Ds. J P. Tazelaar. Ernstig woord. Rara avis. DADERS DES WOORDS Het telegram. Studenten-Critiek. heij. Walchersche Brieven. 'Mag ik deze gelegenheid aangrijpen om alle kerken van 'Zeeland een gezégerffle wis seling des jaars te wenschen De Heere behoede ze allen en make ze getrouw om voor Hem te leven BOUMA. Al heeft de jubilaris van Weesp nooit in Zeeland gestaan, hij is in onze provincie toch wel een zeer goede bekende. Terneuzenaar van geboorte is hij aan ve len onder onze lezers verwant. En menigeen kent hem .ook, doordat hij in zijn vacantia gaarne een dienst op een Zeeuwschen kansel waarnam. Ds. Tazelaar is een van de weinige predi kanten, op wie de naam van „trekvogel" in 't geheel niet van toepassing is. Menschen die verstand van vogels hebben beweren, dat standvogels beter zijn dan trekvogels. Vogels zelf kunnen dit betere of mindere moeilijker beoordeelen. In ieder geval pleit het niet alleen voor Ds. T. dat hij al de veertig jaar met groote eere de kerk van Weesp heeft gediend doch de jubilaris zal dit met ons eens zijn het pleit ook zeer voor de gemeente van Weesp, die haar predikant zoo waardeerde, en wist te dragen, dat haar herder wanneer gelegenheid daartoe kwam naar geen andere kudde verlangde. Wij verblijden ons met Ds. Tazelaar voor dezen gedenkwaardigen dag van zijn 40-jarige ambtsbediening. Van al zijn arbeid vooral aan „Kandelaar" en voor „Jachin" verricht, heeft ook Zee- lands Zondagsschool en Evangelisatie jaar aan jaar vruchten getrokken. De Heere heeft hem voor wijden kring tot zegen gesteld. Hij doe hem aan den avond van zijn le vensdag ondervinden, dat Hij Zijnen trouwen en dienstvaardigen knechten goed is. Ons blad biedt hem van uit het Zuiden mede een hartelijken gelukwensch aan. S. v. D. We nemen met hartelijke instemming op in onze Kerkbode, wat Mr. A. J. L. van Beeck Calkoen uit den drang zijns harten meende te moeten schrijven in „De Heraut" De vraag mag wel met allen ernst ge steld, wat meer verontrust, de onheldere op pervlakkigheid, waarmede over de autoriteit der Heilige Schrift wordt gesproken, of de ontstellende lichtvaardigheid waarmede over losmaking uit het kerkverband en afscheiding wordt gehandeld. Het schijnt wel of het „credo pugno" bij sommigen heeft plaats gemaakt voor ik stel dubitabel en daarom strijd ik. Het schijnt, dat individualisme en indepen- dentisme allen gemeenschapszin en autori teitsbesef verdringen. Beide uitspraken mogen niet zonder toe lichting blijven. Wie zulke algemeene uit spraken neerschrijft, moet ze verdedigen. Dit wensch ik bij deze te doen. Credo pugno ik strijd voor mijn geloof. Maar mag deze leuze hier aangehaald Geldt niet juist het bezwaar tegen de Asser Sy node het opnemen in de geloofsbelijdenis van een nieuw artikel 1 Ik geloof in de boomen en de slang Dit is althans de veel gehoorde tegenwerping, die ik onheldere op pervlakkigheid noem. Een tegenwerping, die geheel miskent de verhouding waarin wij staan mét onze geloofsbelijdenis tegenover de Heilige Schrift. Zeker, onze geloofsbe lijdenis spreekt zich uit over den Bijbel, maar toch ook mag gezegd, dat de Heilige Schrift aan alle geloofsbelijdenis vooraf gaat en aan haar ten ondergrond ligt. Immers de geloofs belijdenis is gegrond op de algemeene begin selen, die haar dragen. Hoofdbeginsel nu van alle Gereformeerd belijden is wel dit dat God de Goddelijke gedachten van schepping, val en verlossing heeft neergelegd, voor ons heeft doen ge schieden en aan ons heeft doen verkondigen in den vorm van een menschelijk gebeuren. Het feit nam God op in zijn heilsopenba ring. Schooner dan Johannes dit zegt in zijn Evangelie, kan het niet uitgedrukt Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond. Door het feit spreekt God tot ons menschelijk vermogen, om zijn geopen baarde gedachten voor ons benaderbaar te maken. De verzoening heeft God aan het licht gebracht door den dood des Gekruisig den. Het nieuwe leven heeft God geopen baard, door opstanding van Zijn Zoon. Het zijn niet alleen deze gedachten, die wij behoeven als symboliseerende Gods genade. Neen, gedachte en feit beide