Weekblad voor de Gereformeerde Kerken in Zeeland 33e Jaargang. Vrijdag 19 December 1919. No. 51 UIT HET WOOED. Redacteuren Ds. L. BOUMA te Middelburg en Ds. G. F. KERKHOF te Oost-Souburg. Vuti lidewirkars0.0. R. J. v. 4. KEI, l 0. WIELEI6A, F. J. 4. EBDE, 0. HEIJER, H. P. M. 6. 0E WALLE oq F. j. WOLF. PBRSVEREENIG1NG ZBEÜWSCHB KERKBODE. Uit hoofde van de Oud- en Nieuw jaarsdag verzoeken we de opgaven van predikbeurten vóór a.s. Dinsdag 12 uur in te zenden. DE REDACTIE. Ambtelijke bediening. Abonnementsprijsper kwartaal bij vooruitbetaling 75 cent. Afzonderlijke nummers 6 cent. Advert «itlcprtJl 10 cent per regel bfj jaarabonnement van minstens 500 regels belangrijke reductie. UITGAYB YAN DE Adrei van de Administratie Firma LITTOOIJ OLTHOFF, Hiddelbnrg. Berichten, Opgaven Predikbeurten en Advertentiën tot uiterlijk Vrijdagmorgen te zonden aan de Drukkers LITTOOIJ OLTHOFF, Middelburg. DE SPRUITE. Zie, een man, wiens naam is Spruite die zal uit zijn plaatst spruiten en Hij zal des Heeren tempel bouwen. Zach. YJ 12b. De ballingen waren uit Bibel terugge keerd en met ijver begonnen om de stad en den tempel te herbouwen. Doch de moeilijkheden waren völe en de tegenstand, waarop zij stuiten, groot. We kunnen ods voorstellen, dat het voor deze|mannen een gedurige; droefheid^ was, dat een groote menigte van hua volk achtergebleven was, want als ook zij naar Kanaan gekomen waren, dan zouden de bouwers van de verwoeste stad veel sterker geweest zijn. En daarbij kwam nog, dat zij, die stil in het groote wereldrijk waren blijven wonen, licht het land der vaderen en Jeruzalem geheel zouden vergeten. Kunt ge het nu niet indenken, welk een blijdschap het gaf, toen de mare zich verbreidde, dat er drie mannen uit Babel te Jeruzalem aangeko men waren met rijke geschenken voor den tempel. Aan den profeet Zacharia geeft God het bevel om deze mannen te begroeten en de gaven in ontvangst te nemen. Daarbij wordt hem gezegd, dat hij uit het goud en zilver kronen moet laten maken en deze vervolgens plaatsen op het hoofd van den Hoogepriester Jozua. Dit wordt dan ook [gedaan. Daar staat dan de Hooge priester de muts is vervangen door schit terende kronen. Wonderlijk. Dit is geheel ongewoon. Wat mag dat beduiden Wijst de gloed van 't edel goud niet op vorste lijke heerlijkheid en de glans van het blanke zilver niet op de priesterlijke rein heid? Zal er dan voortaan eenheid zijn tusscben deze tweeërlei waardigheid? De zaak is te gewichtig om haar aan men- scbelijke gissiDg over te geven. Hier is meer dan een menscbeiijke meening, hier is goddelijke zekerheid noodig. Zie, zoo luidt het dan ook, een man, wiens naam is Spruite. In zulke dagen van verwarring is er een man noodig. Een mensch, gewis, maar geen Enos, een el lendige, die onder den last bezwijkt, geen Adam, uit de aarde geformeerd, maar een man in de volle beteekenis van het woord, een man, in wien alle vermogens en gaven tot de meest volkomen ontploojiog komen, in wien de idee man geheel verwezenlijkt wordt. Doch Hij zou niet verschijnen in zijn volle kracht, Hij zou niet dadelijk een machtig vorst zijn, Hij zou niet aanstonds aller aandacht trekken. Zijn naam toch is Spruite, en die naam zou Hem aanduiden, zou Hem karakteriseeren. Allen zouden erkennen, dat die twee bij elkander hoo- ren. Hij zou uit zijn plaats spruiten. Het koninklijke huis van David zou gelijk zijn aah een dorre aarde, als een tuin in den winter. De bloemen zijn verwelkt, de sten gels bij den grond afgesneden. Gij ziet er geen groen meer. Heel de plek, voorheen vol groei en bloei, is doodsch. Maar als de lente komt, de zon