Gods Verrassende Openbaring ONS SYMBOOL JTxelaria Zeeuwse tiende jaargang No. 5 Weekblad van de Gereformeerde Kerken in Zeeland vrijdag 30 juli 1954 ZEEUWSE KERKBODE Hoofdredacteur: Dr C. Stam, Westwal 2, Goes, Telefoon 2563. Berichten en opgaven Predikbeur- Redacteuren: Ds D. J. Couvée, Ds Y. J. Tiemersma, Drs A. Verschoor. Abonnementsprijs: ƒ2,75 per half- ten tot Dinsdagsmorgens te zenden Medewerker: Ds H. Veldkamp, Veldweg C 260i, Telefoon 884, Hattern. jaar (bij vooruitbetaling). aan de drukkers Littooij Olthoff,Afzonderlijke nummers 12 cent. Spanjaardstraat 47, Middelburg. Drukkers: Littooij Olthoff, Spanjaardstraat 47, Middelburg, Telefoon 2438, Giro 42280 Advertentiën 10 cent per mm. Gen. 3:24. Het lijkt een grauw hoofdstuk, waarin de geschiedenis van 's mensen val staat beschreven. De veroordeling volgt immers op de ongehoorzaamheid. De hof wordt voor de mens gesloten, en de pas wordt hem afgesneden om door te dringen tot de boom des levens. Toch moeten wij het zó verstaan, dat juist aan het einde van Gen. 3 er een wonderlijke openbaring van de goedheid Gods valt op te merken. Juist als de weg naar de boom des levens wordt afgeslo ten. Er lag daar een groot gevaar. Die boom des levens had in het para dijs een bijzondere betekenis. Er ging een stil getuigenis van uit, dat het para dijs' nog niet het hoogste was. Uit die voorlopige toestand moest de mens ko men tot een vreugde, die nooit meer ver stoord kon worden. Daartoe zou hij, als hij gehoorzaam gebleven was in de weg Gods, alleen maai de vrucht moeten nemen van de boom des levens. Daarin zou God dan het eeuwige leven schenken. Maar. nu is de mens uit Gods weg gelopen. Hij ging zijn eigen weg, tegen God in. Stel 1111, dat de zondaar nog had kun nen doordringen tot de boom des levens. Dat hij daar wederrechtelijk deze vrucht zou genomen hebben, die, naar Gods eigen Woord, eeuwig leven brachtDan was de mens, als zondaar, in het eeuwige leven terecht gekomen. En daarmee had hij zich voor altijd in het verderf gestort. Want, wie zó, in zondige staat, in het eeuwige leven terecht komt, hem wacht niets anders dan de eeuwige straf. Er is geen tussenbeide komen meer mogelijk. Redding is voor altijd uitgesloten. God zag dit gevaar, nadat de mens overtreder'geworden was. Daarom heeft Hij gesprokendat de mens nu niet zijn hand uitstrekke naar de boom des levens, om te eten en eeuwig leven te hebben, Gen. 322. Men doet hier niet goed, door van ironie te spreken bij deze woorden. God zag de ernst van de situatie. De zondaar had zich in zijn dwaasheid al te gemakkelijk in het eeuwig verderf kun nen storten. En, om hem daarvoor te be waren, plaatste God de Cherubs met het flikkerend zwaard. Dat doet de Heer, nadat Hij de be lofte gesproken heeft van de overwinning van het zaad der vrouw op het zaad van de slang. Daarin lag de toezegging van verlossing, en beschaming van het rijk der duisternis (Gen. 3: 15). Het plaatsen van de Cherubs met het flikkerend zwaard is nu tegelijk van Gods kant: het openhouden van de weg naar 't leven. Het heerlijk getuigenis, dat God de zondaar wil bewaren voor een wis verderf. Met deze wondere goedheid begint het, dadelijk na de val. Als de mens het to taal bedorven heeft. Dan nog wil God de overtreder behoeden, dat hij onder Zijn reddingswerk zal vallen. Op geen andere manier moeten wij het plaatsen van de Cherubs met het flikke rend zwaard bekijken. Het verzekert ons wel, dat de dood nu in de wereld zal doorgaan. De mens, die tot de boom des levens niet kan door dringen, moet nu komen in de macht van de