Weekblad voor rg, !S. de Gereformeerde Kerken in Zeeland. Onder Redactie van: Ds. L. BOUMA en Os. A. LITTOOIJ. I IS. k- t| Vrijdag 30 December 1904. No. 27. 2 Jaargang. UIT HET WOORD. 46 Drukkeruitgever A. Bouma. SCHRIFTBESCHOUWING. E- 70 eent. 3 cent. D. IJTTOOIJ Az. Middelburg. Met medewerking van onderscheidene Predikanten. ABONNEMENTSPRIJS per half jaar franco per post Enkele nummers len nd- van PO ttoofl ttoofl £amp lamp 3oscb ud. 3osch Veen t Veenf sema sema Berg Berg en, en ter. rg. !LV- N-, EN. wy eraan dachten, t>den en wy moesten geven aan de moei^van den harden ar beid, en het komt ons voor, dat onze jaren nu nog sneller voorbij vliegen. Wy merken dit niet altijd op, wy letten er zelfs menigmaal weinig op, en daarom is het zoo goed, dat er PRIJS DER ADVERTENTIEN van 15 regels 30 cent, iedere regel meer 5 cent. FAMILIEBERICHTEN van 15 regels 50 cent, iedere regel meer 10 cent. Samgar, in de dagen van [Jaël, Werden de straten verlaten, wie reisde ging [op kromme wegen, Verlaten waren Israëls dorpen, verlaten Totdat ik opstond, Debora, dat ik opstond eene [moeder in Israël. Gekozen had men nieuwe góden alsdan [was er kryg aan de poorten, Vond men ook onder veertig duizend in [Israël wel schild of speer? Van Samgar hoorden wjj reeds te voren. 11 ij is de Richter die met de ossenstok den Filistijnen nadeel toebracht. Toen zagen wjj reeds dat deze Richter leefde in den tyd van Ehuds rust. Het baart dus wel eenige ver beert Leert Hoek Hoek Heida Leerr, Heida stejjn I. Leerr onnet inner Iflfers Hffers BIJ DE WISSELING DES JAARS. Loof den Heere mijne ziel, en vergeet geene van zijne weldaden. Psalm 1032. De tijd snelt heen. Geen oogenblik staat hij stil. Onophoudelijk spoedt hy voort. Van vertraging zelfs weet hy niet. Eenmaal los gelaten vervolgt hy rusteloos zijn weg. Wel leeren wy dit van lieverlede verstaan, maar toch nooit volkomen. Vandaar dat hy ons tel kens verrast, zoodat wy zeggenis dat nu reeds voorbij? Waar zijn de jaren gebbven, toen wy als kinderen huppelden op de speelplaats Als een droom zyn zy verdwenen en zy hebben alleen enkele herinnering^ nagelaten. Hoe aangenaam was het onsl’mjrnate dolen op de velden der jeugd, wanneewwy eraan dachten, waren deze dagen heenga jjtden en wij moesten ons geven aan de nioeiK, van den harden ar- leven. In één woord Israel was opgesloten in de vestingen. En dit staat voor een landbou wende bevolking ongeveer gelyk met de ver woesting van het volksbestaan, zoo stoffelijk als geestelijk. Welk een bange tydHoe lang duurde ’t? Totdat een vroed en kloek man opstond Neen, totdat ik, Debora, opstond, totdat ik opstond eene moeder in Israël. Wil Debora hi r zichzelve een krans vlechten GeenszinsZij brengt alleen in herinnering, hoe Jehovah door haar als vrouwe, wonderen heeft teweeg gebracht. Waarlijk zy is geworden eene moeder in Israël. De Geest des Heeren greep haar aan. Zy greep moed en wat aller menschen verwachting te boven ging is geschied. Haar optreden was de wedergeboorte van Israëls volksbestaan, ’t Is nu van den rand des verderfs gered. Eene moeder in Israel moogt gij heeten, want door uw woord werden helden geboren, werden zwakken gesterkt, werden ongevoeligen aange vuurd. Eene moeder in Israel zyt gy, want nieuw leven wist gy te wekken in ’t diep gezonken volksbestaan, in ’t besef dat Israel Jehovah’s eigendom was. Vs. 8. Religieuse ontaarding gaat altoos ge paard met schending van het nationaliteits gevoel. Wy verwijzen voor een duidelijker verstaan dezer woorden naar de boven gegeven vertaling. Het onderwerp by het werkwoord kiezen is het volk van Israel. Wel zyn er die ’t anders uitleggen, alsof het zou beteekenenkoos God nieuwe