eiken morgen vroe ger rijst en de lucht steeds zoeler en war mer wordt, dan verschijnen er groene scheuten. Wel zijn ze nog klein, gering en onaanzienlijk, zoodat menigeen er niets van merkt, maar de tuinier heeft ze ge zien en hij verblijdt zich in 't vooruitzicht, dat die tuio straks een beeld zal zijn van leven en glans, van geur en van kleur. Zoo zou het hier zijn. Er zal een rijsken voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucbt voortbrengen en op Hem zal de Geest des Hoeren rusten, de Geest der konnis en der wijsheid. Zie, doe uw oog open en aanschouw Hem Zoo werd het aan Israël toegeroe pen. Zoo klinkt het ook nog tot allen in dezen adventstijd, opdat ge met heilige verwondering straks staan moogtinBeth- lehems stal, want deze Beloofde is in Nazereth ontvangen en in Davids stal ge boren. Kan er uit Nazereth iets goeds voortkomen, kan er een man, een mach tige opstaan uit een voederbak voor het vee Hjj is eerst een zwak teeder kindeke, een Spruite, zonder gedaante en heerlijk heid. Ook later nog. Heeft iemand der oversten in Hem geloofd ZeJfs het kleed Zijner onschuld verborg zich achter het gewaad Zijner smaadheid. Niemand kende Hem, zelfs een Petrus en Jobonnes wisten niet meer, wat zij vaa Hem mochten den ken. Alleen de Engelen, die Zijn geboorte hadden bezongeu, zagen in Hem den Man, die den tempel des Heeren bouwt. Bauwden de teruggekeerden dan den tempel des Heeren niet Neen, zij bouw den een huis, dat slechts een schaduw, een afbeelding van den tempel was Dit moesten zij duidelijk verstaan, opdat zij niet in dezelfde fout vervielen als hun voorvaderen. Daarom moesten zij hun oog niet vestigen op Jozua en Zerubabel, maar op dien Man, die uit zijn plaats zou sprui ten, want Hij zou den tempel des Heeren bouwen. Daarom moeten allen, die liefde gevoelen tot den tempel, het oog richten op Hem, die eens hulpeloos neerlag in Maria's schoot, maar nu zit op Zij q troon. De tempel, in Zacharia's dagen herbouwd, ligt reeds eeuwen in puin, maar de tem pel, welken de Christus bouwt, verduurt de eeuwen. Weet gij niet, dat gij in Gods tempel zijt, en dat de Geest Gods in u woont? De gemeente, de vergadering van alle ware geloovigen is de ware tempel Christus bouwt haar niet op het aardscbe Zion, maar op de bergen van Gods onver anderlijke liefde, van Zijn onweerstaanbare genado, van Zijn onfeilbare waarheid. Hij is de eenige Bouwheer en niemand kan het hem beletten. De Sanballaths, die Hem tegenstaan, moeten zelfs bijdragen, dat Zijn werk voorspoedig voortgaat. Velen zijn er nu nog, die daarvoor geen oog hebben en die bezig zijn om een nieuw ontwerp te maken, waarnaar zij een tempel willen bouwen, waarin allen kunnen aanbidden, maar dit streven zal uitloopen op bittere teleurstelling, terwijl Hij voortgaat met steen na steen aan den tempel toe te voe gen, totdat bij geheel voltooid is. Elke geloovige wordt door Hem gevormd en bekwaam gemaakt, zoodat ieder zijn plaats eenmaal met eere kan innemen. We behoeven hieraan niet te twijfelen en uit dien hoofde kunnen en mogen we dan ook ons verheugen. Het Kerstfeest verschijnt te midden van een grenzelooze verwarring, maar wie geloovig ziet op den Hoogepriester onzer belijdenis, zal zijn hoofd ontblooten en God danken voor Zijn onuitsorekelijke genade. Er zijn zoovelen, in wier hart een onbevredigd verlangen is en die zoeken naar licht, zalig zijn zij, indien hun armoede hen brengt tot Hem, die gekomen is om zondaren te zaligen. Zie, lezer, aaoschouw Hem, die de kro nen van 't vorstelijk goud en van 't pries terlijk zilver draagt opdat gij ook Hem moogt huldigen, dio eens in