TE KOOP, NIEUWSBLAD VOOR ZEELAND. No. 83. 1906. Dinsdag 9 Januari. 20e Jaargang. OS >AJET böp DÖP Werkpaard, I necbt lerraaii. GHRISTELIJK- HISTORISCH ieustbode, sleerling, 090000000 u an o eten, groenten uitmuntende voordeeligste en este van alle be* le soorten. Iedere n bovenstaand ge- merk. i| miuuuiuuigi ÖOP Haverstroo, Meid VERSCHIJNT ZESMAAL PER WEEK Wed. S. J. DE JONGE-VERWEST, te Goes F. P. D'HUIJ, te Middelburg. PRIJS DER ADVERTENTIËN Sprokkelingen uit de historie. xxrv. te boven gaande t)erd.* krijgbaar. 40 jaren in ge- volledige mest- r 1 Afdruk v/h r^e- lood en zegel. iEN te Botterdam. op het handelsmerk re knot voorzien is. M. H. BOASSON 1 b u r g. traat C 19. m Effecten en ver- de meest voor- Nemen gelden ling 3 tot 37, d bankpapier en e KAPELLE. letter W, Hulp- antoor Kapelle. rek. 22 Januari, e 1 a n d e. i e u w 1 a n d. Gryjpskerke. [ei ren vereischte, bij Middelburg. lanuari AUËR, Walstraat n. gevraagd Yorststraat, Goes gevraagd te Kapelle. of met Maart vame t, P.G. of G.G. kost en inwoning. IER, Kruiningen. dei GT, Molstraat, Middelburg. gd eider, jen kan genieten E BUCK, Veere. s-Yerwest Goes, f 1EDEREN WERKDAG DES AVONDS. Prijs per drie 'maanden franco p. p1,25. Enkele nummers0,02*. UITGAVE DF.R 'FIRMA EN VAN van 1—5 regels 40 cent, iedere regel meer 8 cent. Familieberichten van 1—5 regels 50 cent, iedere regel meer 10 cent. In het midden der 17e eeuw, toen de grond der geünieerde provinciën over stroomd werd door tal van secten en reformateurs, kreeg men ten overvloede ook nog de beweging der kwakers. Ze waren oorspronkelijk uit Engeland en ont vingen hun naam, eigenlijk een spotnaam, van hun „beven" of „schokken" tenge volge van godsdienstige opwinding in hunne samenkomsten1)- Behalve door het pasgenoemde, onder scheidde zich de Kwaker ook door een bijzondere kleederdracht, zooals o. a. op de crayon-teekeningen van Cornells Troost te zien is. Gewoonlijk droeg hij behalve een stijf kraagje om den hals een vilten hoed met hoogen bol en was meestal in 't stemmig zwart, alleen maar om de „statigheijt" zooals men smalend zei. In Engeland werden ze slechts oogluikend toegelaten, alleen binnen besloten plaatsen mochten zij vergaderen, doch dit alles schrikte hen niet af, om als „vrienden" en „knechten Gods" stad en land door te trekken en overal, waar zij vasten voet konden krijgen, propaganda te maken voor hunne beginselen. Meermalen stonden ze aan vervolging bloot, ook in ons landook werd hun herhaaldelijk het prediken ver boden, doch zonder succes, want zoodra waren ze niet in vrijheid, of ze begon nen bij vernieuwing, zelfs op de straat werden ze 's avonds uit de een of andere stad verbannen, ze kwamen den volgenden morgen de poorten weêr binnen. Resoluties en plakkaten, lang niet malsch, werden tegen hen genomen en uitgevaardigd. Zoo o.a. door de Staten van Friesland (20 Febr. 1662), waarbij bevolen werd, dat een „per soon, bevonden zijnde, een Sociniaan, Quaker ofte Dompelaer (Doopsgezinde) te wezen, voor vijf jaren naar het tuchthuis moest worden gezonden, Zelfs werd uitge loofd een premie van „vijff en twintich golden Friesche rijders" voor 't aanwijzen van zoodanigen persoon, die door den pre dikant ter plaatse, ten overstaan van den schout of magistraat, bevonden werd met de Sociniaansche, Quakers ofte Dompe laars-dwalingen besmet te zijn. In 1655 waren de eerste Kwakers van uit Engeland over Vlissingen in ons land gekomen, die daar ter plaatse en te Mid delburg beweging en opschudding genoeg veroorzaakten. In de eerste jaren kwamen er gedurig meer, o.a. zekere William Ames, die zich Yooral ophield te Amsterdam en daar de vrijheid nam, een propagandageschrift te plakken op de deur der Eugelsche kerk, wat hem bannissement bezorgde. Binnen 24 uren Amsterdam uit, zoo luidde het vonnis. Doch onze Kwaker had daar wei nig of geen zin in, en bleef rondloopen, tot hij door den sterken arm der