M R T. SPELLETJES, VAN ALLES WAT Uit den kindermond. De rechter als Shylock. Pftftroon „Wel, passeer het 1" (London Opinion) HENK EN PLUUT (Slot volgt). WluELING'S NIEUWSBLAD VAN 9 APRIL 1926 Oplossing der Klokpuzzle van vorige week 12 3 4 zand 4 5 6 7 does 7 8 9 10 ster 10 11 12 ras Oplossing van de vraag hoe Amsterdam met 7 ters te schrijven van vorige week: let- V NIEUWE PUZZLE-OPGAVE: Onze figuur stett voor een ponny, waaraan de poo- en en de staart verkeerd vastzitten. Leg nu deze pooten en staart zoodanig neer dat er een dravend paard te voorschijn komt. (Oplossing volgende week) OnderwijzerNu, kinderen, heb ik jullie verteld dat "SJr n wJ""dt gereeeerd door een Koningin met Mi- nisters en door de twee Kamers. Wie regeert nu de provincie? 6 Piet: De professional en de gedeporteerde... Onderwij/erKnap zoo. en w'e regeert de gemeente jantje De gemeentewerklieden, meneer. Onderwijzer: Ja, maar er is hier toch ook een groep mannen, die je soms met hooge hoeden zietKom jantje, dat noemen ze het college van't eindigt op een W. jantjeHet college van Ach en Wee Onderwijzer: Neen, het college van B. en W. is de meer officieele naam... Wat beteekent nu B. en W. jantje (spruit van hoog aangeslagene)Het college van Bloeden en Wurgen Onderwijzer: Kom, dat zijn huismeeningen. Wat beteekent B ik zal je helpen dat is meneer De VlugtWat is die nu B Pietje: Bont en Blauw, meneer. Onderwijzer: Hoe kom je daaraan? Pietje (spruit van loonsonderhandelaar)Hij mot we! bont en blauw zien, want vader zei gisteren nog: „Tel kens als we in de looncommissie een boos gezicht trekke, slaan alle wethouders direct op De Vlugt." Onderwijzer: je vader bedoelt wegloopen, jongen. Kom, dat B beteekent Burgemeester wat beteekent nu „het college van B. en W." Pietje Het kleezje van Burgemeester en Wegloopers, meneer De rechtbank, aldus vertelt de „Nevf York Herald" behandelt een diefstal, die den verdediger gelegenheid geeft de volgende niet bepaald gangbare stelling te poseeren „Beklaagde kan onmogelijk van diefstal of braak worden beschuldigd. Wat toch, mijnheer de pre sident, was het geval A loopt langs een huis, waarvan het raam openstaat, Hij steekt zijn rechterarm door het gat en neemt de dingen mee, die binnen het bereik van dien arm staan. Ergo werd de diefstal uitsluitend door dien rechterarm gepleegdreden waarom ik meen te mogen aannemen, dat, indien het wettig en overtuigend bewijs wordt ge leverd, uw rechtbank niet het geheele individu, doch uit sluitend den schuldige, in casu dus den arm, zal ver- oordeelen". Verbaasd keken de rechtsgeleerden in de zaal elkan der aan en vol spanning wachtte men het vonnis af. dat luidde„Niet de beklaagde, maar zijn rechterarm wordt veroordeeld tot twee jaar tuchthuisstraf. Mocht beklaagde kans zien dien arm zonder meer naar de gevangenis te zenden, dan kan de rechtbank zich daar mede vereenigen". „Flauw", mompelden de deskundigen in de zaal. „Kinderachtig". Maar de uitdrukking van hun gezicht veranderde, toen de beklaagde doodkalm zijn rechter arm, die van hout bleek te zijn, afschroefde en den achter hem staanden politie-agenten met hoofsch ge baar overhandigde Koop.n.tn Mevr., mag ik u ons nieuw maagzuiverend middel verkoopen. Het werkt perfectis onschadelijk, ook voor kinderen, is niet aan bederf onderhevig MevrouwHeb ik u niet al eens eerder hier gezien Koopman „ja Mevr., met ons Algemeen Kookboek. Bei de artikelen worden door één uitgever geëxploiteerd". (The humorist) De patroon„Als je naar de firma Smit ft Zn. ffaat passeer je een voetbalterrein." Kantoorjongen (hoopvol)„ja mijnheer." WEGFLING's NIEUWSBLAD VAN 9 APRIL 1926. Henk en Pluut waren echte vrienden en dat was niet van vandaag of gisteren, neen, zoo lang Henk zich herin neren kon, was Pluut, de groote, langharige hond, zijn vriend en speelkameraad geweest. u/UUt was ^et eers*e b'j vader en moeder gekomen, t Was toen nog maar een heel .klein hondje, dat zóó speelsch was, dat het elk fladderend blad of stukje pa pier, dat het zag, achterna zat. Moeder had Henk daar dikwijls van verteld en ook hoe vreemd Pluut gekeken h°d naar de wieg, toen hij daar voor het eerst kleinen Henk in zag liggen. Al heel gauw begreep het slimme dier, d°t het hoopje in de wieg een heel klein menschje voorstelde en wat meer was, een menschje, van wie de baas en vrouw o, zoo veel hielden. Vanaf dit oogenblik voelde hij een soort eerbied voor 't kindje in de wieg. De baas en de vrouw konden er van op aan, dat hem niets overkomen zou, daar zou hij, Pluut, vooi