2|DE STEM MIENEER FRITS VINDT ZAKELIJKHEID EEN ROT WOORD ZATERDAG IQ 7 JANUAR1198910 Zakelijkheid Monumenten Moedig Vijftigduizend Gezellig Potdomme Met verstand Risico's Lieftinck ZATERDAG JANUAR119891 >os èvendig, vol humor, soms zicht baar genietend van zijn herinneringen, vertelt dr. ir. Frits Philips (83) over zijn leven en zijn werk, zijn werk en zijn leven. Tijdens drie zittingen in de gehoor zaal van de Technische Universiteit Eindhoven roept hij beelden op van vader Anton en oom Gerard. Bou wers van het concern dat nu bijna honderd jaar be staat. Een eeuw die Frits Philips grotendeels zelf be leefde. Een boeiende geschiedenis, zeker als ze wordt verteld door iemand die haar in dubbel opzicht heeft meegemaakt. De verteller heeft er uiteraard zijn eigen kijk op. Het is niet dé geschiedenis. Frits Philips is een goedlachse man, die graag leuke en gezellige dingen ophaalt. Maar kom niet aan Philips, want dan kom je aan hém. Karl Marx Niet voor dank „Dat was na al die narigheid met de Duitse Verwalters nou precies waaraan wij géén behoefte hadden. Ik heb de man die het zou worden ook gezegd dat we hem precies zouden behandelen als we die Duitsers hadden gedaan". De benoe ming ging niet door. Lieftinck schreef hem later dat hij het telegram maar als niet verzonden moest beschouwen. „Heel sportief, vond ik dat. Dat maak je toch niet vaak mee met regeringen". De oorlog en vooral ook de periode van massale werkloosheid die daaraan vooraf was gegaan, hadden Frits Philips en zijn zwager Frans Otten, de toenma lige leider van het concern, tot nadenken gestemd over de doelstellingen van hun onderneming. "Moest het maken van zo veel mogelijk lampen en radio's ons le vensdoel zijn?". Die overpeinzingen leidden tot de for mulering van een maatschappelijke doel stelling in de statuten: in het belang van alle bij de onderneming betrokkenen diende gestreefd te worden naar een wel- vaartspolitiek op lange termijn en naar een zo groot mogelijke nuttige werkgele genheid. In 1983 is deze sociale paragraaf uit de Philips-statuten verdwenen. „Ik was daar erg kwaad over. Maar dat is de zo genaamde zakelijkheid van tegenwoor dig", schampert Philips. „Hoewel ik meen dat ingrijpen in een bedrijf hele maal niet met die doelstellingen in strijd behoeft te zijn". Frits Philips vindt het wezenlijk voor een onderneming dat de gewone mensen weten wat de leiding bezielt. Hijzelf liet als president-directeur enkele keren zo veel mogelijk personeel bijeen tromme len om hen daarover toe te spreken. „Als er iets aan een machine hapert, dan ha len ze er de ingenieur bij, de construc teur en nog meer van die deskundigen bij. Maar de vent die met die machine werkt, slaan ze over. En die weet precies waar 'm de kneep zit". In de vorm van het Evoluon, die etalage van elektronisch kunnen, heeft Frits Phi lips zijn eigen monument al opgericht. Twee andere projecten waarmee hij de eeuwigheid denkt in te gaan, staan nog in de steigers: de Stirling-motor en de tweede nationale luchthaven. Als vele jaren propageert Frits Philips de aanleg van een grote luchthaven in West-Brabant, tussen de Randstad en Antwerpen. Industrieel zal Nederland het niet kunnen redden tegen het Verre Oosten en China, denkt hij. „Onze toe komst ligt in het vervoer. En een steeds groter deel van het transport gaat door de lucht. Daarom móet Nederland de grote luchthaven van Europa worden." Zijn voorstellen zijn niet opgepakt. „Men is nu eenmaal conservatief', stelt hij vast. Zoals behoudzucht naar zijn idee ook de doorbraak tegenhoudt van zijn andere liefhebberij: de hete-lucht- motor. Al ruimschoots vóór de oorlog experimenteerden Philips-onderzoekers met het idee van ene Stirling voor een geruisarme, zuinige en schone motor. Philips zag er vooral een markt in voor het opwekken van elektrische energie in afgelegen gebieden. Mede door het drijven van Frits Phi lips zelf is een Amerikaanse fabriek er verder mee gegaan. „We hopen hem bin nenkort in Nederland te krijgen". Fabri kanten, zegt hij, zijn nooit zo gebrand op totaal nieuwe concepten. „Wij zelf had den er ook grote moeite mee om na de gloeilamp ook tl-buizen te gaan maken. Zo'n gek lang ding". Frits Philips heeft veel waardering voor zijn opvolgers in het concern, die ook nu de uitdaging van de internationale con currentie aannemen. „Heel moedig", vindt hij. Hun kans van slagen? „Als er één onderneming in Europa is op dit ter rein die het kan bolwerken, dan is het Philips". „Voor het welslagen van een onderne ming is het erg belangrijk of de leiding de mensen kan motiveren. De gewone mensen. Zakelijkheid vind ik een rot woord. Ik heb het liever over menselijk heid, of wat de Engelsen 'sincere' noe men. Hoe vertaal je dat? Het heeft iets vanoprecht". 