justitie onder scherpe dreigementen ter Reguliers- poorte werd uitgeleid. De anderen morgen liep hij weêr over den Dam. „Daar heb je dien kwaker al weer'. zei een der heeren van den ma gistraat, toen hij hem van uit de vensters van het stadhuis daar op den Dam zag kuieren; „wat sehoone gelegenheid als we een martelaar van hem zouden'willen maken". Den magistraat was echter zoo verstan dig den kwaker te laten loopen. Weldra zat hij te Rotterdam. Daar ging het met veel beter. Toch werden ook hier de vergaderingen oogluikend toegelaten. Licht kan men bövroGdcn dat dcrgclijkf* vreemdsoortige samenkomsten, waarin de voorgangers, bevend over het geheele lichaam, naar den trant der secte, hunne profetiën uitgalmden en de eene of andere aanwezige eensklaps opstond en woorden Het werkwoord is afgeleid van het Engel- sche »toquake", dat schudden of bewegen beteekent. Er zijn ook nog wel andere, hoewel pinder aannemelijke naamsafleidingen. prevelde zonder slot of zin, niet alleen den lach- en spotlust, maar ook de ergernis van het straatpubliek opwekten, zoowel in de steden als op het platteland. Zoo lazen we van een dergelijk tooneel te Moordrecht bij Gouda, waar een van Arnes bekeerlingen, de kuiper Marten Martenz, een kleinen kring van kwakers- -vrienden rond zich had weten te verza melen, en van wege de onderlinge bijeen komsten te zijnen huize „dickwijls swaren aanstoot door het ruwe volck lijden moest." Nog erger Werd het toen Ames zelf naar Moordrecht overgekomen, de broeders bezocht en hunne bijeenkomst leidde. Het geheele dorp liep uit om den vreemd- soortigen Engelschen kwaker te zien. De menigte verzamelde zich voor het huis van den kuiper en begon te razen en te tieren. Toen de dienst afgeloopen was en onze kwaker voorganger buiten kwam, had men het lieve leventje gaande. Onder het geschreeuw van „kwaak, kwaak, kwaak" en het werpen van steenen en kluiten deed men den man uitgeleide naar het Gouderaksche veer, zoodat de predikant te Gouderak uit zijne stille pastorie op Ames kwam toeloopen en hem verwonderd vroeg, wat er toch gaande was. Alles behalve vriendelijk zei de kwaker„het schijnt, dat het volk hier niet beter geleerd is", waarop Z. Weleerw., evenmin op zijn mondje gevallen, hem toesnauwde„je bent een verleidende wolf". Den dag na den oploop werd de „ver leidende wolf" door 's dijkgraafs d enders gearresteerd en naar het dolhuis te Rotter dam gebracht, waar hij een paar dagen over het gebeurde kon mediteeren. 8 Januari 1906. De geboorte van het Kabinet. Het is nu duidelijk gebleken, dat ook de vrijzinnig-democraten niet verantwoor delijk willen zijn voor het ministerie-De Meester. De heer Goeman Borgesius had in de Zutphensche Ct. wei door zeer behendig gestelde vragen het zóó voorgesteld, alsof hij van de hulp der radicalen zeker ware geweestmaar juist het omgekeerde is waarhij was er niet zeker van. De feiten zijn nu zoo Er zitten in de Kamer 52 linksche leden De zeven socialisten zeggen wij hebben met het ministerie niets te makenwe hebben er geen verantwoordelijkheid voor. De tien oud-liberalen verklaren precies hetzelfde. De elf vrijzinnig-democraten, dito, dito. 7 10 -t- 11 28. Niet minder dan 28 man moeten dus van de „meerderheid" waarop het Kabinet dan zou moeten steu nen, worden afgetrokken. Blijven dus over 24 Unie-liberalen. Steunt alleen op deze groep het Kabinet Jaer is geen ander antwoord denkbaar. Maar dan zal men toch óók moeilijk een woord kunnen vinden om de misleiding uit te spreken, door de heeren van links jegens ons volk gepleegd. Het is een kras staaltje van volksbe driegerij, dat we in deze historie aan het licht zien komen. Nog nooit zijn de kiezers zóó beetge nomen. De vraag begint te klemmen, of dit ministerie maar niet liever zou heengaan 't Steunt op onwaarheid. Een vrijzinnig toongevend blad vertolkt de verhouding van het vrijzinnig beginsel tegenover de rechten der Króón in deze