Weekblad voor de Gereformeerde Kerken in Zeeland. 39e Jaargang. Vrijdag 21 Augustus 1925. No. 34. RedacteurenDs. P. VAN DIJK te Zaamslag en Ds. A. C. HEIJ te Koudekerke. Persvereeniging Zeeuwsche Kerkbode. UIT HET WOO^D HOPEN OP GOD. De rust is elders en toch ook hier. Wij die gelooven in de rust, voor wie gelooft blijft niet alleen een rust over, om straks er in te gaan, maar hier wordt de rust gevonden, en hier het vette van Gods huis gesmaakt. Te midden van dit onrustige leven is er rust voor Gods volk. Bestraffend zegt de dichter. Wat buigt gij u neder, o mijne ziel en wat zijt ge onrustig in mij, hoop op God. Er is veel onrust der ziel. Het hart schokt zoo vaak heen en weder, op en neder. En dat is te ver klaren. Het is zelfs in alles af te keuren. Ge moogt het niet als de hoogste ge nade keuren, maar duizend maal beter, die onrust der ziel, dan dat roepen Vrede, vrede en geen gevaar. De valsche rust wordt bedreigd met een haastig verderf. Bovendien onrust der ziel gaat de ware rust vooraf, en moet daarom ge kend. Het leven brengt onrust mee. Er is zooveel dat zelfs Gods kinderen on rustig maakt. Van binnen en van buiten is er een booze macht welke het op het levensgeluk der vromen toelegt, en dat maakt de ziel onrustig. Ze weten wel, dat dit alles om der zonde wil moet worden gedragen, en dat alles van Gods hand hen toekomt, maar het wordt hun soms al te bang. Ze zeggen wel tot hun ziel, „doch gij mijn ziel zwijg Gode, en hun ziel is soms stil tot God. Ze wachten vaak op den Heere, maar de Heere toeft wel eens langer dan noodig is. Zoo denken ze. En dan komt bij die onrust van buiten ook onrust van binnen. In den strijd tegen alle machten der zonde ervaren ze het tegendeel van wat ze zingen„Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort". Er is geen terrein winste, maar van verlies moeten ze spreken. De vijand dringt zich al nader op hen aan, en ze moeten steeds terug trekken. Hun strijd wordt niet bekroond, en hun arbeid draagt geen vruchten. Ze voelen zich al meer machteloos Ook hun gebed vindt geen verhooring. Ze zien eiken dag uit of de hand des Heeren ingrijpen zal. Ze wachten op den Heere, maar ze wachten tevergeefs. En dan komen de tegenpartijders al dichter aandringen en roepen den gan- schen dag„Waar is uw God". Het stille zijn wordt dan al moeilijker. De ziel buigt zich neder en wordt dan onrustig. De onrust der ziel is dus ver klaarbaar. En toch mogen we het niet goedkeuren. Rust is meer dan onrust. Rusten der ziel te midden van gevaren is de behoefte van den mensch. Het is ook de eisch welke de ziel opgelegd wordt. Bestraffend vraagt de dichter Wat buigt gij u neder, o mijne ziel, en wat zijt ge onrustig in mij. Neem die smart nooit in bescherming, stel er u ook mee tevreden, en denk niet dat het zoo moet zijn, wijl de rust elders is Zeker straks komt de volle rust. Maar ze is thans toch ook te genieten. Hoop op God zoo spreke elk, die gelooft, tot zijn neergebogene ziel om tot rust te komen. Wachten op Hem, en stil zijn tot God is alleen mogelijk als het is een hope op God. Dat hopen op God, dat het onrustige hart tot ruste brengt, te midden van alle moeiten in dit onrus tige leven, is niet een begeeren en ver langen, welke tot geloof leiden kan, en geen grond en vastigheid biedt. Zulk hopen kan de onrust der ziel niet weg nemen. Het hopen op God waartoe de dichter de ziel vermanend opwekt is meer dan verlangen, het is het anker der ziel dat in het heiligdom is vast gelegd. Hopen is vrucht van gelooven. Het is in de verte aanschouwen wat voor de ziel door het geloof vast en zeker was. Het geloof zegt, gelijk de dichter hier getuigtGod is mijn God. Voor het geloof blijft God dezelfde ook al toeft de Heere en de tegenpartijders zeggen „Waar is uw God". We kunnen dat toeven niet altoos verklaren. Na dezen verstaan we eerst waarom God in tegenheden met ons wandelen wou. Voor het geloof blijft God dezelfde in de verdrukking, waarin Hij zijn volk thans leidt, die de verlossingen voor heen bewezen. God is dezelfde in Zijn liefde En dat geloof dringe de ziel nu tot hopen. Boven en achter de moeiten van het leven, welke de ziel onrustig maken, de ziel in beroering brengen, lette