Op loop m ZlEHL Zaterdag 5 April 1902.l9 Jaargang. No. 30. FEUILLETON. Brievenstukken aduertentiën te zenden aan den Redacteur-Administrateur uan JELANDIA" Zij, die proefnummers ontvangen hebbend, deze niet als geweigerd te rugzenden. zullen voor taan door ons beschouwd worden als abonnés. Dagen van Leed. Advertentlën t Prijs per 3 maanden* franco per post 75 cent, voor België frs. 2.50. Bij vooruitbetaling vooreen geheel jaar bedraagt de abonnementsprijs slechts f2,50 voor Nederland. Aan d.» uitgave is ve,tanden een «BILUWBEEBB ZONDAOSB1-AI. tegen den prijs van (5 cent pet 3 maanden, betaalbaar tegelijk met de abonnementsgelden. Deze courant verschijnt Dinsdag- en Vrijdagavond, Abonnementen worden aangenomen op post- en hulpkantoren. van 1 tot 5 regels 50 cent, voor elke regel meer 10. Bij driemaal'plaatsing van dezelfde advertentie wordt de prijs slechts tweemaal berekend. Groote letters worden naar plaatsruimte berekend. Dienstaanbiedingen en aanvragen om dienstpersoneel ter grootte van hoogstens 8 regels wor en bij vooruitbetaling geplaatst voor -40 cent per advertentie. Bij abonnement of herhaalde plaatsing belangrijke reductie. Inzending van advertentiën vóór 3 ure op den dag der uitgave. Bij dit nummer behoort een Bijvoegsel. In haar nummer van Paschen wijdt de Micldelburgsche Courant een hoofd artikel aan het Spel van de Zee van Herman Heyermans. Heel dat artikel tintelt van geest drift en vlamt van heilige vereering voor den dramaticus, die ons bracht, na zooveel andere stukken, ook het treurspel ,,Op hoop van Zegen. Niet alleen in de grootere en kleine re steden van ons land, maar ook in het buitenland is het ,,Spel van de Zee" vertoond in stampvolle schouw burgen het is vertaald in vreemde ta len en het volk van alle standen en rangen heeft geschreid bij de roerende tragedie, waarin ons verhaald wordt van het groote, het zware en sombere lijden, dat geleden wordt in de scha mele hutten van de arme zeelui. Waarlijk daar zijn in dat stuk aan doenlijke tafereelen, tafereelen, die grijpen in het diepste van de men- schelijke ziel en die daar de snaren doen trillen van medelijden over het arme, verdrukte volk. Er worden toestanden geschilderd, die ten hemel schreien om wraak; maar er zijn in dat stuk ook ont zettende fouten en daarom laat het, evenals alle socialistische hervormings- geschriften en stellingen, ook ontzetten de leegten achter in de harten van hen, die, zooals de „Middelburgsche Cou rant" zegt, aanschouwen, luisteren en nadenken. Wie, die ooit Op hoop van Zegen bijwoonde, heeft er méér van verwacht dan enkel de voorbijgaande prikkeling van een tendenz-stuk, zonder kunstge halte, zonder uitwerking, zonder red ding voor het volk Wat 'teerste betreft, het kunstge halte, de verslaggever van een der Duitsche bladen zeide zeer juist de kunst begint waar de werken van Heyermans eindigen. En de uitwerking?. Die zal altijd zeer gering blijven, omdat de begrippen van godsdienst en moraal, waarop de schrijver zijn werken opbouwt, niet in staat zijn om tot basis te dienen voor een gezonde en goede samenleving. Maar 'theil des volks, zal men zeg gen Ochal worden er duizend tooneelstukken geschreven op geen an dere grondslagen als Op hoop van Ze gen, er zullen altijd Kniertjes blijven, altijd Geerten, en altijd reeders als Bos. De oplossing der sociale kwestie ligt in het hart der menschen, en dat her vormt men niet zonder innige gods dienstige overtuiging. We willen het stuk zelf te dezer plaatse verder buiten bespreking laten, maar enkel de merkwaardig geïllumi neerde apotheose aanraken, die de Mid- delburgsche Courant ons te aanschou wen geeft aan het slot van haar Paasch- artikel. Na een uitvoerige bespreking van ret