ALGEMEEN NIEUWS- EN APVERTENTIEBLAD VOOR ZEEUWSCH-VLAANDEREN. Eerste Blad. Medezeggenschap. HEERENBAA1 No. 8735 VRIJDAG 18 SEPTEMBER 1931 71e Jaargang. BINNENLAND. Onze abonne's in het Buitenland H.H. Kantoorhouders DE UITGEEFSTER. De abonne's van het Gei'llustreerd Zondagsblad, DRAlSlfcAvANVMKENBURG'S-* .-,1 FVFRTttAAir- 20-50 ct. perons^ cAteUuitye* van rijpc- JSEU ABONNEMENTSPRIJS: Binnen Ter Neuzen 1,40 per 3 maanden Buiten Ter Neuzen fr per post 1,80 per 3 maanden Bij voor uitbetaling fr. per post f 6,60 per jaar Voor Belgie en Amerika 2,25, overige lan den 2,60 per 3 maanden fr. per post Abonnementen Voor het buitenland alleen bij vooruitbetaling. Uitgeefster: Firma P. J. VAN DE SANDE. GIRO 38150 - TELEFOON No. 25. ADVERTENTIeN: Van 1 tot 4 regels /0,80 Voor elken regel meer 0,20 Grootere letters en cliches worden naar plaatsruimte berekend. Handelsadvertentien bij regelabonnement te gen vermlnderd tanef, he we op verkrijgbaar is. - Inzending van advertentien liefst een dag voor de u.tgave. DIT BEAD VERSCHIJNT IEDEREN MAANDAG-, WOENSDAG- en VRIJDAGAVOND. worden dringend verzocht, het verschul- j digde abonnementsgeld voor 15 Oct. a.s. in te zenden. Bij niet-ontvangst voor dien datum wordt het abonnement gestaakt. j Abonnementen voor het buitenland worden slechts aangenomen bij vooruit- betalinq. DE UITGEEFSTER. worden verzocht het abonnementsgeld over het 3e kwartaal 1931 van de Ter Neuzensche Courant voor 1 Oct. a.s. in te zenden. Wij vestigen er de aandacht van onze abonne's op, dat wij bij terug-ontvangst van eene onbetaalde kwitantie, onmiddel- lijk de toezending van het blad zullen cto U pri die het blad per post ontvangen, wor den verzocht, hun abonnementsgeld voor 1 Oct. a.s. in te zenden daar er anders over beschikt wordt met verhooging van 15 cent. DE UITGEEFSTER. Bij de behandeling van de begrooting voor 1927 in den Gemeenteraad van Am sterdam, heeft de heer Van Meurs een motie voorgesteld, waarbij B. en W. van onze hoofdstad werden uitgenoodigd om een onderzoek in te stellen naar de wen- schelijkheid en de mogelijkheid om aan het personeel in dienst van de gemeente medezeggenschap te verleenen. Dit was natuurlijk maar niet een motie zonder meer, waarbij de strekking van den voor- steller de vraag, nog in het midden liet, of er misschien op den duur iets van een dergelijke medezeggenschap zou moeten of kunnen terechtkomen, neen, de voor- steller noemde tal van argumenten, die ook reeds door hem waren medegedeeld en gepubliceerd in zijn in hetzelfde jaar over dit onderwerp verschenen studie. Twee jaar later hebben B. en W. van Amsterdam een commissie ingesteld om dit vraagstuk te onderzoeken, van welke commissie zes raadsleden, drie profes- soren, zes vakvereenigingsbestuurders, twee vertegenwoordigers van particuliere bedrijven en drie vertegenwoordigers van gemeentebedrijven met twee ambtenaren der afdeeling Arbeidszaken ter secretarie deel uitmaakten. Dit rapport is nu ver schenen en Mr. Dr. J. H. van Zanten deelt in No. 8 van den 11 den jaargang van het maandschrift ,,Gemeentebestuur" mede, hoe de voorstellen, die deze groote commissie doch, ondanks haar toch wel zeer bonte samenstelling, de gedachten weergeven van den man, die tot de instel- ling van deze commissie den stoot had gegeven. Men zou bijna tot de conclusie komen zoo schreef de heer Van Zan ten een beetje ondeugend dat derge lijke commissies overbodig zijn, en dat dit stadium dus gerust kan worden overge- slagen. Maar wat nog veel merkwaardiger is, is dit (waar terecht door Mr. Van Zan ten de vinger bij is gelegd), dat deze commissie heelemaal niet komt met het voorstel om nu tot invoering van deze medezeggenschap over te gaan, en dat zij zelfs ook hierin geheel de denkbeelden van den heer Van Meurs heeft overge- nomen. De schrijver van het door ons reeds genoemde artikel merkt daarbij dan nog op, dat