handhaaft onze belijdenis als noodzakelijk voor onze zalig heid. Deze lijn loopt als een gouden verbin dingsdraad door alle deelen der Heilige Schrift. Geen van beide mogen wij loslaten. Daarom deert ons geen beschuldiging van verzakelijking, waar het erom gaat mèt de verborgenheid der godzaligheid het feit te verbinden. Ja, wij houden juist daarom dit verband vast, omdat het in de realiteit de verborgenheid der godzaligheid vast legt. Ge lijk Christus eenmaal sprak Dit is mijn li chaam, dat voor U verbroken wordt, hooge realiteit en diepe verborgenheid verbindende. Daarom deert ons niet de beschuldiging, de autoriteit der Heilige Schrift aan te tasten door de realiteit naar voren te brengen en het mysterie in nuchterheid' neer te halen. Immers, het gaat er om in de Goddelijke openbaring te erkennen het mysterie der lief de van God, Die Zijn heilsraad onbegrij pelijk en aanbiddelijk tot ons brengt in den vorm van het menschelijk gebeuren. Dit Imenschelijk gebeuren geeft aan schuld en val, verantwoordelijkheid en straf de droeve realiteiten in ons menschelijk be staan reëelen achtergrond, en baant alzoo den weg voor die andere realiteit der ver lossing in Christus. En nu in de tweede plaats de beschuldiging van individualisme en indcpendentisme. Wie zal -uitmaken of iemands standhouden bij eigen mecning en inzicht is heroiek dan wel indi vidualistisch Wil men iemands houding toet sen, zal dan het criterium veelal niet ook door subjectief inzicht worden bepaald Zeker, maar deze overweging mag ons niet terughouden van het doen eener keuze, waar bij dan het hoogste ook de voornaamste plaats moet krijgen. Toetsen wij hieraan de houding van hen, die zich uit het kerkverband hebben losge maakt, dan treft ons met pijnlijke gewisheid het miskennen van de beteekenis en de waar de van het kerkverband. Miskennen is nog wellicht een te zwak woord. Het kerkverband is wel bij Gereformeerden niet een als bij Rome bindende macht, maar evenmin een op subjectief waardeeren gefundeerde ver bintenis. Wie eigen inzicht ziet botsen tegen die macht, hij zie toe wat hij doe. Er is een wij ken uit weerloosheid, maar ook een wachten in geloof. Er is een aanvaarden van den strijd met erkenning van de machten, die over ons gesteld zijn. Er is een ook bij verschil van inzicht willen lijden zelfs van vermeend on recht. Doch geen dezer edeler motieven is bij de houding dergenen, die zich uit het kerk verband losmaakten, naar buiten getreden. Door dit gemis aan adel van optreden reeds, is in het leven onzer dagen een ontzaglijk groot kwaad ingedragen. Maar meer nog is dit geschied door de verwerping van autoriteit juist in onze da gen, die naar handhaving van gezag en orde zoo schreiende behoefte toonen. En eindelijk biedt, getoetst aan de eerste beginselen der Christelijke moraal, aan de eischen der deemoed, het losmaken uit het kerkverband een grievend tekort. Dit uit te spreken was mij drang des har ten. Mogc mijn kort woord nog sommigen leiden tot overweging van hun weg voor Gods aangezicht. Dr. Kuyper voegt er aan toe Voor dit ernstige woord zijn we onzen hooggeschatten broeder dankbaar. Moge het de oogen openen voor de gevaren, waardoor ons kerkelijk leven wordt bedreigd. Zoo zij het Het door Ds. De Vries van Tilburg ge signaleerde geval zal wel een rara avis, een zeldzame vogel, zijn. In Kb. van N. Br. en L. schrijft hij van een kerkeraad, die kort na elkaar tweemaal een beroep uitbracht. Eerst op candidaat A. De kerkeraad zond den beroepsbrief maar kreeg geen antwoord. Na vijf weken „zwijgen als des grafs" kwam het eerste levensteeken in den vorm van een „bedankje." De kerkeraad beroept daarop candidaat B. Zendt den beroepsbrief. Ook deze candidaat meende goed te doen niet te berichten, dat hij den brief ontvangen had en zonder ver deren vorm van proces heeft hij na drie weken bedankt. Ds. De V. neemt er bij op Dit is op zijn minst grenzeloos onbeleefd. Het wordt noodig dat de professoren in Amster dam en Kampen onder de boeken die een theologisch candidaat behoeft, ook aanbeve len Ant Margaretha „Vormen en Manieren!" Zoo is