tooneelspel ,,Op hoop van Zegen" en na veel loftuitingen op den moder nen hervormer, maakt de Midclelbur- sche Courant de volgende combinatie: eenvoudige visschers. Hij geeselde het Pharazeïsme, de hui chelarij, den schijngodsdienst. Hij zocht bij voorkeur zijn werkkring onder de armen, de eenvoudigen, de ge- ringeh. En den grooten, den machtigen spaar de Hij zijn anathema's niet.. Hij pre dikte ook de reinste naasten- en men- schenliefde. En zooals nu nog in dezen tijd ie der, die wondenplekken als 't ware met den vinger aanwijst en opwekt om tot verbetering mee te arbeiden, voor een socialist wordt uitgekreten werd hij als oproermaker gegeeseld en gekruisigd. Er is niets nieuws onder de zonook in deze. Altijd weer staan wij voor dezelfde vraagstukken, die het geluk der mensch- heid raken. Wil men hervormen, men zal strijd moeten voeren tegen menschelijke zwak heden en ondeugdentegen ver- en vooroordeel en tegen maatschappelijke toestanden, moeilijk te verbeteren. Velen zoeken weldoen in uiterlijken vormgaande buiten het hart om. Maar vooruitgaan doen wijzij het ook langzaam. Dat geeft moed. En voor hen die, zooals wij, deze over tuiging deelen, spreekt elke Paaschmor- gen opnieuw van hoop op den zegen, dien mannen van goeden wil het mensch- dom willen brengen." De Graaf had eene poos mijmerend en zwijgend den blik in de vlammen geves tigd gehouden, tot hij het hoofd eindelijk oplichtend, tot het meisje zeide Nora, gij schijnt mij heden zoo treurig De aangesprokene lichtte den blik even van haar naaiwerk op, als ware zij ver wonderd over die woorden, en antwoord de vragend Treurig, zegt gij, heer Graaf? Gij schijnt toch te mijmeren, was het antwoord. Inderdaad, zeide het meisje, ik dacht ergens over namaar ik was niet treurig, heer Graaf, neen, zeker niet. Gij scheent nochtans niet zeer vroo- lijk gestemd. En nochtans dacht ik aan eene zeer blijde ontmoeting. Een glimp van verwondering blonk in het oog van den Graaf. Aan eene ontmoeting, zegt gij, lie- En nog wel aan eene zeer zonder linge ontmoetingvoegde Nora er glim lachend bij. Mag ik zoo onbescheiden zijn, verder »Eeuwen geleden was er een wereld hervormer die bij voorkeur zijne disci pelen, zijne predikers zocht onder de aan te dringen, op meer bijzonderheden over die ontmoeting, welke, zooals gij zegt, u zooveel vermaak heeft verschaft? O zeker, zeide Nora, ik zal u alles mededeelen, alhoewel ik zelfs aan mijne zuster er niet van gesproken heb neen, heer Graaf, ik weet niet wat mij hiertoe aanzet, maar ik vertrouw dit geval liever aan u. Inderdaad, lieve, gij maakt mij nieuws gierig. Verleden nacht, ging Nora voort, terwijl zij haar naaiwerk ter zijde schoof, het hoofd in den palm der hand rusten liet en den blik op den Graaf vestigde, als begon zij een lang en belangrijk ver haal, verleden nacht heb ik ,een zonder lingen, ja een aardigen, doch zeer aange- namen droom gehad... Ha, ha, droomen lachte de Graaf, het is een droom Nora, dien gij mij ver tellen gaat. Ik hecht niet veel geloof aan droomen Ja, heer Graaf, ging het meisje voort, het was nochtans slechts een droommaar een zoo natuurlijke, zoo treffende en te vens zoo aangename droom, dat ik inder daad meende gansch wakker te zijn. Och! ik wilde wel eiken nacht, ja altijd, zoo te kunnen droomen En wat was dan toch het onderwerp van dien genoeglijken droom, lieve? vroeg de Graaf. Er is zeker veel waars in hetgeen de Middelburg sche Courant hier schrijft, maar Tegen deze apotheose wenschen wij onze beginselen te stellen, om meer dan ééne reden. Wij wenschen het goddelijk Evange lie, met zijn heerlijke en verheven beel den en leerstellingen, niet te leggen op onzen lessenaar naast een ruw en plat tooneelspel alsOp hoop van