'n Leven lang wat losser dan anderen, maar hard wer kend. Intussen zorgde hij er wel voor dat er een voorraad glasballons was van een half jaar. Anders werd het te gevaarlijk. De mannen zouden dan wel eens kunnen gaan staken, dacht hij". Frits Philips zat op de Openbare Nutsschool, de enige niet-katholieke school van Eindhoven, tussen de kinde ren van de glasblazers. „Ik ken er nog verscheidene". Er zaten ook veel joodse kinderen. Philips, zelf van joodse bloede: „Ik had veel concurrentie van hen". Vader Anton maakte onderwijl met zijn lampenkoffertje verre reizen. Vooral in Rusland was hij een lastige concurrent voor de Duitse fabrikanten. Eens wist hij de oppasser van het Winterpaleis van de Tsaar in Petersburg vijftigduizend lam pen te slijten voor de vele kroonluchters die het complex telde. Thuis in Eindho ven dacht Gerard dat het een tikfout was toen hij daarvan bericht kreeg. Gevraagd om een bevestiging seinde Anton Philips een driftig antwoord: 'Vijftigduizend, funfzigtausend, cinquante mille, fifty- thousand'. „Dat telegram hebben we nog steeds", zegt Frits lachend. Er was wel een zekere wedijver tussen de broers Philips. Anton maakte er een sport van meer te verkopen dan Gerard in de produktie aan kon. Rivaliteit be stond ook op het politieke vlak. Als ze tijdens de Eerste Wereldoorlog in Eind hoven de kanonnen diep in het zuiden hoorden bulderen, duimde Anton voor de geallieerden en Gerard voor de Duit sers. Zelfs uit de keuze van hun auto's bleek die voorkeur: Anton reed Renault en Gerard bestuurde een Benz. Gezelligheid, dat is een woord dat Frits Philips veelvuldig en genoegelijk ge bruikt. Als student (werktuigbouwkun de) genoot hij met volle teugen. „We hadden een leuke club. Van de elf stu denten die daarin zaten zijn er maar vier ingenieur geworden, dus je begrijpt wel hoe gezellig we het hebben gehad". Frits haalde zijn diploma wel, in 1929. Niet zo leuk, heel naar, vindt hij zelf, was de crisistijd waarin hij toen als jong en ambitieus ingenieur Idem kwam te zitten. „In één jaar gingen we op de ba keliet-fabriek waar ik toen werkte van 740 mensen terug naar 400". Met het lanceren van nieuwe produkten is het bij Philips ook vroeger niet altijd van een leien dakje gegaan. Frits Philips herinnert zich de moeilijkheden die de firma had met de natriumlampen, waar van de eerste series in de Antwerpse Scheldetunnel werden gebruikt. Even schiet hij, anders vriendelijk keuvelend, uit zijn slof. „Niemand beseft goed hoe moeilijk het is met iets nieuws te komen. Neem dat megaproject, de fabricage van zeer verfijnde elektronische schakelin gen, alle kranten hebben er wat op aan te merken. Maar potdomme, laten ze het zelf maar eens doen". Over Philips in de oorlogsjaren roept Frits, die toen al in de top van het con cern zat, het beeld op van een een orga nisatie die op alle fronten de bezetter te gen wist te werken. Maar wel handig, nooit uitdagend. Tijdens de meidagen van 1940 was Frits Philips onder de wapenen. Zijn ouders en een groot deel van het mana gement waren, tesamen met een groep onderzoekers, bijtijds naar Engeland overgestoken. Juridisch was de zaak zo geregeld dat het Philips-concern interna tionaal niet zou worden opgevat als een onderneming in vijandelijke hand. Nog in april 1940 was de statutaire zetel van het concern verplaatst naar Willemstad op Curasao. „Ik had mij voorgenomen zo veel moge lijk voor onze mensen te doen en zo wei nig mogelijk voor de Duitsers", zo vat Frits Philips zijn houding in de oorlogs jaren samen. „Iedereen in de fabriek wist hoe ik er over dacht. Ze moesten de be zetter dwars zitten, maar wel met ver stand". Die