestuderen en beoordelen van deze financiële resul taten noemt men nu bedrijfseconomisch onderzoek. Dit onderzoek is zeer belangrijk, omdat dan wordt Namens de Landbouworganisaties in Zuid-Beve land, te weten de Z.L.M. de C.B.T.B. en L.T.B. wordt een zeer belangrijke vergadering gehouden op Vrijdag 14 December 1951, des middags 14 uur, in het Schuttershof te Goes. Op deze vergadering zullen als sprekers optreden Ir. W. L. Harmsen, Rijkszuivel- en Veeteeltconsu lent, over: Mogelijkheden voor de boer door het stichten van een melkafzetorganisatie voor Zuid- Beveland", en B. van der Heide, directeur der grootste melk afzetorganisatie in Nederland (C.M.C.) over: „Boe- renmelk in boerenhanden". Voorts zal de interessante en boeiende geluids film bioscoopformaat„In eigen handen" van De voorzitters en secretarissen der land bouworganisaties in Zuid-Beveland: P. SCHEELE—DE PUTTER M. A. KOSTENSE J. M. KLOMPE Ir. A. E. BRUIJNINC j K. J. DOMINICUS Drs. J. J. KNIBBE j M. STEIJN—GOENSE M. NIJSTEN O. Z.-Bev. S Z. L. M. W. Z.-Bev. Z. L. M. C. B. T. B. L. T. B. Wij bevelen deze vergadering gaarne ten volle aan. de Koninklijke Ned. Zuivelbond worden vertoond. Draaitijd 80 minuten. Nimmer werd door de landbouworganisaties in ons gewest Zuid-Beveland een dergelijke bijeen komst gehouden. Bezoek daarom deze belangrijke vergadering. Neem ook Uw vrouw en oudere kinderen mee. Ga horen en zien wat de boeren in andere delen van ons land bereikt hebben door gezamenlijke verkoop van hun melk. Bedenk wel dat elke fabriek vrij is in de uit te betalen prijs voor de melk en dat de boeren in ons gewest niet alleen van deze prijs weinig afweten, maar ook vrijwel geen enige in vloed hebben op de hoogte van deze prijs. Wij verwachten U Vrijdagmiddag 14 Dec. a.s. in het Schuttershof te Goes. De leden der Commissie ter vorming van een melkafzetorganisatie voor Zuid-Beveland: A. MINDERHOUD JAC. P. LINDENBERGH J Z. L. M. P. H. A. POLDERMAN JOH. KRIJGER D. M. ROUW A. H. ZANDEE D. BOONMAN L. VERDURME& C. VERDONK C. B. T. B. L. T. B. nagegaan of het bedrijf wel heeft opgebracht wat onder de gegeven omstandigheden mogelijk was. De meeste boeren staan nog vreemd tegenover bedrijfsonderzoek. In andere takken van bedrijf, b.v. bij de industrie, is het reeds ingeburgerd en bekend als een waardevol instrument voor de lei. ding gevende personen. Een goede administratie is daar de belangrijkste grondslag voor een juiste bedrijfsleiding. Dat ook in de landbouw een goede bedrijfsboek houding de belangrijkste grondslag voor een juiste bedrijfsleiding kan zijn, wordt nog weinig erkend. „Wij zijn te veel van weer en wind afhankelijk om aan de hand van cijfers te boeren" zegt menige boer. Geheel onjuist is deze opmerking niet, maar helemaal juist is ze zeer zeker ook niet. Naast weersomstandigheden en alle andere factoren speelt een meer of minder bekwame bedrijfsleiding immers een grote rol voor het rendement van een bepaald bedrijf. De practische voorbeelden hiervan zullen ook wel bekend zijn uit Uw eigen omgeving. Waar de ene boer het niet vol kan houden, gaat het de ander goed. Het rendementsverschil in dit voorbeeld is zo duidelijk, dat ieder kan constateren wie de beste resultaten bereikte. Juist en minder juiste toepas sing van het economische principe (met een mini mum aan kosten en opofferingen een maximum resultaat trachten te bereiken) is zeker een van de belangrijkste oorzaken voor het al of niet volhou. den. Dat het rendement van op het oog goede bedrijven geweldig uiteenloopt is echter minder bekend. Dit blijkt pas wanneer op meerdere be drijven een bedrijfsboekhouding wordt bijgehou den. Zo liep volgens ons ter beschikking staande gegevens het netto-overschot voor oogst 1950 op de Zeeuwse Eilanden uiteen van 71 tot 981 per ha. De oorzaak van het grote verschil ligt zowel in de opbrengsten als in de gemaakte kosten. Na bestu. dering van de gegevens is het mogelijk om aan te geven waaraan de bedrijven de meer of mindere rentabiliteit te danken hebben. Is de oorzaak aan. gegeven, dan kunnen eventueel zwakke plekken in het vervolg worden verbeterd. Het moet dus mogelijk zijn, dat in de landbouw een goed bedrijfsboekhouding, veel meer dan voor heen een waardevol instrument voor de bedrijfs leiding wordt. In andere landen wordt deze moge. lijkheid reeds algemeen door de boer erkend. Daar steunt hij op zijn bedrijfsboekhouding. De bedrijfs resultaten worden nauwkeurig bestudeerd en er wordt nagegaan of op een andere wijze betere (resultaten zijn te verkrijgen. Gevonden fouten worden verbeterd en de boekhouding is ruim schoots betaald. Goed voorgaan doet goed volgen. Denk daarom niet meer dat een bedrijfsboekhou ding op één lijn gesteld kan worden met verplichte loonadministratie. Laat U zich geen voordeel ont. gaan door de bedrijfsboekhouding bij voorbaat te veroordelen als „papieren rompslomp" waarmee men niets dan last heeft. Denk deze wintermaan den eens rustig na of een bedrijfsboekhouding ook voor U een waardevol instrument kan zijn. Wij weten het zeker en geven U gaarne nader advies. Kruiningen, 26 Nov. 1951. De Assistent van het Economisch Onderzoek, L. NIEUWENHUIJSE.

Krantenbank Zeeland

Zeeuwsch landbouwblad ... ZLM land- en tuinbouwblad | 1951 | | pagina 7