Zegen." Wij wenschen geen verbindingspunt tusschen den Grooten Wereldhervormer van eeuwen geleden, en de hervormers, die in onze dagen opstaan, en die in termen, waarvan de gewone, beschaaf de mensch walgt, de menschheid ver ontrusten zonder te helpen, wijl ze naast hun wilde opzweeperij de schandelijk ste zonden verheerlijken, in plaats van het volk te leiden op de reine paden, die voeren tot het heil, naar de leer van den grooten Hervormer Christus. Laat ons veeleer onze oogen openen voor de voornaamste punten van afwij king tusschen de beide hervormers, tus schen Christus, den grooten Hervormer, en tusschen de socialistische hervormers onzer dagen, en laat de Middelburgsche Courant ons dan in 't Evangelie één enkele bladzijde aanwijzen, waarin we verheerlijkt vinden een weerga van de visschersmeiden, als Jo en anderen uit het Spel der zee, zonder dat daar een strenge vermaning wordt gehoord van den kant van den Hervormer. Waar Christus zijn eersten vloek te gen slingerde, wordt door Heyermans en door al de socialisten met hem, met een stilzwijgende goedkeuring, als wa re het de gewoonste en natuurlijkste zaak ter wereld, voorbijgegaan. Ziedaar de groote fout, waartegen de oplossing van het maatschappelijk vraag stuk, naar socialistische en godlooze be ginselen, onvermijdelijk en eeuwig zal afstuiten niet alleen, maar zelfs tot steeds ergere en ergere toestanden zal leiden. Wij betreuren van harte die fout in volksmannen, ook in hen, die zich als kunstenaar, als tooneelschrijver bedie nen van de edele, vlekkelooze Muzen ter hervorming, kortom in allen, die oog hebben en hart, in welken werkkring ook, voor de onderste lagen onzer maatschappij, en begaafd zijn met talenten, als waarover de schrij ver van Op hoop van Zegen ontwij felbaar beschikt. Bestond die fout niet, èn de maat schappij zou er bij gebaat zijn, èn de kunst zou meesterstukken hebben aan te wijzen. Want, dit is een der eerste en der grootste fouten van de socialistische her vormers, en die wet geldt zeer zeker voor tooneelschrijvers, het totaal wegwerpen van alle goddelijke wetten en alle wetten der zedelijke samenle ving. En verder, zoolang de leerstellingen des goddelijken en reinen Evangelies,^ met zijn allereerste en grootste wet «de liefde", niet tot absoluten ba sis worden genomen voor de wereld- hervorming, zoolang zal die hervorming blijken te zijn een vloek voor de mensch heid en een ondergang juist voor die standen, die het zwaarst onder het le ven zuchten en die het meest onze red ding en hulp noodig hebben. Niet in de haatvolle theorieën van het socialisme, maar in het zacht en lief Evangelie van den grooten Hervor mer van 2000 jaren terug, ligt de sleu tel tot oplossing van het maatschappe lijk vraagstuk. En zoo zouden ook wij willen, dat er over heel de wereld een Op hoop van Zegen werde vertoond, maar dan gebaseerd op de grondslagen, gelegd door den edelsten Menschenvriend, die, als Koning, in een stal werd geboren uit het arme, reine Jodinneke van Na zareth Staatkundig Overzicht. De oorlog. De geruchten omtrent vrede blijven nog steeds aanhouden. Van officieele zijde echter is niets be kend. Volgens een telegram van »Central News", dat door de »Temps" onder ern stig voorbehoud wordt opgenomen, heeft zekere commandant Albert zijne burgers opgeroepen tot een samenkomst bij Springs om te spreken over een algemeene onder werping. Hans Botha heeft een dergelijke samenkomst te Amsterdam bijeengeroepen. Ook over de bewegingen der Boerenge- delegeerden in Europa doen allerlei ge ruchten de ronde. Gelukkig krijgen we hier meestal gauw de waarheid te hooren. Zoo verklaarde dr. Leyds nu weer in een interview met de »Etoile Beige" het be- Terwijl ik stil lag en