woorden „Een snelle afdoening van staatszaken is belangrijker dan een academisch debat over schenning van de prerogatieven der Kroon". Het is Het Vaderland die 't zei. Van vrijzinnige zijde zagen wij tegen deze uitspraak nog geen protest uitgaan. Wij hebben derhalve het recht te vragen of dat nu is een stukje „practyk der vrij zinnigheid" en of dat nu in beginsel veel of weinig verschilt van het bedrijf der revolutionairen in andere landen, die zich kanten tegen het wettig gezag van hun Vorst In spijt van de woningwet en van een eindeloos toezicht op alles en nog wat, in spijt van ontwikkelde bouwkunde en een breeder begrip omtrent de eischen van goede woningen, zakten daar, in de laatste dagen, een paar gevels van in aanbouw zijnde huizen met donderend gedruisch en omringd door ondoordring bare stofwolken, in. Aan ethische en sociale eischen moet een huis voldoen, zegt men, en terecht. Maar hooger staat toch zeker nog de eisch dat het voldoe aan de eischen van stevigheid en deugdelijkheid. De muren zakken in, maar de plaat selijke bladen zeggen, onder de werking van vorst en dooi. Welke muren, zou men geneigd zijn te vragen Het is opmerkelijk, dat de ontevreden heid volstrekt niet alleen, ja niet het ergst in de minder gegoede klassen bestaat. Zelfmoorden, die toch zeker wel het sterkste bewijs zijn van levenszatheid komen in verhouding het meest voor in den gegoeden of beteren stand. Gouverneur Idenburg heeft zijn nieuwe loopbaan ingezet met een circulaire aan de hoofden der departementen van onze West, waarin hij opkomt tegen een on eerbaren wandel, vooral van de ambte naren, met name het concubinaat, dat wil zeggen het buitenechtelijk leven als man en vrouw, dus in openbaar overspel. De gouverneur legt er den nadruk op dat hij niet verlangt dat men in de per soonlijke en huiselijke aangelegenheden van sollicitanten naar de verschillende staatsambten zal onderzoeken, maar wel dat zijn aandacht zal gevestigd worden op algemeen bekende feiten, openbaar aan stoot gevend, oneerbaar gedrag, en een wandel die de achtingaan het ambt ver schuldigd zou verminderen. De middelmoot uit deze circulaire druk ken wij alsnog af Waar, zooals mij gebleken is, naar sommiger meening, het openlijk leven in concubinaat zich wel verdraagt met een eerbaren levens wandel, acht ik het noodig te dezen opzichte van mijn tegenovergesteld gevoelen te doen blijkenhet concubinaat wordt door mij uit zedelijk en uit maatschappelijk oogpunt be schouwd als een kwaad. Reeds heeft De Surinamer instemming betuigd met de circulaire, die de „steeds voortwoekerende onzedelijkheid brand merkt, een „historischegebeurtenis", waar van zij „een machtigen invloed ten goede" verwacht. De circulaire teekent den flinken,Christe- lijken bewindsman. De Zitider-Kerkbode wijst in haar laatste nommer op de voortgaande ontdekkingen uit de oude wereld in Egypte, en weet mede te deelen dat een Amerikaansch geleerde Davis voor korten tijd een koning- schat heeft gevonden vermoedelijk uit de jaren 1550 tot 1400 vóór Christus. Die koningschat werd gevonden in graven, gehouwen in een rots en bevatte vooral gouden voorwerpen. Men vond er met goud overtrokken doodkisten, gouden staven, en vele voorwerpen zwaar ver guld. Voorts kunstig bewerkte vazen van albast, wijn- en oliekruiken, een leunstel, een rijtuig veor twee personen zelfs. Het hieroglyphen- of spijkerschrift verhaalt aan de onderzoekers de geschiedenis der dagen van de wording van deze kostbare kunstvoorwerpen. Drie en dertig eeuwen zijn ze oud, en dus verouderd. Ook de geschiedenis die met haar samen valt is zoo verre verwijderd van ons leven dat ze ons maar zeer weinig meer inte resseeren kan. In ons vorig no. wezen wij op de aan vankelijk verkregen vrijheid van Kerk en Wetenschap en School, eene vrijheid waar toe op bepaalde tijdstippen, het zij tot hunne eer gezegd, ook vrijzinnigen hebben medegewerkt. Gansch