Richters zoo was er strijd enz. Maar aldoor is hier Jehovah en niet Elohim de handelende persoon. De God des verbonds en niet de God van kracht en sterkte treedt op den voorgrond. Hoe kwam het nu dat Israel eene nieuwe moeder noodig had De diepste oorzaak is dezemen had zich nieuwe góden verkoren. Jehovah, den eeuwigen God, voorwien de bergen beefde, die te Seir zoo in wondermacht zich openbaarde, hadden zy verlaten. De Heidenen reeds achtten het een groot kwaad dat niet ongestraft kon voorbij gaan, zoo een volk de góden veranderde. Is ’t wonder dat Israels kracht vergaat als het afvalt van den Heere Nieuwe góden worden zy hier genoemd in tegenstelling met Jehovah, den ouden God, dien de vaderen gediend hadden, ’t Waren dus zulke góden, van wier eeredienst zy pas onlangs toen zy in Kanaan waren gekomen hadden gehoord, uit den mond van de Amorieten en Hetbieten en Ferezieten. Wat vermochten nu zulke góden? Niet an ders dan ellende te brengen. De vyand in het land als straf van Jehovah, de dorpen ledig, onbewoond en woest. En zelf tot voor de poorten der steden was stryd, en wel zulk een stryd, die hen ten zeerste neerdrukte. Waar waren nu Israels dappere mannen, die in ’t volle bewustzijn van des Heeren kracht, de eere des volks handhaafden. Ach, die vraag is zoo veel beteekenend: werd er ook een schild gezien of een spies onder veertig duizend in Israël? Let er wel op, er wordt niet gezegder was geen schild of spies, als in de dagen van Saul 1 Sam. 1322. Maar er is totale moedeloosheid en onverschilligheid. Zoo ingezonken was het volk, dat gy, (want de vraag dient tot sterke bevestiging) onder een rond getal, zeg maar van veertig duizend, niemand aantrof die naar het zwaard greep voor den Heere. Godsdienstige ontaarding schaadt het zuiver nationaliteitsgevoel. Wie alle godsdiensten ge lyk wil maken, of een volk zyn ouden gods dienst leert verloochen, wischt ook weldra de grenzen tusschen volk en volk uit. De men schen worden „cosmopolieten”, wereldburgers, zonder Vaderland. Dit was voor Israel een zware zonde. Pas had de Heere het zich ten eigendom verkoren t weinig op, en daarom is het zoo goed, dat er f oogenblikken komen, waarin wy dit duidelijker dan anders gevoelen, Zoo is het ons geweest in de laatste dagen. Pas stonden wy rondom de krib van Bethlehems stal en wy bewonder den opnieuw de liefde des Vaders, die zijn’ eeniggeboren Zoon niet spaarde, maar overgaf aan de armoede, de ellende, aan het lijden en het kruis, opdat een iegelijk, die in Hem ge looft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Dit was ons eene verkwikking, want wy waardeeren nog alty’d Gode zy dank deze onuitsprekelijke gave. Nog enkele dagen lagen voor ons, eer het oude jaar weder heengegaan zou zjjn, maar wy begrepen toch, dat zy spoe dig tot het verleden zouden behooren, en dit stemde ons om terug te zien op den weg, langs welken wy gekomen waren. Wy wilden nog eens in den geest dcorleven, wat wy ervaren hadden. Zoo gingen ook die enkele dagen voorbij, en de laatste dag van het jaar verrees, spoedig gevolgd door den laatsten avond. In welke stemming heeft hy U gevonden? In welke stemming Die van dankbaarheid toch wel? Overvloedigzyn de redenen immers? Wie gaf u het leven, den adem en alle dingen Wie bewaarde u te midden van al de gevaren, die u bedreigden? Was er niet een huis aan den weg, onder welks dak gij beschutting vond tegen de guurheid van het weder en ruste na moeitevollen arbeid? Hadt gij geen kleeding, waarmede gy u dekken en voedsel, waarmede gy u versterken kondet? Was er niet eene taak voor u, waaraan ge u wyden, kondt Als u eens gevraagd werdheeft u ook iets ont broken, zoudt ge niet met