sliep, hernam het meisje, en in haren blik scheen als eene straal van begeestering, zag ik op eens, alsof de glinsterende maan, mijne kleine kamer met eenen gloed van tinte lend zilver overgoot, nooit had ik de maan zóó zien schijnen. En in die heerlijke manestralen, te midden van mijn kamer- ke, zag ik eene vrouw, die ik eerst meen de de Moeder-Gods te zijn, zóó lief was haar gelaat, zóó tenger waren hare fijne vingeren, zóó zwierig hingen de zwarte lokken haar om den spierreinen hals op het witte gewaad. Zij droeg een kleed, dat in den schijn der maan, blank scheen, als versch gevallen sneeuwhaar oog was donker, doch zacht, haar aangezicht fijn, ja, goddelijk van leest, en toen zij vooruit trad, zag ik dat haar tred statig was, statig als de stap eener vorstin... Het meisje zweeg een oogenblik, de graaf luisterde met den glimlach op den mond. Nora ging voort Heer graaf, gij had haar moeten zien, toen zij naar mij toetradhaar oog fonkel de met het vuur der blijdste verrassing', hare handen trilden, toen zij die naar mij uitstrekte, haar boezem heeg en hare stem beefde als van ontzettende vreugde, toen zij mij eene wijl beschouwd hebbende, murmelend zei «Gijl... gij hier!... gij mijn kind!... Wel gij zijt toch mijn kind!... Kent gij mij niet!... Ja, gij zijt mijn kind, ik zie het aan uwe oogen, ik zie het aan uwe zwarte lokken en blanke wang.' En dan omhelsde zij mij, ging Nora voort, zij prevelde mij zacht toe Ik ben uwe moeder! Kent gij mij niet?... Noem mij «moeder» want ik ben uwe moeder. En, ja; ik voelde het in mij, het was mijne moeder, die ik nooit gekend heb, heer Graaf, en die in mijnen droom, mij kwam omhelzen... Oik heb toch ee ne goede moeder in den hemel, niet waar, heer Graaf? De Graaf had met klimmende aandacht geluisterd; de beschrijving, die het meisje gaf van de persoon, welke zij iri haren droom dacht gezien te hebben, en die zich hare moeder had genoemd, was het juiste beeld zijner echtgenoote, de Gravin Maria. Hoe trof die zonderlinge gelijkenis van ge laatstrekken en gestalte, het zenuwstel van het meisje, om in hare verbeelding een droombeeld te vormen, zoo gelijk aan haar, die de Graaf ook wel eens voor de moe der van Nora had gehouden, en wier ge laatstrekken het meisje ten volle scheen te hebben geërfd Zijn blik was onafge wend en als vorschend op het zwartlok- kige kind gericht, en scheen de woorden als van hare lippen te willen opvangen. Ga voort, Nora, zeide de Graaf, ver haal verder uwen droom en zeg mij, hoe verliet u de vrouw, die zeide uwe moeder te zijn? Ik voelde het, ja, ging Nora voort, ja, heer Graaf, het was wel zeker mijne moeder; mijn hart dreigde te breken van liefde tot haar, ik omhelsde haar lang en hartelijk, mijne moeder!... O ik was zoo gelukkig! Ik had eene moeder!... «Weldra zeide mijne moeder mij echter, dat zij mij verlaten moest, doch dat zij nog dikwijls, des nachts, zou wederkeeren zij drukte mij de oogleden dicht, kuste mij eene laatste maal op het voorhoofd, en ik zag hare witte, gazige gestalte ver dwijnen in den maneschijn. »En ik sliep voort, tot heden morgen de zon reeds door het venster scheen, en met hare warme stralen mij wakker riep. Toen dacht ik weêr aan mijnen droom, ik dacht er den geheelen dag aan en wensch hem dezen nacht te kunnen ver volgen. O! heer Graaf, wat ben ik ge lukkig, nu ik des nachts mijne moeder zie De Graaf wist niet wat denken van dien zonderlingep droomweldra richtte hij echter het woord tot het meisje en vroeg - En hoe noemde uwe moeder u, noem de zij u ook Nora? Neeno neen zij gaf mij een veel schooneren naam; zij noemde mij... wacht dan. hoe noemde zij mij ook weer (Wordt vervolgd.). LANDIA ve

Krantenbank Zeeland

Zelandia | 1902 | | pagina 1