sabotage gebeurde vaak genoeg zonder dat hij er weet van had. „Na de oorlog pas hoorde ik waarom de Duit sers steeds bij mij kwamen klagen dat onze lampen het zo gauw begaven. Op de fabriek deden ze er een paar drup peltjes zoutzuur in. Dan kwamen ze soe pel door de keuring, maar na zes weken gingen ze stuk". Philips kon blijkbaar wel een potje breken bij de Duitsers. Als hij over de oorlogstijd vertelt, lijkt het of Philips de bezetter als een klant behandelde, voor waarden stellend en som ook gewoon nee verkopend. Zo richtte de onderneming in het con centratiekamp Vught een eigen werk plaats in, waar Philips-mensen de dienst uitmaakten. Frits Philips stond het idee eerst flink tegen, maar achteraf denkt hij dat op die manier veel mensen geholpen zijn. Met de Verwalters, de toezichthouders die de Duitsers hem op het dak schoven, ging Philips naar zijn zeggen hardhandig om. Een order voor magneten, zoge naamd voor luidsprekers maar, naar Phi- - FOTO'S ZUID NEDERLANDS FOTOBURO Philips lips vermoedde, bestemd voor landmij nen, wilde hij aüeen accepteren als hij de schriftelijke garantie kreeg dat het niet om een militaire toepassing ging. Die de order brief kwam niet en door. order ging niet De Verwalters wezen hem voortdurend op de risico's als zou komen vast te staan dat hij de zaak saboteerde. „Jullie kun nen me elke dag beschuldigen, gevangen zetten of doodschieten. Jullie hebben hier de macht, zei ik dan". Hoorde Philips wel bij de goede Ne derlanders? „In augustus '45 heb ik de Nederlandse Leeuw gekregen. Als ik iets fouts had gedaan, zou dat toen toch wel naar boven zijn gekomen?". Op het laatst van de oorlog, juist toen het geduld van de Duitsers met Philips op was, dook hij onder in het Betuwse Zoelen. Maar snel na de bevrijding van het zuiden was Philips terug in Eindho ven. De fabrieken weer optuigen en vooral ook huizen bouwen voor het be rooide Philips-personeel, dat stond in die eerste naoorlogse jaren voorop, herinnert hij zich. „Tussen 1945 en 1960 hebben we, alleen al in Eindhoven en directe omgeving, zo'n achtduizend huizen ge bouwd". Het management in de fabrieken had ook een ander probleem: „Een van onze moeilijkheden was de mensen weer aan te zetten om de beste kwaliteit te maken. In de bezettingstijd moesten ze immers maar wat aanknoeien". Geld was in die eerste tijd niet ge schikt om de mensen te motiveren, ver telt Philips. „Daar konden ze toch niets mee kopen. Ze hadden liever een lap tex tiel, of een radio, of een handvol tabak. Het gevolg was dat er een enorm verloop was in die dagen". Pasten de arbeiders er een mouw aan, de fabrikant moest ook vindingrijk zijn. Trots vertelt Frits Philips van zijn inge ving om de restanten van de juist gebom bardeerde gashouder in Eindhoven op te kopen. Het plaatmateriaal kon hij goed gebruiken zo lang normale aanvoer niet mogelijk was. Iedereen die de oorlog heeft meege maakt, heeft ook een speciale herinne ring aan minister Lieftinck, de man van de grote geldzuivering. Maar het was niet het beruchte 'tientje van Lieftinck' dat Frits Philips naar eigen zeggen de grootste woede-aanval uit zijn leven be zorgde. Dat was een telegram waarmee Lieftinck de benoeming van een rege ringscommissaris bij het bedrijf aankon digde. ;w: r de Franse geschiedenis ge- Zelf zegt hij beter overweg te t een pen, wat twee dikke] istigen. tie is gebeurd, en gelukkig zouden wij historici op dit rkloos zijn", lacht de graaf, straks geen enkele moeite te vieren met de socialisti- teraad van Lamballe, „want iktair en heel wat edelen wa- volutionairen van het eerste okaal voorbeeld noemt hij la Rouairie, een constitutio- chist, die zijn sporen' ver- e Amerikaanse vrijheidsoor- rug in Frankrijk werd hij een Érs van het anti-republikeinse adel was voor een verande- oen die ontaardde in terreur n afgehaakt. Emigreren of in lat was de keuze. Ik heb een ïrd van een een vooraan- ger die schrijft dat hij nie- kent. Iedereen was vertrok- (oofd. Dat is toch niet al te eerzijde van de medaille is le wolven elkaar hebben op- janton, Robespierre, de Gi- allemaal zijn ze door hun guillotineerd. Je kan wel zeg- poleon pas de kalmte heeft aceert de graaf met een zicht en. :n