beschaamdheid moeten zeggenneen, niets En nu noemden wij slechts enkele zegeningen op, welke gy ont- vingtik ben er van overtuigd, dat gy zelf eene menigte andere daaraan toevoegen kunt. Daarenboven eiken dag hebt gij des Heeren woord kunnen lezen en overdenkeneiken rustdag werden voor u de deuren van het bede huis ontsloten en noodigden de klokken u uit om binnen te treden, ten einde te booten, wat de Geest tot de gemeente te zeggen heeft. Dit gansche jaar heeft God aan u laten arbeiden, opdat ge u geheel aan Hem zoudt toevertrou wen. Hadt gij recht op deze weldaden Neen, zegt ge; ik had ze verbeurd. Daarom behoort gy op te zien tot den Gever alles goeds en in heilige verlegenheid uit te roepenUw Naam zy geloofd. Maar gij zoudt my kunnen tegenwerpen: het is waar, veel heb ik ontvangen, edoch gy moet niet denken, dat de zon des voorspoeds immer haar vriendelijk licht uitstraaldo over myn levenspad. Helaas, er werden my wonden geslagen, welke nog bloeden en pijn veroor- II el boek der Rlchteren. XXL Israëls smadelijke vernedering in Samgars en Jaëls tijd. In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden gingen kromme wegen. De dorpen hielden op in Israël, zij hielden op totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, eene moeder in Israël. Verkoos hij nieuwe góden, dan was er krijg in de poortenwerd er ook een schild gezien, of eene spies, onder veertig dui zend in Israël Richteren 5 68. Treffend is de tegenstelling ons hier getee- kend. Zoo pas greep verbazing ons aan by de majestueuze openbaring van Jehovah, waarmede Hy Israël zich tot een volk heiligde. Nu aan schouwen wy den smaad, waarin Israël deelt, en den bitteren nood waarin het verkeert. Byna is het volksbestaan onmogelyk geworden. Zy zingt: In de dagen van zaken. Zaagt ge uwe bezittingen verminderen, hadt ge een harden strijd om u maatschappelijk staande te houden, gelukte met den besten wil de arbeid uwer handen niet, leedt ge in uw akker niet de gewenschte vrucht, ik wil niet zeggen, dat dit gering is, maar ik hoop niet, dat ge in de meening verkeert, alsof u dit ontslaan zou van de verplichting om de wel daden Gods in levendige gedachtenis te houden. Dit zou nog alles wel gaan herneemt gy, doch mjjne medemenschen hebben my veel verdriet berokkend, en dit is het wat mij grieft, of over het verlies van aardsche goederen klaag ik niet, maar over wat veel dieper ingrijpt. Misschien sloopt een krankte uwe krachten, terwyl de aangewende middelen geen baat brengen. Of anders hebt ge in uwen kring rondgezien, en uw oog rust op een ledige plaats, vroeger ingenomen door iemand, u dierbaar, maar die nn van u weggenomen werd. Opnieuw denkt ge aan de genoegens, die dat leven u voorheen verschafte, aan de vreugde; welke het u bood, en gy gevoelt de smart, welke uw hart vervult en voor u heeft het aardsche leven veel van zyne aantrekkelijkheid verloren. Ik geloof u, ik beklaag u, maar verder mag ik niet gaan. Gedenk aan die mannen en vrou wen, welke ook bittere tranen hebben moeten schreien, maar die in ’t bewustzijn, dat de Al- wyze God hun lot regelde, betuigd hebben, dat zij hun mond niet zouden opendoen. Wandel in hunne voetstappen en gy zult stil zyn. Vooral dan zult gy kunnen berusten, indien gy gelooven moogt, dat al wat u ook ontvalle God de Rotssteen uws heils en uw deel in eeuwigheid zyn zal. O als er iets noodig is dan is het dit, dat wij ons verlaten op Hem, die altjjd dezelfde blyft in Macht en Trouw, in Liefde en Ontferming. Hy leide u het oude uit en het nieuwe in en vergezelle u altyd met zyn ryken zegen. wondering, dat Debora nu juist zijnen tyd noemt. Temeer waar de geschiedenis der Rich teren overigens