anders staat het in Frankrijk. Daar zijn de vrijzinnigen alles behalve vrijheidlievend gebleken. De wet tegen de kloosters en congre gatiën zal daar ten allen tijde van getuigen. Deze wet gaat ook in tegen de vrijheid der kerk, welke zij op een lijn plaatst met bijvoorbeeld een spoit- of kegelclub. Bij de toepassing dezer wet blijkt thans dat zij nog verder gaat. De heer Huizinga wees er dezer dagen in Patrimonium op dat op het jongst gehouden Internationaal Congres van Ohr. Textielarbeiders te Luik de Chr. werklieden uit Frankrijk, schoon uitgenoodigd, niet konden tegenwoordig zijn, dewijl de kloosterwet aan alle werk- liedenvereenigingen verbiedt zich officieel Godsdienstig belijdend te noemen en deel te nemen aan vergaderingen van Christe lijke werklieden. Ziedaar de vrijheid der Fransche vrij zinnigheid. De Nederlandsche vrijzinnigheid is, ge lukkig, nog niet zoo ver afgezakt. Maar wie, die de Kamerdebatten en ver- kiezingsspeeohes in het vorige jaar gevolgd heeft, heeft niet het hart vastgehouden van vrees en ergernis wanneer hij vernam hoe weinig de hedendaagsohe vrijzinnigen ten onzent voor de vrijheid voelenHunne vrijheid, zooals zij die ons gunnen, om het even of men Yan Houten of Troelstra hoort, heeft veel meer van dwang. Aan een schrijven omtrent de expeditie naar Goa, Zuid Celebes, ontleenen wij uit het B. N. het volgende dat betrekking heeft op de gevangenneming van den vorst van Boni. Reeds dagen lang waren de marechaussée op het pad, door het hooggebergte met gid sen, die den troep steeds verkeerd brachten. In den morgen van den 18 November be reikte de colonne Eilers de ladang Lalmiks, waar zich, volgens spionnenberichten, Papa- wawoog zou ophouden. Men vond evenwel niets, ook bij het onderzoek der hutjes, welke zich op de ladang bevonden. Men marcheerde dus maar weer verder, tot te ongeveer n uur een tweede ladang werd bereikt, waarop zich enkele personen bevonden. De medegenomen tolk riep ze aan, waarop een tweetal hunner bij de colonne kwam. Zij deelden mede, dat dienzelfden morgen, te 7 uur, de vorst van Boni met eenig ge volg voorbij was getrokken. Hoewel de geheele troep uiterst vermoeid en de etensvoorraad bijna op was, aarzelde luitenant Eilers geen oogenblik de vervolging door te zetten. Een der ladangbewoners werd als gids medegenomen, terwijl de spits onder commando stond van den Europeeschen ser geant Marks, (zie ons no. van j.l. Vrijdag. Red. Z.) Op het smalle boschpad, dat nu gevolgd werd, zag men ai spoedig sporen, die wezen, dat men op den goeden weg was. Hier en daar vond men veeren van een geplukte kip, terwijl het pad hier en daar een weinig was uitgekapt. De weg steeg voortdurend in het oerwoud, totdat men, na bijna 2'/2 uur, on verwachts, op pl.m. 15 meter vóór zich, op een groot rotsblok vijf personen zag. Vier hunner zaten en hadden hun geweren achter zich gezet, terwijl de vijfde, met het geweer i» de hand, op schildwacht stond. De ma rechaussee ziende naderen, gingen vier der wachten (want het was blijkbaar een wacht tot beveiliging van 's vorsten verblijfplaats) met achterlating hunner geweren op de vlucht. De schildwacht vuurde op de naderenden, doch werd door den sergeant Marks neerge schoten. De vluchtenden werden oogenblikkelijk ver volgd, tot, op een zeker punt, luitenant Eilers met een paar maréchaussées rechts af boog, terwijl sergeant Marks met een paar anderen doorging. De rimboe binnengedrongen, stond ■■■iiMiiiiiiii—M e luitenant Eilers plotseling op ongeveer 20 meter van een groepje personen. Een van hen, met een repeteergeweer gewapend, stond onder een boom, en loste een viertal schoten op de nade renden. Die schutter was de poenggawa (Kroon prins Red.) De maréchaussees, met luitenant Eilers aan het hoofd, waren onder dit vuur doorgeloopen, tot op ongeveer vijf passen afstand de Amboi- neesche marechaussee Hetarhie aan dien wan- hopigen tegenstand een einde maakte