voorouders emigreerdei den dus gevangen gezet. Op van de boeren uit de buurt ter vrijgelaten en kregen hun g. Daarom misschien een ank, maar vooral omdat hij taak van de adel ziet zijn ;n „wat geschiedenis voor te it de familie De la Motte- bezit uit voor de tie, waaraan ook it. L Zaltbommel werd nogal veel over sociale aangelegenheden gepraat en dat kwam, denkt Philips, misschien wel een beetje door de invloed van Marx. Die kwam zo nu en dan logeren. Een oudoom van Frits Philips hielp de socialistische -filo soof met de statuten voor zijn Socialisti sche Internationale. Een oudtante leende als enige geduldig haar oor aan de uit eenzettingen van Marx. „Als dank daar voor heeft hij haar als eerste lid gemaakt van de Internationale". Zijn ouders, vertelt Frits Philips, had- Door Louis van de GeIJn „Vader kon hard zijn, maar hij was ook een léuke vent", zegt Frits Philips. Hij vertelt met veel liefde over hem, Anton Philips, die samen met diens zestien jaar oudere broer de fundamenten legde voor het elektronicaconcern van vandaag. Gerard was in 1891 begonnen gloei lampen te maken. Een moeizaam bedrijf. Een paar jaar later had zijn vader de on derneming bijna verkocht, maar de bie der bleef duizend gulden onder de prijs. Je moet wel hulp hebben, vond vader Philips. „Maar wie wilde er nou naar Eindhoven komen", zegt Frits Philips nu. „Het was een gat, niét eens een lampengat". Er was dus wel wat overre dingskracht nodig om de jonge Anton, die inmiddels in Londen in de effecten handel werkte, zo ver te krijgen. Voor een half jaar wilde hij het wel doen. „Maar ze werden allebei gegrepen door de idee dit bedrijf van de grond te tien". Ze maakten lange dagen en na men vaak genoegen met een tukje op de rustbanken die ze op kantoor hadden neergezet. Als kleine lampenfabrikanten moesten ze in die eerste jaren opboksen tegen de grote Duitse concurrenten. Dat lukte, vertelt Philips, door een stapje meer te zetten dan de anderen. „Een jaar of der tig geleden sprak ik een voormalige di recteur van het Groningse energiebedrijf. Ze hadden daar ooit een slechte zending lampen uit Eindhoven gekregen en wil den die terugsturen. Vader stond er op om toch eerst eens langs te komen. Maandag om half negen, had de Gro ningse directeur gezegd. Want die wist ook wel dat je dan vanuit Eindhoven het halve weekeinde onderweg was om dat te kunnen halen. Maar vader was er nog vóór hem en kreeg het zo ver dat hij de hele zending mocht vervangen door deugdelijke lampen. Dat lijkt me een voorbeeld van hoe je er op uit moet gaan naar je klanten". Een pikante toets aan de familiehistorie van de Philipsen is de verre verwant schap met Karl Marx. In huize Philips in den veel belangstelling voor de maat schappelijke ontwikkeling in het snel groeiende Eindhoven van kort na de eeuwwisseling. Moeder, een dochter van de ontwerper van de Rotterdamse haven, zette zich helemaal in voor het werk van vader en was betrokken bij de oprichting van de wijkverpleging en andere sociale instellingen waarmee Philips zijn tijd vooruit was. Een ziekenkas, een bedrijfs arts en een pensioenfonds waren toen al lerminst vanzelfspreken, maar Philips vond het gewoon nodig. Vanwaar die sociale inslag? Frits Philips heeft moeite om dat precies aan te geven, maar besluit dan tot: „Ze konden het niet laten. Vader heeft ons altijd inge prent dat je die dingen niet moest doen om dankbaarheid te krijgen. Ze deden het omdat het nodig was en omdat ande ren het niet deden". Over het waarom, zegt hij, dachten zijn vader en oom Anton evenmin lang na. Het was natuurlijk ook in het belang van het bedrijf als de mensen behoorlijk konden wonen en als hin kinderen naar school konden. „Maar daarover filosofe ren, dat lieten ze liever aan anderen over". Aan hun achterneef Marx, onder anderen. Sentimenteel waren de Philipsen ook weer niet. Sociaal gevoel en zakelijkheid gingen hand in hand. Ze waren ook in staat om, zoals kort na de eeuwwisseling, de helft van het personeel naar huis te sturen. Die nuchtere bewogenheid spreekt ook uit een anekdote over Anton Philips en de glasblazers: „Vader had hart voor dat volk. Prima mensen, wel

Krantenbank Zeeland

de Stem | 1989 | | pagina 27