de geloovige op de verlossing welke zoo menigvuldig geschonken is en straks komen zal. De ervaringen des levens mogen voor het heden zijn, dat de Heere toeft, in het verleden heeft elk kind van God toch ook andere. Met den dichter zegt hijHij redt mij keer op keer. Die verlossing van zijn God, die dezelfde is en blijft, wekke bij hem weer hope, dat de Heere straks komen zal En zoo geeft het hope op God weer rust voor de ziel, zoodat hij jubeltMaar de Heer zal uitkomst geven, Hij die daags zijn gunst gebiedt. Ik zal in dat vertrouwen leven en dat melden in mijn lied. Hopen op den Heere, en de ziel is stil tot God ook al woedt het van alle kanten en slaan de golven ook hard. De uitkomst mag dan toeven, hij wacht op den Heere. Hij wacht rustig tot dat hij jubelen magGij zijt verlost, God heeft u welgedaan. Kerkelijk en Geestelijk Leuen. Bazar. Offervaardigheid gevraagd. Een Bijbel Marathon. Eerbaarheid in 't gewaad. ZEEUWSCH KERKBODE Vaste medewerkers: D.D. L. BOUMA, F. J. v. d. ENDE, B. MEIJER, F. STAAL Pzn., en R. J. v. d. VEEN. Abonn ementsprijs: per kwartaal bij vooruitbetaling f 1, Afzonderlijke nummers^8 oent. Advertentieprijs: 15 cent per regelbij jaarabonnement van minstens 500 regels belangrijke reduotie. UITGAVE VAN DE Adres van de Administratie Firma LITTOOIJ OLThOFF, Middelburg. Beriohten, Opgaven Predikbeurten en Advertentiën tot Vrijdag morgen 9 uur te zenden aan de Drukkers littooij olthoff Spanjaardstraat, Middelburg. TELEFOON 2 3 8. GIRONUMMER 42 2 80. "Wat buigt gij u neder, o mijne ziel, en wat zijt ge onrustig in mij hoop op God, want ik zal Hem nog loven, Hij is de menigvuldige verlossing mijns aan- gezichts. en mijn God. Ps. 42 12. K. Andree Menschen ontdekken telkens nieuwe zaken. En dit is maar goed ook. Kinderen mogen graag iets anders doen. Zij houden van afwis seling. Sommigen kunnen zichzelf bezig houden, en dit is gemakkelijk voor hen, die er de zorg voor hebben anderen moet men aan den gang helpen en na korten tijd moet men weer iets anders voor hen bedenken. Men vindt dit ook bij de volwassenenkinderen toch zijn kleine menschen. Elke ontdekking is echter niet even belang rijk. Er is ook in dit opzicht een groot ver schil. Sommigen zijn in zichzelf groot, en hoe eerder de tijd voortsnelt, hoe duidelijker het wordt. Welk een verbazende verandering heeft de ontdekking van Amerika gebracht en welke ontzachlijke gevolgen heeft zij veroorzaakt. Men behoeft haar slechts te noemen en ieder weet daarvan te vertellen. De werkelijkheid spreekt zoo luide, dat men een dergelijke stelling niet meer behoeft te bewijzen. Andere zijn zoo ge ring, dat zij niet opvallen. Zij gaan voorbij, zoodat niemand er weet van heeft. Het komt ook voor, dat men iets voor een nieuwe ont dekking uitgeeft, en dat er velen zijn, die het gelooven en het gerucht er van helpen ver breiden, terwijl het toch reeds lang bekend was. Vaak geschiedt het door aan iets ouds een nieuwen naam te geven en nu willen we gaarne erkennen, dat dit niet ieders werk is. Men heeft daar gewis een zekere vaardigheid toe noodig. En als het gelukt, duurt het niet lang, of het woord komt weldra in een uitgebreiden kring in de mode en bijna ieder neemt het haast over. Het spreekt vanzelf, dat er ook een tijd komt, dat het weer verdwijnt, gelijk het ver schenen is, want op den duur kan het zich niet handhaven tegen de kritiek, welke er op uitgeoefend wordt. Het heeft echter zijn dienst gedaan en vaak is het ook niet te vergeefs geweest. Voor eenigen tijd werd het gewoonte om in godsdienstige kringen te spreken over intellec- tueelen en dit vreemde woord sloeg bij velen in. Het werd gebruikt om een bepaalde cate gorie van menschen aan te wijzen en vele jongeren vooral dweepte er mede en wilden er gaarne toegerekend worden. Het werd een soort eeretitel, welke iemand verhief boven zijn omgeving. Maar als men nu eens navroeg, over wat men er door verstond, dan kreeg men lang niet altijd een eenparig antwoord. Was het een soort van menschen, welke nu pas te voor schijn waren getreden Hadden zij vroeger niet bestaan Zoodra deze en dergelijke vragen eens nauwkeurig aan de orde gesteld werden, dan kreeg men niet een bevredigend antwoord. De