Bert Jacobs vecht voor de turners We spreken de taal van de sport Vechten om te winnen en lachend verliezen DONDERDAG 25 APRIL 1991 19 Ton Kienhuis: Ik heb me nooit ambtenaar gevoeld (foto Ruben Oreel) Met tien nationale titels op zak werpt Bert Jacobs uit Tilburg zich al jarenlang op als voorvechter van de turnsport voor mannen. De 38- jarige Brabander werd na zijn succes volle carrière als topturner bonds coach en hield zich bezig met de oplei ding van talentvolle jongens. Jacobs, nog altijd woonachtig in zijn geboorte plaats Tilburg, heeft inmiddels zijn trainersfunctie bij de bonds opgege ven. Vorig jaar trad hij in volledige dienst van het MDGO in Goes. Hij werd vakleerkracht met de specialisa tie turnen en doceert 'de grondvormen van het algemeen bewegen'. Bert Jacobs wil er ook in zijn nieuwe omgeving veel aan doen om de turn sport te promoten, vooral in de oplei dingssfeer. Ook geeft hij demonstraties en houdt hij lezingen in het land. Hij zal op het symposium 'jeugdsport in de praktijk' op 14 mei in De Stenge in Heinkenszand een trainingsdemon- stratie geven. Maai1 voor een Zeeuwse turnclub wil hij als trainer niet in actie komen. Volharding uit Goes heeft al en kele malen tevergeefs een beroep op hem gedaan. Jacobs: „Ik ben een per fectionist en als ik bij een club iets zou opzetten, zou me dat vele uren per dag kosten. Over zoveel tijd beschik ik niet." Zijn werk in Goes betekent een radicale ommekeer voor de praktijktrainer bij uitstek. Bert Jacobs: „Maar ook in dit vak heb ik de gelegenheid het jongen- sturnen te stimuleren. Ik kan mijn erva ringen op mensen overbrengen, ik kan de toekomstige leerkrachten de kleine kneepjes van de turnsport bijbrengen. Kortom: ik werk op een heel ander ter rein, maai- ik heb nog altijd de illusie dat ik het turnen als mannensport kan stimuleren." Hij was zelf een erkend topturner in de jaren dat Cor Smulders vele malen Ne derlands kampioen was en in de turn- wereld grote bekendheid genoot. Vreemd genoeg is het nooit tot een con- fronatie gekomen tussen die twee. om dat er toen nog een scheiding was tus sen KNGV (Koninklijk Nederlands Gymnastiek Verbond), dat met zijn tur ners en turnsters aan de internationale toernooien mocht deelnemen, en de NKGB (Nederlandse Katholieke Gymnastiek Bond). Bert Jacobs was een principiële NKGB'er en is dat tot de fusie gebleven. „Misschien", zegt hij. „was ik wel een topper geweest in het KNGV. Cor Smulders was weliswaar een stuk beter dan ik. maar tot de top drie had ik het wel kunnen brengen." Zielige tijd Met 80.000 leden was de katholieke bond immers ook een sterk bastion. „Cor Smulders en ik hebben nog samen gestudeerd. We hebben elkaar dikwijls ontmoet, we hebben ook wel met elkaar opgetrokken. We werden overal ge volgd en gecontroleerd door de bonds- mensen. We mochten tijdens wedstrij den absoluut niet tegen elkaar uitko men. Het was eigenlijk een zielige tijd." Bert Jacobs was lid van Kunst en Kracht uit Tilburg en is dat ook altijd gebleven. Hij begon zijn turncarrière pas op 15-jarige leeftijd en had daarvoor nooit aan sport gedaan. „M'n zusje was wel een talentvolle turnster", vertelt hij. „Ik wilde stoer doen en zei: wat jij kan, kan ik ook." Anderhalf jaar latei- werd hij al derde op het nationale jeugdkampioenschap. Het was de aanzet voor een zeer succes volle tijd. Tien jaar lang heerste Bert Jacobs op de nationale turnkampioen- schappen van de NKGB Hij was spe cialist op de brug met gelijke liggers, de grondoefening en aan het rek. „We de den ook wel internationale wedstrijden. Je had bij onze bond de zogenaamde Fl- CEP-wedstrijden. Dat was een soort in ternationaal kampioenschap voor ka tholieke sportbonden. Het werd om de vier jaar gehouden." Het mannen-turnen is hem altijd blij ven boeien. Ook na zijn aktieve loop baan. Jacobs haalde CIOS en deed de Sportacademie. Hij werd bondscoach bij zijn eigen bond en na de fusie inge past in de trainersstaf van de huidige KNGB op Papendal. Historisch Jacobs kent natuurlijk de reden waar om het jongens- en mannenturnen in het verval is geraakt. „Het heeft histori sche achtergronden. In vroeger jaren waren er bij de gymnastiekverenigin gen uitsluitend mannen aktief. Vrou wen mochten toen gewoon niet sporten. In de jaren dertig en veertig werden de clubs opengesteld. Je kreeg een enorme toeloop van vrouwen in de turnsport: in het begin nog met lange jurken en in maillots. Maar tegelijkertijd verdwe nen er ook een heleboel mannen uit het turnen. Want een oud gezegde luidt: waar de rokken verschijnen, daar ver dwijnen de broeken." „Daarnaast komen kinderen tegen woordig op de basisscholen steeds min der in aanraking met de elementaire onderdelen van het turnen. Dat skomt door de afbrokkeling van de vakleer krachten. Jongeren gaan minder naar turnverenigingen, omdat ze op school minder met turnen te maken