tijdelijke dood. Boompje verwisselen. Nu volgen nog degenen, die, zonder uitgesproken ongereformeerd te willen zijn, zich bij de eerste de beste aanleiding onttrekken aan kerken, die hen wat al te veel nagaan. Zij nemen liefst geen enkele „controle". Dat lastige huisbezoek ieder jaar weer En dat gezeur om de jongens of meis jes, die er es 'n paar maal achtereen de catechisatie verzuimen! En of je zelf wel Dit optreden van de dood zal ook tot gevolg hebben, dat alle macht van het kwade maar een beperkte tijd heeft. Hoe fel de zonde moge woeden, aan alles is paal en perk gesteld. Zo treft ons de goedheid Gods, nadat de verhouding tot God verstoord is. En. het ingrijpen Gods, hoezeer het „pijn" kan doen, is gericht op redding, om voor het ergste te bewaren. Sinds dat ogenblik is de openbaring van de goedheid Gods verder gegaan. Ze heeft eindelijk gestalte gekregen in het Woord, dat vlees geworden is. Sterker nog dan de Cherubs met het flikkerend zwaard, is deze volle openba ring van de goedheid Gods voor ons ge worden de hand, waarmede God ons te genhoudt en tot bezinning roept. Van die Cherubs, wachters van de heiligheid des Heren, ging de spraak uit: zó nietZó kon de zondaar niet na deren. In deze weg werd de mens ge bracht tot zelf-ontdekking, geroepen tot de overgave als zondaar. Machtiger werd dat alles, toen de goed heid Gods zich ten volle uitsprak in de Openbaring van de Iiere Jezus Christus. Ook van die openbaring gaat de spraak uit, dat wij te doen hebben met een heilig God. Ook daaruit de roep tot zelfbezin ning. Maar, boven alles is Jezus Christus de weg tot het leven, door de dood heen. Wat in het paradijs niet meer bereikt mocht worden, daar roept God nu toe in Zijn genade. De boom des levens. Daarbij moet onze gedachte zich rich ten op de openbaring der verlossing in Jezus Christus. Hij is het leven en Hij gééft het leven. Die uit de steenrots Christus drinken, ontvangen het levend water. En, die Hem eten, zullen leven door Hem. Alléén in weg, door God genoemd, wordt de boom des levens gevonden. Dat- is de weg van zelfvernedering en schuld belijdenis. Waarin ten volle tot uitwer king komt, wat de Cherubs met het zwaard symboliseerden. Geen onbevoeg den zullen de hand uitstrekken, en eten van. de vrucht. Maar, die in 's Heren weg geleid wor den, zullen verzadigd worden tot het eeuwige leven. De kerk in deze wereld is de van God gewilde toebereiding tot de uiteindelijke openbaring, waarin weer de boom des le vens zal staan in het paradijs Gods. In de weg der kerkdat isin de weg dei- schulderkenning, der volkomen nederlaag van ons zelf, en daarin tegelijk in de weg der verzoening, roept God, verzekert God, dat we zullen eten van de boom des levens, en met eeuwige vreugde zullen verzadigd worden. Tegelijk grijpt God met Zijn openba ring in, om ons te bewaren van de weg van donkerheid Sterker dan bij 't begin klinkt nu het geluid van Zijn goedheid uit de vervulde openbaringdaarin heb Ik lust, dat gij zult leven. Laat ons des te meer luisteren. En geloven. En vasthouden, dat God alles, wat Hij gezegd heeft, ook doen zal. Opdat wij door de openbaring van Zijn goedheid hopende zijn op onze God, en op het feest, waartoe Hij Zijn kinderen leidt. C. St. trouw kerkt Misschien doen ze zelfs wel aan cul tuur Niet zozeer de actie van het goede boek of de goede muziek of het schilderij. Maar zo van die „intellectuele" spel letjes als bridgen, of '11 speciale film of de schouwburg. Nu, dan weet ieder, dat de „controle" in de Ned. Herv. Kerk vrijwel nihil is. Menig „voorganger" daar „doet zelf