beteekenis van het oorspronkelijke Latijnsche woord bracht ook geen uitkomst. Gewoonlijk werd er dan gezegd Een woord krijgt zijn be teekenis door het gebruik, en dit is zoo, doch het scheen verbazend moeilijk om duidelijk te maken, welke beteekenis het gebruik aan dit woord heeft gegeven. Dit heeft er toe meegewerkt, dat de eerste geestdrift reeds vrij wat bekoeld is. Nu is het niet vreemd, dat men onderschei dingen maakt, want zij zijn er altijd. Toen ik nog jong was, sprak men veel over onder- werpelijk en voorwerpelijk. De eene belijder werd gerekend tot de verstands- en een ander tot de gevoelsmenschen. En daar was reden voor. Het is nu eenmaal altijd zoo geweest, dat de een zich meer door het verstand en de ander door het gevoel laat leiden. Dit zal natuurlijk ook altijd zoo blijven. Het komt ook voor, dat in een bepaalden kring het verstand meer dan het gevoel den toon aangeeft, dit kan licht aan leiding geven tot groote eenzijdigheid. Er is dan ook altijd een meerderheid en een minder heid en het gebeurt menigmaal, dat een min derheid in zulk een geval een zwaar leven heeft. Gewoonlijk is het voor de verstandsmenschen niet zoo erg, omdat zij meestal van zich kunnen afspreken. Als wij nu bedenken, dat het leven der wedergeboorte heel den mensch geldt, dan zullen wij verstaan, hoe noodig het is, als de H. Schrift er bij ons op aandringt, dat er een harmonische ontplooiing van dit leven in ons behoort te zijn. Zij houdt niet van oneven wichtigheid, zij kent alle eenzijdigheid of, zij dringt er op aan, dat het geestelijk leven zijn invloed doet gelden in alle vermogens van onze ziel. Er is altijd strijd geweest onder de psy chologen over de vraag, of het gevoel ook recht heeft om als een vermogen beschouwd te worden en die strijd is nog niet uit. Verder is er veel gedisputeerd of het verstand het voornaamste is opdat de wil de heerschappij heeft en men zal ons wel toestaan, wanneer we ons daarover niet uitlaten. Voor ons doel is voldoende om vast te stellen, dat de mensch naast het verstand en de wil ook gevoel heeft. Wij zeggen daarmede niet, dat het van belang ontbloot is om dan elk vermogen zijn plaats en zijn taak aan te wijzen. Wij gelooven zelfs, dat wij elke poging moeten toejuichen, aange wend om ons helderder licht te verschaffen over ons geheimzinnig zieleleven en wij willen met dankbaarheid kennis nemen van wat des kundigen ons voorhouden. Doch wij nemen aan, dat er reeds veel gewonnen zal zijn, als het voor ieder aanstaat, dat de mensch weder geboren wordt, hij zelf en niet eerst zijn ver mogens. Wanneer dit eenmaal helder is voor ons bewustzijn, dan zullen we ons wachten om eenig vermogen op zich zelf te beschouwen, maar er altijd rekening mee houden, dat het de mensch is, die alle deze vermogens heeft en dat hij ze alle heeft te beheerschen. Het is wel waar, dat er strijd kan zijn tusschen onze lust en onze roeping, maar dit herinnert ons aan het abnormale, dat in ons gevonden wordt. Onze genegenheden, zooals zij door de zonde zijn geworden, gelijken op wederspannige dienstboden, welke er op uit zijn om ons schade te berokkenen en menigeen is een prooi geworden van zijn zondige hartstochten, doch als het geestelijk leven uit den mensch met kracht dringt in zijn gevoelsvermogen, dan ver andert dit ten eenenmaal. Dan zegt hij met den ouden dichter, daar strekt zich al mijn lust en liefde heen, ai, neig mijn hart en vurig ziels verlangen. Evenals een bloem het licht der zon zoekt, evenals een magneet het Noorden aan wijst, zoo strekt de begeerte van een weder- geboorne zich uit naar God en Zijn woord, naar Zijn dienst en Zijn wetten. Hij doorleeft, wat Azaph eens getuigde: Nevens U lust mij niets in den hemel of op aarde. In God is al zijn heil en eer, Zijn sterke Rots, Zijn tegenweer en hij is er van overtuigd, dat God een Toevlucht in het lijden is. Gelijk zijn verstand hem dient om God in 't aangezicht van Christus te leeren kennen, gelijk zijn wil hem behulpzaam is om voor God te leven, zoo is zijn gevoel een or gaan om hem nader tot den Rotssteen zijns heils te brengen. Het is de wedergeboorne zelf, die alle vermogens zijner ziel opeischt voor den dienst van zijn God. Natuurlijk