het. Maar wij kunnen ons niet anders indenken dan dat door een ongeluk- kigen samenloop van omstandigheden dezen éénen kerkeraad dit gepasseerd is. Want meer dan twee van zulke vreemde vogels, zullen er in ons Gereformeerd Ar- cadië wel niet rondvliegen. Wie in 't algemeen nog een beetje „stan ding" heeft en respect voor zijn ambt, krijgt er al rillingen van. Laat staan wie ooit ernstig zijn beroeps brief las. S. v. D. Het telegram van de „Vereeniging Van Gereformeerden te Amsterdam" aan Ds. Brussaard, naar aanleiding van diens ver klaring op de classis Haarlem, welk telegram we in het vorig nummer vermeldden, is vol gens een Ingezonden Stuk van den heer A. de Froe in „W. en G." van 24 DaC. voorbarig geweest. Wanneer het nog zou moeten verzonden worden zou dat niet ge- (Sjclhieden. Nu ze die verklaring nog eens rustig gelezen hebben, zijn ze tot het in licht gekomen, dat hun telegram bij den feitelijken toestand niet paste. Het is niet het eerste voorbeeld van een te haastig oordeel in dien kring. Moge het het laatste Zijn Wat de zaak zelve betreft van het stand punt van Ds. Brussaard en zijn positie tegen over de beweging van „W. en G." daarover krijgen we, naar een meedeeling van de re dactie van dat blad, volgende week een nader bericht. We willen dat rustig afwachten. Men heeft er zich onder ons aan geër gerd, dat een aantal studenten der V.U. meende op demonstratieve manier te moe ten bekend maken, dat het met de beslis sing der Generale Synode heel niet inge nomen was. Voor die ergernis was, naar het ook ons voorkomt, alle grond. Was het al zeer be denkelijk, dat de heeren, die nog midden in hun studie zitten, meenden 't beter te we ten dan de Synode onzer kerken, die haar beslissing nam in overeenstemming met het advies van alle theologische hoogleeraren van Kampen en Amsterdam, nog bedenkelijl- ker werd het, als zij oordeelden, dat ook ons volk moest weten, hoe zij daarover dachten. Tot een billijke beoordeeling van hun doen moet er dan echter ook op gelet worden, dat dit verschijnsel van studenten-critiek, zich niet alleen voordeed aan de V.U. maar een algemeen verschijnsel is. Dat is nu weer gebleken, nu een groot aan tal studenten te Leiden, gemeend heeft een adres te moeten richten aan de Eerste Ka mer der Staten Generaal, om deze te doen weten hoe zij, studenten, denken over het verdrag met België natuurlijk in de over tuiging, dat de leden daarvan aan dit studen ten oordeel buitengewoon veel waarde zul len hechten En al is het dan ook zeer af te keuren dat de studenten aan de V.U. zoo deden, wanneer we hun daad bezien in 't licht van dat algemeene verschijnsel, wordt ze althans eenigszins verklaarbaar. In de heele studentenwereld is waar te nemen het ge vaar voor overschatting van eigen beteeKe- nis. Gelijk dat ook zoo is in de heele we reld van jonge menschen. En daarvan ligt voor niet zoo gering deel de schuld bij de ouderen. De overweging, dat wie de jeugd heeft, ook de toeko'mst heeft, leidde tot een zeer intensief zich bezig houden met de jeugd, waarbij niet altijd werd bedacht dat, zullen we in de toekomst aan die jeugd wat hebben, die jeugd ook jeugd moet blijven, in het heden en als jeugd moet behandeld worden. Is de arbeid onder de jeugd van groote beteekenis, om het oordeel, dat deze jonge menschen zullen hebben, wanneer zij volwassen zullen zijn, de schijn moet zelfs vermeden worden, dat hun oordeel ook al van groote beteekenis is, wanneer zij nog jonge menschen zijn. En dat is niet altijd bedacht. Integendeel. Zooal niet in bewuste beschouwing dan toch in de practijk wordt soms met de jeugd gehandeld, alsof zij het belangrijkste deel der bevolking is en alsof zij daarom ook moet aangeven hoe ze behandeld moet wor den. Toen onlangs Marnix, in de Gron. Kerk bode, het pok had over dit verschijnsel, maakte hij daarbij de leuke opmerking: „Daar zijn veel ouderen, die niets liever doen dan te luisteren naar het piepen van de jongen en er hun zingen bij vergeten." Zij zeggen: „hoor nou eens, hoe mooi. Dat zijn de jon geren, die daar piepen. Een nieuwe lente en een nieuw geluid." Het