mee" Niet enkel omdat het in de formida bele stadswijken van soms 14.000 zielen onbegonnen werk is voor predikant en ouderlingen om er door heen te komen, maar ook omdat de opvattingen van zeer, vele predikanten daar niet zo eng, niet zo benauwd, maar meer „aangepast is aan de eisen van de tijd". De populairsten ko men daar ook openlijk voor uit, ook op de preekstoel. I11 'n jargon nu en dan, dat niet zou misstaan bij de onrijpe mee tingman, gooit 'n enkele er allerlei ge waagde dingen uit. En die trekkenIs dan bovendien „de uitverkorene" ook Hervormd, nu, dan is er niet veel nodig om „over te gaan", 'n Ander heeft het maar eens „slecht" te treffen met 'n las tige of wat ook kan inderdaad de jeugd slecht begrijpende ouderling en de zaak is gebeurd schrap me maarOf ik zal zelf wel 's 'n briefje schrijven. Ook door verhuizing „naar elders" van onder moeders en vaders oog, is voor zulke zwakken dikwijls 'n aanleiding om de kerkelijke benen te nemen. Winst voor de nieuwe kerk zit er in zulke gevallen veelal niet in. Schuilt er echter door opvoeding of traditie toch nog enig christelijk pit in, dan worden ze door hun nieuwe predi kant dadelijk aan het werk gezet. Want in deze zee van mensen is altijd ieder die „iets" wil doen, welkom. En nu gaan zij in hun kerk helemaal op. Hun „oude" kerk had geen emplooi voor hen Wat hieraan nu te doen? Natuurlijk: trouw huisbezoek, trouw catechiseren met wat onderricht in de ge schiedenis van afscheiding en doleantie. Lees het bekende recept maar op! Onlangs is in ons blad betoogd, dat een provinciale Kerkbode iets „eigens" moet hebben. Een Zeeuwse Kerkbode behoort ook inderdaad Zeeuws te zijn, en des wege een volkomen ander geluid laten horen dan het Friese Kerkblad om maar iets te noemen. Dat is ons vanzelfspre kend uit het hart gegrepen, en wij twij felen er niet aan, of alle redacteuren zul len er in slagen week in week uit het eigen Zeeuwse geluid te laten horen. Wij behoren daar niet toe en komen in deze „tour" slechts in de volg wagen achteraan, maar niettemin voelen wij iets van onze mede-verantwoordelijkheid om dit pro vinciale vooral naar voren te laten ko men. Daar kunnen wij alleen maar beter van worden. Schreven wij nu als „medewerker" in de Friese Kerkbode, dan zouden wij bij voorbeeld de koe niet achteloos kunnen voorbijgaan. Want wat de weiden engrei- den van het land der elf steden en dertig grietenijen beheerst "is de koe. Niet het ooft en de tarwe zoals bij ons in Zeeland, maar de koe is daar het „eigene". Het allereigenste kan men gerust zeggen. Zon der de koe (èn de Friese taal) is Fries land geen Friesland meer. Van de koe leeft Friesland. Aan haar tepels hangt al^ wij het mogen zeggen heel de Friese stam, en door haar wast Friesland uit de klui ten Geen wonder dus dat het Friese volk zijn koe vertroetelt, om niet te zeggen vereert. Wij hebben gelezen dat men er op zint van deze koe een beeld te ont werpen. Niet van een kalf, wel te ver staan, maar van een volledig-vol wassen koe. Geen beeld van goud, want het goud vloeit niet zo overvloedig meer in deze tijd, maar van iets anders, van brons als wij ons niet al te zeer vergissen. Wij heb ben ons over dit geval laten inlichten door oiis lijfblad „Trouw", en zijn tot de ont dekking gekomen, dat dit geen lichte en eenvoudige zaak is. Gij moet niet denken, dat gij een juist beeld van de koe hebt ontworpen, als gij in de een of andere wei zo'n beest voor u hebt laten poseren. Er is in de koeienwereld velerlei variaties, en elke koe heeft weer iets „eigens", haar eigen stand en zo, en om