de krib lag, maar nu op Zijn troon zit. Bouma. KJËKMIGSLM'M LBYE1V. IV. De ambtelijke bediening heeft een verheven doel. De kerk is de vergadering van alle ware geloovigen, die al hun heil alleen verwachten van Christus. Zjj zijn wedergeboren tot een levende hoop, welke hen doet zien op de erfenis, welke God voor hen weggelegd heeft in de hemelen. Maar hoewel z|j groote weldaden ont vangen hebben, nochthans z|jn zjj niet vol maakt. Z|j werden aanvankelijk wijs, want z|j be denken, wat toe hun eeuwigen vrede kan die nen. Z|j verstaan, dat het koninkrijk van ge rechtigheid, vrede en blijdschap de hoogste plaats behoort te hebben in hun leven en zoe ken de dingen, die boven z|jn en niet die op de aarde z|jn. Doch het is noodig dat z|j daarin toenemen, opdat z|j deze wijshoid steeds hooger stellen dan het goud ja dan het fijnste goud. Overreed z|jn z|j dat de waarheid, welke naar de godzaligheid is, hun toegekomen is van God in Christus en dat z|j zich daarop verlaten kunnen in eiken toestand, maar daar is in hen ook nog twijfelzucht, welke hen het wantrou wen doet voeden, zoodat z|j menigmaal zich niet onbepaald durven toe te vertrouwen aan den rotssteen huns heils. Licht en duisternis staan nog tegenover elkander in hun binnenste, en nu eeDS heeft hot eerste en dan weder de laatste in hen de overhand. Het leven, dat uit God is, maakte een scheiding tusscben hen en de zonde, zoodat z|j zeggen ik nu doe de zonde niet meer, maar dit wil niet zeggen, dat z|j geheel van alle onreinheid vr|j z|jn. Ach, z|j weten het wel beter, w|jl ook zjj uit ervaring kunnen zeggen, het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, doe ik. Vleesch en geest staan als twee vijandige mach ten tegenover elkander en daarom is het noodig, dat de laatste krachtiger wordt. Even eens is dit het geval met de hoop, welke z|j koesteren, en welke wortelt in de wederge boorte, doch z|j is niet altyd even vast. Welnu om deze genadegaven te vermeer deren en te versterken, gaf God de ambtelijke bediening, opdat de heiligen volmaakt zouden worden. Z|j is by uitnemendheid geschikt om het voorgestelde doel te bereiken. Immers zy ontsteekt het licht in alle donkerheid, en doet alle nevels opklaren. Zy vestigt het oog op alle bestendig goed en toont ons de onver gankelijke schatten, welke geen dief ons ont stelen en geen mot ons verderven kan. Daar door leert zy ons het zichtbare en het onzicht bare, het stoffelijke en het geestelijke op den rechten prys schatten en draagt er toe by, om ons aan te sporen dat we met Mozes de smaad heid Christi hoogeren rijkdom achten dan alle schatten van Egyte. Daarbij toont zy ons de onwankelbare trouw van Hem, die het beloofd heeft en doordien het geloof de waarheid ziet in de toezegging neemt het toe in krachten, legt het aan den twijfel het zwijgen op. Al is het, dat steeds duidelijker wordt, hoe veel teleurstelt, toch doet het geen schade aan het geloofsleven, want te midden van al het ver anderlijke blijkt meer en meer de onverander lijke waarheid van Gods getuigenissen, en naar mate het oog daarvoor open gaat, naardiemate krijgt het geloof z|jn vast en blijvend steun punt, waarop het huis de zaligheid bouwt. De stormen des levens dragen er toe b|j, om het geloof vaster te doen wortelen in den grond der onbedriegel|jke waarheid en de watervloe den moeten medewerken om het vertrouwen op het eeuwigblijvend woord te versterken. Het is waar dat het licht van de lamp, welke we in 't woord Gods hebben, ons helderder doet wor den de verdorvenheid, welke in ons is, zoodat we langzamerhand verklaren kunnen, hoe een van de verstgevorderden