geheel van Samgar zwygt. Niet onmogelyk is ’t dat Debora’s bedoeling zal zyn in en na Samgars dagen. Nog meer bezwaar vinden velen in den naam Jaël. Want wel kennen zy de huisvrouw van Heber den Keniet, maar Debora zingt hier als over het verleden. In de dagen van, het doet ons niet aan het heden, maar aan het verleden denken. Daarom ziet men dan in Jaël, een „ridderlyken naam voor Samgar of voor Ehud.” Onmogelyk is zulk eene verklaring niet. Immers ook Gideon heet Jerubbabel en Jethro is ook bekend als Rehuël. Toch schijnt het my hier onjuist en wel vooral, omdat aan deze Richters nergens elders zulk een naam gege ven wordt. Maar bovendien in deze tijdsbepaling wordt aangegeven het begin en het einde van de bedoelde periode. Zy bezingt Israels geschie denis van af Samgars dagen tot op de gebeur tenis van Jaël, Hebers huisvrouw. Immers daar mee eindigt het lied. En dit wordt nu op diehterlyk vrjje wyze gezegd. Hoe was het toen in Israel gesteld? In en kele trekken beeldt de zangeres ons dien tyd uit, zoodat deze in al zjjne bangheid en angst ou1 voor oogen staat. In de dagen van Samgar hielden de wegen op, d. i. zy hielden op wegen te zyn, zy werden door niemand betreden, en door geen wagen bereden, m. a. w. de wegen waren verlaten en eenzaam en genoten rust. Het was oorlogstijd en de vyand hield ge ducht huis in Israels wegen en dorpen. Hoogst onveilig was ’t land, overal vol krijgslieden, die pijl en boog aanlegden op den rustigen reiziger. Daardoor kwam er een geduchte schrik onder het volk, zoodat zij ophielden de wegen te be treden met den voet en te beryden met paar den. Wat was alles doodsch én eenzaamHet leven scheen gevloden en geen mensch ver toonde zich. Droeve bange tyd. Maar kon Israel dan zyn verkeerswegen geheel missen. Moest de correspondentie van de eene stad met de andere, en van de stam men onderling niet gaande blijven Stond de handel geheel en al stil Neen, die op reis moesten gingen langs kromme wegen, langs bywegen, die men anders niet placht te bewandelen. Wie door handel of bedryf genoodzaakt werd, trots alle moeiten er aan verbonden, toch een tocht te ondernemen, hield zich zoover mogelyk ver wijderd van den publieken weg, om langs kronkelende, moeilijk begaanbare wegen, zyn doel te bereiken. Denk u een oogenblik in wat moeite dit met zich bracht. In Kanaan waren drie hoofdwegen, waardoor het in verbinding stond met Syrië vooral met Damascus, met Arabië en met Egypte. Dan komt de inhoud van dit vers hierop neer; het wereldverkeer, de trek van karavanen en kooplieden was niet slechts ver minderd, maar had opgehouden. En ook de burgers zelven schuwden den openbaren weg. Vs. 7 voegt aan deze donkere schilderij nog één trek toede dorpen hielden op in Israel, zy hielden op. Tengevolge van het plunderen en rooven der Filistijnen en Syriërs was nie mand op het platte land meer veilig; men verkeerde er in gevaar voor zyn leven en voor het verlies zyner goederen. De vyand kon overal ongehinderd binnendringen. Wy zullen aan stonds zien hoe dit mogelyk was. Alleen in steden met hooge wallen en sterke vestingen, achtte het volk zich goed beschermd. Wat was nu het gevolg? Noodgedwongen verliet ten leste elk zyn have en goed, en trok naar een vestingstad als Jeruzalem of Hebron of Rama. Ik spaar u de teekening van de schrik kelijke gevolgen opeenhooping van menschen zonder bezigheid of bedrijfgebrek aan woning in de stedenvermeerdering van volkszonden, ontwikkeling van het gansche maatschappelijke Zeeuwsch Kerkblad ie), ige i ■Vo aider aider

Krantenbank Zeeland

Zeeuwsche kerkbode, weekblad gewijd aan de belangen der gereformeerde kerken/ Zeeuwsch kerkblad | 1904 | | pagina 1