nu een voorstel ling te krijgen van de „ideale koe"' moet u een beeld boetseren, dat zoiets als de grootste gemene deler is van twaalf of Ik voor mij geloof dat dit ook moet, maar dan werkelijk trouw, d.w.z. in trouw aan de levende Heiland Want daaraan mankeert het naar mijn gevoelen en van mij niet alleenChristus, de levende Heiland staat niet in het mid delpunt van prediking en al het andere kerkewerk. O, wij weten wel Christus" te „halen" tot uit iedere tekst „IJzel smeedt men met ijzer", is voor ons geen bezwaar. We vermijden de mottopreken en de allegorische en andere verkeerde loopjes. Maar is het ook bij ons niet wel eens 'n loopje geworden? Heel „degelijk" en „verantwoord" en „Schriftuurlijk" en misschien wel „heilshistorisch", maar '11 loopje. Graham is niet precies Gereformeerd. Hij zou op één plaats twintig jaar staande geen stadion vol krijgen, zeker niet in Amsterdam. Maar hij deed zijn liefde tot Christus tastenEn zijn soif des ames. Zijn dorst naar zielen. En ik weet welde mens is niks. Dat is ook zo'11 loopje. Maar Paulus en Apollos waren in Gods oog toch niet te verachten instrumenten. Machtige genademiddelen in Zijn hand. Ten slotte: de keur van a.s. predikanten zal moeten beginnen bij het begin. Niet aan 't eind van, maar vóór hun vaak gesubsidiëerde studie. Misschien dat ik in ander verband ook dat nog eens onder het oog van mijn le zers mag brengen van alle deputaten ad art. 19 in den lande. D. J. C. dertien van deze dieren minstens. Het ar tikel dat wij daarover gelezen hebben ging ons wel wat erg diep, maar dit hebben wij er van begrepen. Zodoende is ons ook licht opgegaan over het probleem waar over wij maar zaten te piekeren, waarom men zo'n beeld wilde maken, waar men elke dag als men wil enige honderden koeien in levende lijve kan zien. U ziet dan wel koeien, maar niet „de koe" hét symbool van Frieslands welvaren. Boven dien wil men als wij het goed begrepen hebben, dit beeld plaatsen in Frieslands hoofdstad. Stedelingen en vooral hoofd stedelingen zijn soms rare mensen. Zij leven te ver van de natuurZij drinken wel gulzig van de gave der koe, maar de geefster zelf kennen zij niet, en vereren zij niet. Daar moet het toch tenslotte van komen. Men zou bij de bronzen koe kunnen denken aan het gouden kalf, of aan de echtgenoot van de koe, stier genaamd, die reeds door de Egyptenaren werd vereerd. Men komt dan in de beurt van de beel dendienst en de afgoderij. Ja, wat zal men daar van zeggen. Voorzover wij weten hebben de Friezen Bonefatius niet ver moord, omdat hij zou beweerd hebben, dat het Fries geen taal was, maar een spraakgebrek. Ze hebben hem vermoord, omdat hij hun afgoden verbrijzelde. Nu, u weet, de Fries laat het er niet gauw bij zitten. Hij is vasthoudend, en de mense lijke natuur kennende, Verbaast het ons niet dat juist in dit jaar van de Bonifa- tiusherdenking de Fries koppig naar zijn heilige bomen en heilige dieren terug grijpt en.... dit is er uit te voorschijn gekomen Dit zou men, zeiden we, kunnen schrij ven over het „eigene" van Friesland in een Fries blad. Maar wij schrijven in de Zeeuwse Kerkbode. En ziet, ook de Zeeuwen laten ons ge lukkig niet in de steek. Wat de koe is voor Friesland, zijn de appel en de korenaar voor Zeeland. Het agrarisch centrum van Zeeland is Goes, gelijk een Athene het culturele cen trum van Griekenland was. Toen Paulus eens door Athene ging, zag hij dat de Atheners „buitengewoon

Krantenbank Zeeland

Zeeuwsche kerkbode, weekblad gewijd aan de belangen der gereformeerde kerken/ Zeeuwsch kerkblad | 1954 | | pagina 1