spreekt wel van zelf, dat de jongeren dan verklaren, dat er bij die ouderen rijp inzicht is en een klaar „aanvoelen" der eischen van den nieuwen tijd. En toen gaf hij daarin ook deze leerzame anecdote „Een oud man trof eens een jongen man, die hem vertelde, wat er alzoo op de boer derij gebeurde, van zijn vader. Ik deed dit en ik verordende dat en ik kocht dit en ik verkocht dat. Zoo ging het maar al door. De oude man greep plotseling de hand van den jongen vriend en zei meewarig ik con doleer je wel met het verlies van je vader, vriend, ik had niet gehoord dat hij over leden was. De jonge man riep hoogst ver baasd uit maar mijn vader leeft nog. O, was toen het vlijmende antwoord ik had uit uw spreken zoo begrepen dat uw vader er niet meer was." Een zeer merkwaardig staaltje daarvan von den we pok in „W. en G." Een zekere N. B. die schrijft alsof hij dominee is in onze kerken maar dat is daarom nog lang niet zeker plaatste in dat blad een drie tal artikelen over „De Asser-Synode en onze kinderen." En de Asser-Synode, dat spreekt, komt er dan niet goed af. Het voornaamste bezwaar is, da't de Asser-Synode met gezag optreedt. En dat mag^iiet. Van dat spreken ine't ge zag zijn allerlei narigheden te verwachten. Veel beter dan te luisteren naar het woord van een Synode is het te luisteren naar een kind. Zoo meent N. B. Hoort maar wat hij zegt„Een kind begrijpt bij intuitie vele dingen, die tot het eeuwige leven behooren, beter dan de groote menschen. Zonder re deneering beseft het, dat de voorstelling van de toedracht eener gebeurtenis met het za ligmakend geloof niets te maken heeft." Wat een kind al niet een diep besef kan hebben en daarbij dan ook zich kan ver gissen En niet alleen is het volgens N. B. uitermate verstandig te luisteren naar dat kind, wanneer het nog een kind is, dat bij onfeilbare intuities leeft, maar ook wanneer dat kind student geworden is. Hij schrijft n.l. verder „Wanneer mijn kinderen op grond van eigen studie en na denken over de immanente gegevens van den Bijbel en op grond van de voortschrij dende wetenschap omtrent een verhaal of een bijzonderheid ervan als hun gevoelen uitspreken, dat het door de eerste vertel lers wel zinnebeeldig bedoeld zal zijn, be hoor ik dan krachtens mijn ambt (n.l. als dominee) tot hen te zeggen neen, dat is uitgesloten dat moogt gij niet zeggen, want er ligt een „Resolutie van Assen" dat zelfs het stellen van de mogelijkheid eener andere opvatting eene aanranding is van het gezag der Schrift Het geval is moeilijk." Let er op, dat hier sprake is van k i n- deren van studeerende kinderen, studen ten dus. En let er dan ook op wat groote beteekenis N. B. hecht aan de vrucht van de eigen studie en het eigen nadenken van die stu deerende kinderen Wanneer dat eigen na denken op grond van de voortschrijdende wetenschap hen brengt tot een resultaat, dat niet overeenkomt met de beslissing der Ge nerale Synode, dan denkt N. B. er niet aan tot zijn kinderen te zeggen maar jongens, hecht ge niet teveel waarde aan Uw eigen studie en nadenken en aan die voorlichting van de wetenschap Maar dan zegt hij tot de Synode ziet ge wel, wat een dwaas besluit gij genomen hebt, want mijn kinde ren zijn door eigen studie en nadenken op grond van de voortschrijdende wetenschap tot een heel ander resultaat gekomen En let er dan ook op wat geringe beteeke nis N. B. hecht aan de vrucht van de eigen studie en het eigen nadenken van de m a n- nen van wetenschap. Wanneer die mannen van gerijpt oordeel en die het heele veld van de thologie kunnen overzien komen met een andere uitspraak dan zegt N. b. mijn kinderen weten het veel beter. Dat we hier te doen hebben met een be paalden gedachtengang, die één lijn volgt, komt uit wanneer N. b. gaat verhalen wat voor hem aanleiding was eens over de As ser-Synode en onze kinderen te schrijven. Hij doet dat als volgt„In de laatste maan den had ik aan tafel haast uitsluitend uit het Nieuwe Testament gelezen en wilde weer eens een der historische boeken van het Oude Testament nemen. Toen ik echter „Ge nesis" opsloeg ontlokte dit aan mijn oud