op deze wijze wordt voort- gegaan op den weg van den schoonen schijn, waarbij de werkelijkheid wordt gecamoufleerd, een verschijnsel, dat helaas hoe langer hoe meer gebruikelijk begint te worden bij de oplossing van al- lerlei maatschappelijke vraagstukken. Voor de verschillende stadia, waarin aan een arbeider eenige invloed kan wor den toegekend in het bedrijf, waarin hij werkzaam is, heeft onze taal allerlei woorden en uitdrukkingen, die nogal uit- eenloopen. Men kan spreken van een ,,gehoord worden of van ,,advies geven", of van ,,overleg plegen", of maar dan zijn wij toch wel zoowat bij den hoogstem trap van invloed 1 van een uitoefenen van medezeggenschap. Men kan nu wel dadelijk dit groote woord ge- brudken en de menschen lekker maken door aanstonds en in alle gevallen van medezeggenschap te gaan spreken, maar op die wijze zal men toch den arbeider slechts suggereere-n, dat hij iets bereikt, waarvoor hij jarenlang bij optochten en op meetings heeft betoogd, maar het zou j eerlijker erf waarschijnlijk toch ook wel beter zijn om de menschen niet te paaien j met een schijn, die straks zal blijken vrij- jj wel ijdel en leeg te zijn. Indien men, zoo is er door Mr. Van Zanten opgemerkt, zich zou willen hou- den aan de werkelijke beteekenis van de woorden, dan is er alle reden om aan te nemen, dat de Amsterdamsche commis sie het inderdaad niet gewenscht acht, dat het personeel der bedrijven mede te zeggen zal krijgen. Wat men dan wel wil Wij zouden drieerlei terrein kunnen onderscheiden, waarop van medezeggenschap sprake kan zijn: vooreerst zijn daar de arbeids- en dienstvoorwaarden; in de tweede plaats zijn er de omstandigheden, waaronder, en de wijze waarop ambtenaren en be- ambten (werklieden) hun arbeid verrich- ten, en in de derde plaats is daar dan het beheer en de leiding van het bedrijf. Iedereen weet, dat te Amsterdam en ook in allerlei andere gemeenten het per soneel door de vorming van een apart be- stuursorgaan op dat eerstgenoemde ter rein de medezeggenschap reeds bezit. Maar wat nu de beide andere punten be- treft, is de Amsterdamsche commissie tot het inzicht gekomen, dat men zich daar, in tegenstelling met arbeids- en dienst voorwaarden, zou moeten beperken tot het geven van advies. Vooral heeft men gevoeld, dat in zeer veel gevallen onmiddellijke beslissingen genomen moeten worden, en dat door medezeggenschap dan de geregelde gang van het bedrijf wel zeer bemoeilijkt zou kunnen worden. Daar kwam nog bij, dat men wel inzag, dat een goed advies door directie of directeur wel steeds zou wor den gevolgd, en ook voelde men, dat men door hier (op het tweede en derde gebied) medezeggenschap toe te staan, zou krij gen een te zeer gedeelde verantwoorde- lijkheid. Wij hebben al jaren geleden een patroon, die goed ,,ibij" was, en die ook heelemaal niet bang was voor nieuwe in- zichten en ruimhartige opvattingen, eens I hooren zeggen: Indien mijn arbeiders medezeggenschap eischen, is mij dat goed: ik wil hun die geven, en hen ook laten deelen in de winsten, mits zij zich dan ook verbinden tot een mededragen van de verliezen" Wij zouden zeggen: wat die eene man daar uitdrukte, is nu ook door de Amsterdamsche commissie gevoeld en toegestemd, zij het dan ook, dat het daar niet zoo onomwonden werd uitgesproken. Dat het jammer is, dat het personeel in het beheer en de leiding van een bepaald bedrijf niets heeft mee te spreken men kan daar wel inkomen. De voorstanders van de medezeggenschap wijzen er op, hoe het personeel thans geen voile vol- doening kan hebben van zijn werk, en dat er nu geen kleur en inhoud aan zijn leven is gegeven, omdat men niet voelt, dat men in het bedrijf een werkelijke plaats in- neemt. Maar tegenover dit en andere argumenten van de voorstanders der medezeggenschap stelden de tegenstan- ders een heele reeks bezwaren, die van sterk practischen aard waren. Zoo