klagen moet, ik ellendig mensch, wie zal m|j verlossen van 't lichaam dezes doodt, toch is dit geen verach- teriDg, want daardoor wordt ons leedwezen dat we God wegens onze zonden vertoornd hebben, des te inniger en des te hartelijker en w|j zien de heiligmaking in al haar schoonheid, waar naar we met meer Ijver beginnen te jagen. Gevolg daarvan is, dat onze hoop vaster wordt. We vragen al meer en nu wat verwacht ik? waarop we geen ander antwoord meer weten, dan m|jne hoop is op u, w|jl het ons telkens duidelijker wordt, dat elke verwachting, welke we bouwen op iets, dat beneden de sterren is, geen betrouwbaren grond heeft, zoodat we al minder van de aarde verwachten, doch het blijkt ons tevens, dat God nooit beschaamt, die op Hem hopen. In moeilijke omstandigheden zeggen we dan ook tot onze zielenhoop op den Heere, want Hy is de menigvuldige ver lossing mijns aangezichts. Welnu, opdat de geloovigen zouden opwassen in de genade en de kennissen van onzen Heere Jezus Christus, en opdat dit in elk opzicht zou geschieden, strekt de ambtelijke bediening, welke de Koning, die op den troon Zijns Vaders zit, aan de kerk gegeven heeft. We zullen thans niet aanwijzen de onderscheiden eigenschappen, welke zy heeft en welke haar juist in staat stelt om dit doel te bereiken, w|jl we nog even willen laten uitkomen dat zy op deze w|jze tevens den opbouw van het ge- heele lichaam van Christus bevordert. Z|j is niet alleen bestemd om eiken geloovige te leiden, maar zij heft het oog op allen, die samen het lichaam van Christus vormen. Het is bekend, dat alle geloovigen één van hart z|jn. Zij hebben allen één Heere, ééu geloof, één doop. Eén God en Vader van allen die daar is boven allen en in u allen. Daarom heeft de Apostel kunnen zeggenEéu lichaam is 't en één geest. Van dit lichaam z|jn zy allen leden zoowel de ge ringste als de aanzienlijkste. Maar aan elk hun ner ia de genade gegeven naar de mate der gave van Christus. Bg alle verscheidenheid en deze is zeer groot, bestaat de eenheid. Gelijk het nu b|j een natuurlijk lichaam gaat, zoo moet het ook gaan by dit geestelijke. Het moet opge bouwd wsrden, het moet zich ontwikkelen, het moet uitgroeien tot het z|jn voltooiing bereikt heeft en dit moet geschieden op een normale w|jze. Alle leden moeten zich ontplooien naar ieders aard en in overeenstemming met de plaats, welke zg in 't lichaam innemen. Ten einde nu deze opbouwing harmonisch toega en alle geestelijke vermogens zich normaal ont wikkelen, werd aan de kerk de ambtelijke be diening^ geschonken, welke bevorderlijk kan z|jn voor 't geheel. Het is voor ons niet de vraag, of God dit doel niet heeft kunnen bereiken zonder de ambtelijke bedienirg wie zou aan Z|jn al macht perken willen stellen w|j weten nu eenmaal, dat H|j het in z|jn eeuwige wijsheid anders heeft gewild en we behooren Z|jn doen niet alleen te billijken, maar te waardeeren. En dit doen we, wanneer we deze weldaad uit Zgn hand ontvangen en verstaan, dat H|j haar daartoe bestemd heeft. W|j verliezen, indien we te veel op de personen zien, die haar ont vingen en haar in de plaats, welke we be wonen, uitoefenen, het groote doel uit het oog waartoe H|j haar gaf, en we miskennen de rgke beteekenis, welke zy heeft. Daarom moeten we haar beschouwen, gel|jk zy waarlgk is en w|j zullen door haar gemeenschap krijgen met den verhoogden Christus, welke haar instelde en in Hem met allen, die Zgn ver schijning in onverderfelijkheid lief hebben. Bouma.

Krantenbank Zeeland

Zeeuwsche kerkbode, weekblad gewijd aan de belangen der gereformeerde kerken/ Zeeuwsch kerkblad | 1919 | | pagina 1