sten zoon, die bijna twaalf jaar is, den uit roep „Wat gaat U nu beginnen Gaat U Genesis lezen En wilt U dat lezen van voren af aan Nog geen erg hebbende in zijn bezwaar, zeide ik ja, dat lijkt mij het beste. Mijn jongen staarde naderhand voor pdch uit. Ik zeide niets, omdat ik zijn ge dachten tot rijpheid wilde laten komen. Ein- deljijk klonk het berustend nu ja doet U het :déan maar: want wij zullen toch zeker geen ruzie krijgen om die slang, hè vader Is dit niet tragisch Is het niet tragisch Ja, zoo willen wij ook vragen, als we van dit huiselijk tafereel kennis nemen. Is het niet tragisch, dat een jongen van twaalf jaar meent zijn oordeel te moeten geven over het bijbelboek, dat zijn vader aan tafel lezen zal Is het niet tragisch dat zoo'n jongen, die blijkens zijn gemoedelijken uitroep „hè va der" -een goedmoedig kind schijnt is het tragisch, dat zoo'n goedmoedig kind even de mogelijkheid overdacht heeft van ruzie te gaan maken met zijn vader omdat die Genesis wou gaan lezen En is het te verwonderen dat, wanneer de kinderen zoo over "'t paard worden getild, later zelfs de bestem en goedmoedigsten onder hen niet meer hun plaats weten en gaan zoeken mee leiding te geven, waar zij nog erg hard noodig hadden eerst meer te studeeren Het kind blijve een kind. De student blijve een student. En men behandele een kind als een irind en een student als een student. Amice. VII. Het einde eens jaars doet ons meer dan anders een terugblik werpen op den tijd, die voorbijging. Al zijn wij niet zoo senti menteel dat wij bij voorkeur op den Oude jaarsavond gaarne naar de kerk gaan, om daar eens „heerlijk te weenen" het is toch wel goed om nog eens in herinnering te brengen wat langs ons ging of heenging. Het jaar 1926 was op kerkelijk gebied rijk aan wederwaardigheden. Er zullen maar weinig jaren in onze kerkelijke historie van de laatste 40 jaar aan te wijizen zijn, waarin zoovele predikanten ons om allerlei oorzaken verlieten. Wanneer we goed hebben geteld, waren het niet minder dan veertig. Buitengewoon groot leek ons reeds het getal hunner, die ons door den dood werden ontnomen. De Heere nam ze weg niet al leen uit hen, die reeds de rust van den avond genoten. Er stierven er ook' in volle wapen rusting. Smartelijk gaat onze herinnering hierbij terug naar wijlen Dr. De Moor. Het leven zet zich wel voort, doch niet alle verliezen komen we aanstonds te boven. Zoo gingen een twintigtal van ons, nog lang niet allen „oud en der dagen zat". En bij die allen kwamen dan de elf do- minee's die emeritaat aanvroegen. Wanneer ouderdom daarvan oorzaak was, stemde dit zoo droevig niet. Ook de rust van den avond na een besteden dag lijkt groote bekoring te hebben. Doch er waren er ook, die door krank heid „Voortijdig", zooals wij dat soms wel noemen, van hun arbeid moesten worden lqsgemaa'kt. Veel droever was, ^at ontter hen die ons verlieten, er niet minder dan zeven waren, die heengingen, omdat ze of zelf het verband met de Geref. Kerken verbraken, of moesten worden ontzet uit hun dienst. Waaronder en dit was het droefst enkelen die reeds jaren lang de Geref. Ker ken met eere hadden gediend. Dit jaar 1926 zal een jaar blijven, dat in de annalen onzer Kerken met een donkere bladzijde staat ver meld. Al zal ook de historie anderzijds, wij twij felen er niet aan, recht geven aan hen, die zonder aanzien van personen, kloekmoedig het gezag van de Heilige Schrift in Assen hebben gehandhaafd. De donkerste tijden zijn voor 's Heeren Kerk wel heel dikwijls ae beste tijden. Wat zijn er een groot aantal zieken, Amice! Gelukkig is dc krankheid nog al nïet van ernstigen aard, doch ge hebt de bladen maar in te zien, om te bemerken, dat de lijsten der overledenen wel heel lang beginnen te worden. Wat mij daar in treft, dat is, dat ge zipo dikwijls leest „Onverwachts werd van mijn zijde weggerukt" of „onverwachts overleed." Men bedoelt natuurlijk plotseling. Zeker er sterven ook menschen geheel onverwachts.

Krantenbank Zeeland

Zeeuwsche kerkbode, weekblad gewijd aan de belangen der gereformeerde kerken/ Zeeuwsch kerkblad | 1926 | | pagina 2