werd er opgemerkt, dat men dan niet alleen op het belang van het personeel, maar ook op andere belangen, bij voorbeeld die der verbruikers zou moeten gaan letten. Men was huiverig om de in het staatsleven doorgedrongen democratic zoo-maar zon- der-meer op het bedrijfsleven over te brengen; men meende, dat de bezwaren, die de medezeggenschap in het particu liere bedrijf reeds met zich bracht voor gezag, eigendom en risico, in 't gemeente- bedrijf nog veel sterker zouden gelden. En men meende ook, dat het geplaatst worden voor moeilijke vraagstukken, die grootendeels boven zijn bevatting zouden gaan, bij het personeel de arbeidsvreugde nu niet bepaald zou vermeerderen. De bekwaamheid daartoe zou bij de meesten ontbreken. Wie nu meent, dat deze bezwaren door de tegenstanders (dat wil dan zeg gen: door de voorstanders der medezeg genschap) sterk zouden zijn bestreden, wordt bij de lezing1 van het rapport teleur- gesteld. Veeleer kan worden gezegd, dat men deze argumenten en bezwaren nog wat heeft bevestigd. Men gaf toe: alien waren niet even bekwaam, en zeker zou den niet al de leden van het personeel elk vraagstuk, dat zich voordeed, tech- nisch en commercieel volkomen kunnen beheerschen. Er zou een vertegenwoor- digend stelsel, waardoor de meest be- kwamen en gescbikten werden aange- wezen, moeten worden ingevoerd. Zon der dat verder een enkele reden daar- voor werd vermeld, werd de echte mede zeggenschap dus afgewezen. Ook zag men wel heel goed in, dat een eenvoudige optelling van al de adviezen, die door de verschillende personeelgroepen werden gegeven, onmogelijk tot een doeltreffend resultaat zou leiden. Dit gold dan zoo- wel voor de interne als voor de meer in terne aangelegenheden, en toen maar eenmaal het woordje advies" was ge- noemd, toen werd men het gemakkelijker eens en konden zelfs de tegenstanders van de werkelijke medezeggenschap hun zegen geven op het rapport. - Conclusie: men noemt nu medezeggen schap wat inderdaad geen medezeggen schap is. Men is zelfs zoo ver gegaan om voor te stellen, dat de leden van de com missie van advies noch direct noch in direct in gemeentedienst zouden mogen zijn, maar toch heeft Mr. Van Zanten geen ongelijk, als hij vraagt, of er nu nog iemand zal zijn, die in ernst meent, dat een tramconducteur, een ovenwerker in de ,,Lichtfabrieken" of een vuilnisophaler voortaan met meer vreugde hun werk zul len doen, als zij er zeker van mogen zijn, dat dank zij de jaren lang gevoerde actie voor medezeggenschap" straks een of ander willekeurig vakvereenigingsleider mee zijn oordeel mag zeggen over de kwestie of het tramtarief 10 of 7]/^ cent moet zijn, of er een tramhalte of vlucht- heuvel moet worden verplaatst, of de ta- rieven voor gas of electriciteit, zooals die nu bij vastrecht worden bepaald, billijk zijn, of dat vuilverbranding aanbeveling verdientMen heeft schrijft Mr. Van Zanten alleen maar willen bereiken, dat er in de Commissie van Bijstand" iemand zitten krijgt, die de arbeiders- mentaliteit heeft of begrijpt. Wat nu de werkwijze zelf betreft, ten deze zullen de reeds bestaande ,,Veilig- heidscommissies" dienst doen. Deze zul len dan niet alleen de veiligheid, maar heel den arbeid overzien. Maar weer kunnen wij Mr. Van Zanten geen onge lijk geven, waar hij meent, dat dit vaak ,,wijsheid uit de tweede of derde hand" zal zijn. Gevraagd moet daarom worden: be- staat nu eigenlijk dit mede-spreken, deze wijze van adviseeren, in elk goed bedrijf al niet lang Zou een goed directeur niet elken dag een bespreking hebben (ge- wild of onofficieelmet zijn chefs Zou den die chefs dat weer niet op hun beurt doen met de mannetjes onder hen, enz. enz. Zou, vraagt Mr. Van Zanten met andere woorden, maar met denzelfden inhoud als wij het hier doen: zou arbeids vreugde, die zeker een heel belangrijke factor kan zijn in onze maatschappij, niet het meeste worden