kan hij dit alleen onder de leiding en de bekwaammaking van den H. Geest, want het willen en volbrengen kan alleen God in hem werken. Wij hopen over dit wonderlijk leven nog een en ander te zeggen. Het verheugt ons, dat de actie te Middelburg om tot verbetering van de orgelbegeleiding bij het Psalmgezang in de drie kerkgebouwen te komen doorgaat. Wij zijn overtuigd, dat het geen onnoodige weelde is. Het zou tot meer dere stichting aan de gemeente onder den zegen des Heeren kunnen bijdragen, als in dit opzicht de wensch van velen verkregen wordt. Wan neer er een eenstemmige medewerking gevon den wordt, dan kan het voorgestelde gemakke lijk bereikt worden. Het zal ons een oorzaak van blijdschap zijn, als wij mogen vernemen, dat alle den schouder zetten onder dit noodige werk. Bouma. Het snelle leven heeft reeds voor een groot deel den aanvankelijk diepen indruk vervlakt, waaronder we kwamen bij de berichten van de vreeselijke ramp, die Borculo en andere plaatsen teisterde. We halen dien lOen Augustus ook thans niet meer op. Alle bijzonderheden zijn bekend. We hebben aan het Woord van den Psalmdichter gedacht die van God sprak als van Hem, die verwoestingen op aarde aanricht. Moge die slaande Hand ons als volk van Nederland niet ongezegend laten. Ook de ver woestingen die Hij door storm en onweer aan richt kunnen en zullen blijken heilzaam te zijn voor hen, die Gods Almacht aanbidden en hun diepe afhankelijkheid van Hem erkennen. Maar nu rust ook op hen, die op dien wijzen en grooten God vertrouwen, in de eerste plaats de taak om balsem te helpen gieten in de ge slagen wonden. Het valt niet mede, groote stoffelijke schade te lijden. Hoe zouden wij er voor staan wanneer onze provincie getroffen ware. We zijn genadiglijk gespaard. Moge ook ons Geref. volk zich in offervaar digheid niet onbetuigd laten. Elkanders lasten te dragen en dat geldt ook zeker nationaal is de wet van Christus te vervullen. Wat gij wilt dat u de menschen zullen doen, doe gij hun ook alzoo 1 v. D. In de Amerikaansche Kerkbode „De Hope" komt het bericht voor van een bijbel-marathon. Een marathon is een lange wedloop waarin de ééne looper den anderen vervangt totdat de weg is afgeloopen. De Eerste Methodiste Kerk te Yucalpa in Californië heeft nu een Bijbel marathon gehad. De eerste lezer begon bij Ge nesis 1 voor te lezen en toen kwam de tweede, de derde totdat zonder verpoozen de heele bijbel uitgelezen was. Het duurde precies 69 uur en een kwartier. Er waren er die 50 uur achtereen toegeluisterd hadden. Ten slotte zong men een doxologie of lofzang. De Hope is er terecht niet mee ingenomen Ze merkt op dat het heel nuttig is heel den Bijbel in volgorde thuis te lezen, maar zulk een wedloop acht ze van weinig nut. Maar er is veel in onze huiselijke godsdienst oefeningen wat op een marathon gaat lijken. Ge hoort er iets van in het onmogelijk snel voorlezen van heele bijbel-hoofdstukkenmen kan ook te langzaam lezen, zelf te veel willen denken onder de Voorlezing aan tafel en de jongere huisgenooten vergeten. Maar het is beter weinige verzen met de noodige stichting dan een lang kapittel marathonisch te lezen. En aan zulk een wedstrijd om zoo spoedig mogelijk aan het eind te zijn denkt ge ook als ge sommigen vooral kinderen aan tafel het Onze Vader hoort zeggen. Marathonisch is ook op Zondagscholen en in Catechisatiën het opzeggen van psalmvers of vraag. We zijn dikwijls al heel erg oneerbiedig als het die heilige dingen betreft. Gelijk het nut van dergelijke Amerikaansche record-bijbellezing absoluut afwezig is er is veeleer nadeel van te verwachten even denk beeldig lijkt mij ter bevordering van bijbel kennis of bijbeleerbied zulk lezen en opzeggen van schriftgedeelten en psalmverzen of gebeden „op stoom". v. D. In aansluiting met wat onze Kerkbode in het Persoverzicht overnam van den oud-Zeeuw ds. Laman en met wat we van een zuster over der vrouwen sieraad hier neerschreven brengen we met volle instemming de volgende opmerking van mej. H. S. S. K. in De Standaard onder het oog onzer lezeressen

Krantenbank Zeeland

Zeeuwsche kerkbode, weekblad gewijd aan de belangen der gereformeerde kerken/ Zeeuwsch kerkblad | 1925 | | pagina 1