waken. Over dag lag hij vóór de witte wieg beneden uitge strekt en 's nachts voor die, welke in de slaapkamer stond. En toen Henk grooter werd, spitste het trouwe dier de ooren, als 't kleine ventje zijn aardige keuvel- geluidjes liet hooren. Pluut ging eiken dag uit Bij mooi weer liep hij' parmantig naast den kindei wagen, maar wanneer het voor den kleinen Henk te koud was en Pluut alleen met den baas of de vrouw uitging, was het eerste werk, als hij weer thuis kwam, naar de wieg te gaan. Henk begon al spoedig aardigheid aan den hond te krijgen. Hij kraaide het uit van pleizier, als Pluut binnen kwam en deze kwispelstaartte dan, alsof hij wilde zeggen „Ik ben zoo blij dat ik je weer zie." Toen Henk in de box stond en zijn handjes telkens naar zijn makker uitstak, kon hij soms wel wat heel hard aan zijn haar trekken. Pluut wercPechter nooit boos. 't Kwam niet in hem op te grommen, of zijn tanden te laten zien't kind wist immers niet beter en hield veel te veel van hem om hem met opzet pijn te doen. Eens, toen Henk in den tafelstoel zat, was er bijna een ongeluk gebeurd. Henk was een vroolijk, levendig ventje en zat geen oogenblik stil. Op eens wilde ht Pluut aaien. Hij boog echter te veel op zij en in het vol gende oogenblik lag Henk met kinderstoel en al boven op den armen Pluut, die nu toch wel even schrikte. et Is dan ook geen kleinigheid, als je zoo'n vrachtje boven op je krijgt 1 Henk zette het natuurlijk op een schreien en moeder schoot haastig toe om haar kleinen baas op te hejpen. Hij schreide eigenlijk meer van schrik dan van pijn, want Pluut had er voor gezorgd, dat hij heel zacht kwam te vallen. Maar Pluut zelf was er erger aan toehij had een wondje aan zijn poot. Moeder deed er zalf op en ver bond het. Henk bedaarde gauw, maar toen hij zag, dat hij zijn trouwe vriend pijn had gedaan, zei hij in zijn ge broken kindertaaltje, terwijl hij Pluut "op zijn kop aaide „Kind tout kind nooit weer doen Pluut niet boos op kind pootie gefe." Pluut kwispelde met zijn staart als teeken van ver giffenis en Henk mocht hem dien dag de lekkerste hap jes geven. Dit alles was gebeurd, toen Henk nog heel klein was en hij herinnerde zich daar natuurlijk niets meer van. Moeder had het hem echter meermalen vertelt en Henk wist het dan ook wkt goed. Zoo groeiden Henk en Pluut samen op. In de voorkamer hing een groot portret van hen sa men en Pluut keek daar zóó verstandig op, dat het wel leek, of 't slimme dier begreep, dat zij samen gefoto grafeerd werden. Toen Henk eerst naar de fröbelschool en later naar de groote-jongensschool ging, bracht Pluut hem altijd weg en ik zou werkelijk niet kunnen zeggen, wie blij- der was, als de school uitging en zij elkaar weer zagen Henk of Pluut Zij bleven steeds trouwe vrienden en als Henk, die wel eens echt wilden ondeugend kon zijn, knorren kreeg, liet Pluut den staart hangen, terwijl Henk moeite had zijn tranen in te houden, als vader of moeder Pluut aan het verstand bracht, dat hij ongehoorzaam was geweest Altijd sprongen die twee voor elkaar in de bres. Zelf zouden ze liever brommen oploopen dan dat hun vriend je die kreeg. Henk had geen zusjes of broertjes en zoo kwam het dat Pluut zijn liefste kameraadje was en bleef. Toen Henk acht jaar oud was en zij samen op een Woensdag even na twaalven, vroolijk springend thuis kwamen, vroeg moeder: „Henk, kijk eens, wat ik in de voorkamer gevonden heb, het mooie blauwe vaasje, in twee stukken op den grond, dat moet Pluut of jij gedaan hebben. Pluut kan ik niet vragen, geef jij me dus maar antwoord, dan weet ik génoeg." Henk had het niet gedaan, doch plotseling flitste het door zijn brein, dat Pluut de vorige week een schotel en eergisteren een melkkan in de keuken omgegooid had en dat moeder toen gezegd had „Als jij me zooveel gaat breken, Pluut, kunnen we je niet meer houden, hoorl" „O, als moeder dat eens meende1 Dan moest Pluut weg. 't Was te vreeselijk om waar te kunnen zijn. Henk ken Pluut niet missen. Alleen reeds bij die gedachte kreeg hij een vuurroode kleur, „Kom Henk!" zei moeder nu, „zeg me, of jij het ge daan hebt of niet99 Melancholisch heer: „Reist u evenals ik op advies van den dokter?" De ander (schuw rondziende)„Neen, op advies van mijn advocaat". (London Opinion) De grootere jongen„Ehhallo Billieehblij cat k je zie. Ik wou je zeggen dat het me erg spijt c at ik gist ren zoo driftig was en je een pak slaag gaf". (Passing Show)

Krantenbank Zeeland

Zeeuwsch Nieuwsblad/Wegeling’s Nieuwsblad | 1926 | | pagina 10