bevorderd, als de werkman werkt, dat hij gelegenheid heeft zijn meening te zeggen over de dingen, waarvan hij zeker verstand heeft, en dat daarop dus wordt gelet, en ook eens aan zijn aanwijzingen gehoor wordt ver- leend? ,,Officieel gedoe in een commis sie, waar ondeskundigen op sociale pun- ten meeningen moeten uiten" is dan ge heel overbodig. En dus is nu wel ge- bleken, dat medezeggenschap, zooals die wordt geeischt en beloofd, een groot woord is. Men zou goed doen om voort aan die eene vlag in de optochten maar op te rollen en nog liever haar thuis te laten. Er blijven toch altijd nog genoeg verlan- gens op het lijstje over! DE STAATSBEGROOTING VOOR 1932. Ten vervolge en ter nadere toelichting van hetgeen daaromtrent reeds in ons vorig num- mer is vermeld, ontleenen wij het volgende aan de memorie van toelichting van den Mi nister van Financien: De ernstige depressie, welke op het oogen- blik in de geheele wereld woedt, heeft, zoo als vanzelf spreekt, haar invloed doen ge- voelen ook op de raming der middelen voor- het jaar 1932. De geheele middelenraming blijft voor het aanstaande jaar ruim 63 millioen achter bij die van 1931, zooals deze luidde na de ver hooging van den gedistilleerd-accijns. Naast de opbrengst van de Rijksmiddelen moest ook die van de Gemeentefondsbelasting lager worden uitgetrokken. Hierdoor steeg de Rrjksuitkeering aan het gemeentefonds met 7.5 millioen, waarbij nog komt een ge- 1 raamd tekort van f 5 millioen van de begroo ting voor 1931. Alleen reeds ten gevolge van het terug- loopen der gezamenlijke inkomsten ontstond derhalve een tekort van rond 75 millioen. LEEUWARDEN- (Ingez. Med.) ECHTE FRIESCHE (Ingez. Med.) Overbrugging van het tekort. Teneinde het zeer groote tekort van /75 millioen te overbruggen, heeft de Regeering in de eerste plaats zich berjverd, op de uit- gaven, voor zoover dat kan geschieden zon der vitale belangen te schaden, aanzienlijke besnoeiingen aan te brengen. Reductie bydrage Invaliditeits fonds. - Vertraagde vlootbouw. Opschorting inpoldering Zui derzee. Zooals uit de afzonderlijke begrootingen zal blijken, is het hierdoor gelukt, alle hoofdstuk- ken der Rijksbegrooting beneden het eindcij- fer van het loopende jaar te hcruden, sommi- ge zelfs in zeer aanzienlijke mate. Alleen hoofdstuk VIIB moest, voornamelijk tenge- volge van de reeds genoemde hoogere uitkee- ring aan de gemeenten ingevolge de wet van 15 Juli 1929 (Staatsblad no. 388), welke op haar beurt weer een gevolg was van de lagere raming van de opbrengst der gemeentefonds belasting, tot een hooger bedrag worden uit getrokken. Hiertegenover staan echter een nog grootere daling van het eindcijfer van hoofdstuk VIIA, welke mogelijk geworden was o.a. door de aflossing van het deel der leening 1919, dat nog op den normalen dienst drukte, en door de voorgenomen conversie van de 6 pets, leening 1922. Het geheele hoofd stuk Financien is dientengevolge nog met f 2 millioen verlaagd kunnen worden. De begroo ting van Arbeid, Handel ei Nijverheid dankt haar verlaagd eindcijfer in hoofdzaak aan een tijdelijke reductie van de bijdrage aan het Invaliditeitsfonds, waarvoor tegelijk met deze nota een afzonderlijk wetsontwerp wordt in- gediend. De verlaging van hoofdstuk VIII is onder meer te danken aan een voorgenomen vertraging van den nieuwen bouw voor de vloot. De verlaagde raming van hoofdstuk IX vloeit voornamelijk voort uit een ook ove- rigens wenschelijk gebleken opschorting van de verdere Zuiderzee-inpolderingswerken. Die opschorting maakte het mogelijk de afschrij- ving van het verlies op de tot dusver tot stand gekomen werken in een langzamer tempo te doen geschieden dan aanvankelijk in de bedoeling lag. Voorts hebben ook de overige, hier niet genoemde, hoofdstukken belangrijke besparingen aangebracht, waar door niet alleen het natuurlijk accres hunner uitgaven is opgevangen, maar