en den poenggawa door het hart schoot. De poenggawa viel en was bijna oogenblik kelijk een lijk. Van de overigen die trachtten te vluchten, viel er hier en daar nog een. Alleen drie vrouwen bleven staan bij het lijk van den poenggawa. Onder haar was de vrouw van den poenggawa. Men liet haar bewaken en zette de vervolging voort. Terwijl luitenant Eilers aldus het gevolg van den vorst vernietigde, was de sergeant Marks met een paar maréchaussées een andere rich ting ingeslagen, waarheen hij personen zag vluchten. De Amboineesche maréchaussee Manupatij zag op zeker oogenblik, hoe eenige dragers iets neerwierpen achter een boom. Door het dichtte struikgewas niet duidelijk onderscheidende, naderde hij behoedzaam, en vond achter dien boom, met een kain bedekt, een menschelijke gedaante. Voorzichtig tilde hij met den loop v.an zijn karabijn, die kain op, toen hem, door den verscholene werd toegeroepen „Djangan passang. Saja radja Boni". Toen weerklonk door het oerwoud een, door alle maréchaussées aangeheven vreugdekreet Eindelijk had men hem dan, en was het groote vraagteeken hier weggevaagd van de kaart. Het bleek dat de vorst, gedragen in een soort raam, bij d'e overhaaste vlucht door de dragers daar was neergeworpen. Men verzamelde nu den troep en de gevan genen, en mahkte, zoo goed dit ging, hutjes voor allen. Bij dit alles was het langzamerhand avond geworden, toen de vorst mededeelde, dat het pas een maand geleden geboren kind van den poenggawa door de vrouw, die dit wicht op paste, bij de algemeene vlucht was meege nomen de rimboe in. Hij verzocht voor de vrouw van den poenggawa, dat men dit kind zou laten zoeken. Hiertoe werd vergunning verleend. Een paar medegenomen vrije dragers vroegen nu aan den vorst de namen van kind en baboe, en trokken mede met sergeant Marks en een paar maréchaussées. Hoe de dragers ook beide namen uitschreeuwden en riepen, men zag niets, tot eensklaps een oud man, gewapend met een lans, kwam opdagen. Men nam hem gevangen en voerde hem naar het bivak, waar het bleek, dat hij een oud dienaar van den vorst was. Dien avond nog bracht men het lijk van den poenggawa bij de verblijfplaats van den vorst, naast diens hutje delfde men het graf voor zijn zoon. Zoo begroef men den poenggawa, en de oude vorst zei alleen„Allah poenja mahoe". Den volgenden dag werd de terugtocht aan vaard, nadat zoowel voor den vorst als voor de vrouwen tandoe's waren gemaakt. Ook op dien terugweg stelde men nog pogin gen in het werk, om het kind van den poenggawa op te sporen, evenwel zonder gevolg. Op den verderen weg naar Paré-Paré wilde de vorst, wanneer hij uit of in den draagstoel moest, alleen door sergeant Marks worden ge holpen. Als gedachtenis schonk hij dien sergeant een gouden ring. Per -Assahan" naar Makassar overgevoerd, arriveerde hij daar den 2gen November, te 11 uur v.m Met hem waren overgekomen de luitenant Eilers, sergeant Marks en een twintig tal maréchaussées. Al geiuimen tijd vóór de aankomst der »As- sahan" wemelde het in den omtrek van het marinehoofd van toeschouwers. Amateur-pho- tographen liepen met hun toestel rond, om bijtijds een goede plaats machtig te worden. De vorst was gezeten op een stoel, waaraan twee draagstokken waren bevestigd. Hij droeg een geel jasje en had een eenvoudig songko op het hoofd. Gedragen tusschen al die nieuws gierigen, de magere beenen gekruist onder het lichaam, lag op dat oude hoofd, waaruit de groote oogen strak voor zich uitstaarden, nog altijd de majesteit van den heerscher. Achter hem liepen de vrouwelijke gevangenen, het aangezicht in den sarong gehuld. Zij werden begeleid door resident Brugman. Gekomen vóór het gereedstaande rijtuig, nam sergeant Marks den ouden vorst op den rug en droeg hem naar binnen. Luitenant Eilers en de commandant der »Assahan" namen in

Krantenbank Zeeland

De Zeeuw. Christelijk-historisch nieuwsblad voor Zeeland | 1906 | | pagina 1