zij ook beneden het eindcijfer van het jaar 1931 zijn gebleven. Voor hoofdstuk VI, hetwelk een natuurlijk accres heeft, dat op wellicht f 4 millioen kan geschat worden, is zulks onder meer bereikt door reeds rekening te houden met de inwer- kingtreding op 1 Juli a.s. van het tegelijk met deze nota in te dienen wetsontwerp tot wijzi- ging van de Lageronderwijswet. De bovenbedoelde besnoeiingen hebben tot het resultaat geleid, dat het gezamenlijk eind cijfer rond 19 millioen lager is kunnen ge- ra/amd worden dan dat van het loopende jaar. Het tekort van 75 millioen is hierdoor ge- daald tot het bovenvermelde bedrag van 49 millioen. Het spreekt vanzelf, dat ook met een der- gelijk tekort niet in zee kon worden gegaan. De middelen zijn, als gewoonlijk, geraamd aan de hand van de laatst bekende inkom sten en laten dus, waar de economische de pressie nog allerminst teekenen van verbete- ring toont', eer voor tegenvallers, dan voor meevallers plaats. De uitgaven zijn om tot de hoofdzakelijke besparing te komen, scherp geraamd moeten worden, zoodat in menig opzicht, maar een eertijds in 6en der gemeen ten gangbaren term, van een „uitgebeende begrooting" zou kunnen worden gesproken. Het geraamde tekort zou mitsdien zeer reeel blijken. En daar vooral met het oog op de onrustbarende stijging van de buiten die begrooting gehouden „crisisuitgaven" het be- waren van het financieel evenwicht op den normalen dienst meer dan ooit geboden is, ligt het voor de hand, dat naast de bovenbe doelde besparingen andere maatregeien moes- ten worden genomen. Salariskorting met 1 Januari 1932. E6n daarvan betrof een verdere beperking der uitgaven. Als zoodanig heeft de Regeering besloten, tot een, met 1 Januari a.s. ingaande korting op de salarissen. De overweging, dat een zeer groot deel van de bevolking in dezen tijd in inkomsten is achteruitgegaan en bovendien nog zeer on- zeker is van de inkomsten, die het voorshands zijn overgebleven, alsmede de omstandigheid, dat het indexcijfer sinds de laatste vaststel- ling van de wedden met 7 k 8 pet. is gedaald, heeft al kan in geen dezer beide feiten op zich zelf natuurlijk een reden tot salariskor ting gezien worden het wel redelijk doen achten, dat, nu een aanzienlijke beperking der uitgaven volstrekt geboden is, ook de wedderegeling hiertoe in bescheiden mate bij- draagt. In het voornemen ligt een korting van 5 pet., onder aanbrenging van de volgende vier verzachtingen le Zal zekere degressie worden toegepast in dier voege, dat van de eerste 1000 van alle wedden slechts 2% pet. zal worden ge- kort en van de volgende 1000 van alle wed den van gehuwden eveneens slechts 2V2 pet. 2e. Zal de pensioengrondslag op het oude bedrag worden gehandhaafd, zoodat de pen- sioenen van de weddekorting geen nadeel zullen ondervinden. 3e. Zal de korting tijdelijk zijn, in dien zin, dat zij, indien zij niet te voren door een nieuw besluit is opgeheven of gewijzigd, na drie jaar automatisch vervalt; 4e. Zullen de kindertoelagen aan de kor ting worden onttrokken en dus op 3 pet. van de vigeerende wedden blijven bepaald. Door den voormelden maatregel zal het te kort tot ongeveer 42 millioen worden terug- gebracht. Verhooging tarief invoerrechten en invoering benzinebelasting. Naast de tot dusver besproken beperking der uitgaven zal voorts eenige versterking der middelen niet kunnen worden geweerd. Twee tegelijk met deze nota ingediende wets- ontwerpen voorzien daarin. Het eerste strekt tot een fiscale verhooging van het bestaande tarief van invoerrechten, waar bij het nor- male percentage van 8 op 10 wordt gebracht en in verband hiermede ook de meeste der afwijkende percentages een soortgelijke ver hooging ondergaan. Het tweede wetsontwerp strekt tot de invoering van een tijdelijke ben zinebelasting, waartoe speciaal aanleiding ge- vonden is in de enorme daling, welke de ben- zineprijs in Nederland, in onderscheiding met die in de omliggende landen, in den loop van het laatste jaar ondergaan heeft. Een heffing van f 4 per 100 K.G. als in het ontwerp voor gesteld, beteekent een verhooging van den prijs per Liter met ongeveer 3 cent. Zij zal gedurende drie jaar gelden en bij een vroeger prijsherstel kunnen worden ingetrokken. Ver- wezen moge overigens worden naar de Me morie van Toelichting op de beide bedoelde wetsontwerpen. De opbrengst van het eerst genoemde ontwerp wordt geraamd op 11 mil lioen gulden, die van het tweede ontwerp op rond 10.5 millioen gulden, zoodat het tekort hierdoor slinkt tot 20.5 millioen gulden. Ter overbrugging van dit laatstgenoemde tekort voor zoover het niet zal worden op gevangen door de bekende „toepassing" op de uitgaven, waarvan echter bij den huid- gen opzet der begrooting geen groot bedrag mag worden verwacht heeft de Regeering zich beraden, een zoodanig deel van het over- schot op het dienstjaar 1929, als financieel te verantwoorden is, aan den dienst van 1932 ten goede te schrijven. Ter toelichting van dit laatste herinnert da minister aan de inwerkingtreding met Jan. 1929 van de nieuwe comptabiliteitswet, vol- gens welke het overschot of het tekort, dat er op een bepaald dienstjaar is, overgebracht wordt op het dienstjaar dat onmiddellijk volgt op het jaar, waarin de rekening wordt opge- maakt van eerstvermeld jaar. Het wil de Re geering voorkomen, dat het in de huidige om standigheden verantwoord is, het voordeelig saldo over 1929 58.207.904,82) alsmede straks dat over 1930 althans gedeeltelijk ten goede te doen komen aan de bijbehooren- de dienstjaren 1932 en 1933. Dit sluit uiter- aard in, dat alsdan ook het, op dit oogenblik reeds vaststaande tekort over 1931 behoorte te drukken op het dienstjaar 1934. Reorganisatie van den Staats- dienst. De minister meent, dat deze opzet thans kan worden aanvaard .Eenig vertrouwen op een beter toekomst moet in het huidig tijds- gewricht wel de onmisbare laatste sluitpost blijven. Mocht dit vertrouwen ongegrond blij ken, dan zullen te zijner tijd nieuwe buiten- gewone maatregeien noodig zijn. De Regee ring hoopt, dat ook dan daarbij vitale belan gen zullen kunnen blijven gespaard. Zij is van zins, hiertoe het hare bij te dragen, door in deze jaren zoo krachtig mogelijk te streven naar een verdere reorganisatie van den Staatsdienst, waarmede, naar de minister destijds aantoonde, in het verleden reeds goede uitkomsten zijn bereikt, maar waarvan de mogelijkheden toch niet zijn uitgeput. „Wy rijden op het oogenblik economisch en fiseaal in een nevel." Minister de Geer besluit zijn uiteenzetting o.m. met: „Wij rijden op het oogenblik eco nomisch en fiseaal in een nevel, waarin niet al te ver vooruit kan worden gezien en waar in bij het schaarsche licht, dat ons gegeven is, voor veiligheid op den nabijzijnden weg zoo goed mogelijk dient te worden gewaakt. „Niet te hard rijden" zij daarbij de eerste eisch. De Regeering wil zich beijveren, zich hiernaar te gedragen, en zij doet een beroep op alien, die verantwoordelijkheid dragen, welke politieke of maatschappelijke idealen zij koesteren, haar daarin te steunen. Het is zoo juist, wat destijds door het orgaan van een strijdend vakverbond werd opgemerkt, dat het „een waan is te meenen, door machts- ontwikkeling alleen de maatschappij te kun nen verplichten, meer te geven dan ze heeft." De jongste geschiedenis van twee groote na- buurlanden levert er opnieuw het bewijs van. Stijging van de crisislasten, De minister wil dit betoog niet eindigen zonder er op te wijzen, dat de behoedzaam- heid, waartoe de daling der middelen maant,

Krantenbank Zeeland

Ter Neuzensche Courant. Algemeen Nieuws- en Advertentieblad voor Zeeuwsch-Vlaanderen / Neuzensche Courant ... (idem) / (Algemeen) nieuws en advertentieblad voor Zeeuwsch-Vlaanderen | 1931 | | pagina 1