krijgen." Frits Bakker Jarenlang had de Zeeuwse Sportraad het imago ontoegankelijk te zijn voor sportbonden en sportverenigingen. Ge vestigd op de tweede verdieping van een statig herenhuis aan de Dam in Middel burg ademde de raad een ambtelijke sfeer. Secretaris Ton Kienhuis en zijn naaste medewerkers doen er de laatste tijd echter alles aan om van 'dat duffe imago' af te komen. Ze trekken 'het veld' in, ze staan clubs, bonden en gemeenten met raad en daad ter zijde en ze proberen zelfs de ongeorganiseerde sporters te be reiken. Belangrijk is ook dat de sportraad steeds meer 'de taal van de sport' spreekt. Nog niet zo lang geleden waren de stukken van de sportraad geschreven in een ambtelij ke, gecompliceerde stijl. Nu proberen Kienhuis en de zijnen de raad toegankelij ker te maken door een vlotter woordge bruik in brieven en andere stukken, die rondgestuurd moeten worden. „De sport raad is een sportservice-instituut gewor den", verwoordt Kienhuis de nieuwe koers. Een treffend voorbeeld voor de radicale koersverandering is de totstandkoming van de Zeewse sportmaand mei, die dooi de sportraad wordt georganiseerd. Nooit eerder mikte de sportraad op een derge lijk groot publiek. Het werk, dat in Mid delburg werd verricht, was hooguit zicht baar voor sportbestuurders en betrokken ambtenaren van de provincie en de ge meenten. Nu profiteren top- en recreatie sporters rechtstreeks van een evenement, dat wordt gecoördineerd door Kienhuis en zijn gevolg. Ton Kienhuis kwam in 1976 als tweede man achter secretaris Paul Diepstraten de Zeeuwse sportraad versterken. Een verstandshuwelijk voor hooguit een jaar of drie, verwachtte Kienhuis. De uit de Randstad afkomstige ex-handballer had zich voorgenomen om niet al te lang in de provincie te blijven. Van zijn voornemen om het platteland snel weer te verruilen voor een levendige stad kwam weinig te recht. Inmiddels voelt hij zich als een vis in het Zeeuwse water en piekert hij er niet meer over ooit nog terug te keren naar Den Haag of omgeving, waar hij opgroei de. Praktisch bezig „Ik heb mijn verblijf in Zeeland steeds ver lengd. Die drie jaren werden er al snel vijf en pas in het achtste, negende jaar dacht ik: mijn werk zit erop. Totdat ik drie jaar geleden eerste man bij de sportraad kon worden. Voor mij een nieuwe uitdaging. Met het bestuur van de sportraad en de provincie hebben we een nieuwe lijn uitge zet. We zijn nu veel meer praktisch bezig en dat willen we in de komende jaren nog verder uitbreiden." „Er zullen best mensen zijn, die zich afvra gen of de sportraad nut heeft. Dat is duide lijk het geval. Er is behoefte aan dit or gaan. De sport drijft op een enorm vrijwil ligerscorps, dat behoefte heeft aan een klankbord. Vandaar, dat we ons nu ook profileren als een sportservervice-insti- tuut, waarop iedereen, die werkzaam is in de sport, een beroep kan doen. We gaan naar de verenigingen toe. We adviseren en stimuleren." Subsidies De provinciale overheid heeft dit jaar 350.000 gulden uitgetroken voor de Zeeuwse sport. Een ton is bestemd voor de organisatie van de sportmaand, het overig- ge geld is beschikbaar voor subsidies. Vooral de kleine sportbonden hebben daarvan profijt. Dankzij financiële steun kunnen er bijvoorbeeld kadercursussen in deze provincie worden gehouden. Kienhuis: „Voor de kleinere bonden is dat heel erg belangrijk. Het houden van zo'n cursus kost geld en dat moet door de cur sisten worden opgebracht. Voor de cur sussen, die niet zijn volgeboekt, bestaat er een subsidie-regeling. De provincie be taalt de lege stoelen. Zou dat niet gebeu ren, dan zouden de Zeeuwen cursussen buiten de provincie moeten volgen, het geen niet echt stimuleert om eraan deel te nemen." Deze regeling, die ooit door de sportraad is gestimuleerd, heeft ook een schaduwzij de. De grote bonden, die de cursussen wel vol krijgen, hoeven niet of nauwelijks te rekenen op subsidie. Kienhuis noemde dat onlangs 'omgekeerde discriminatie'. „De verhoudingen zijn inderdaad scheef gegroeid", erkent Kienhuis. „De voetbal bond en de gymnastiekbond, om twee voorbeelden te noemen, krijgen niets, ter wijl ook zij ondersteuning verdienen. Vroeger kreeg iedere bond, die een cursus hield, vijftien procent subsidie. Die rege ling zou voor de grote bonden in ere moe ten worden hersteld." Log De sportraad werd in het verleden be stempeld als een log ambtelijk apparaat, dat niet adequaat op ontwikkelingen in speelde. Een beeld, dat nog niet helemaal verdwenen is. Onlangs merkte Cees de Ridder, voorzitter van het district Zee land van het Nederlands handbalverbond (NHV) op, dat er bij de sportraad nog niets is veranderd. Het project, waarmee de sportraad het handbal in deze provincie zou gaan promoten, zou nauwelijks vorde ren. Kienhuis reageerde getergd, eiste ex cuses en pas op een vergadering met de handbalclubs en -bestuur werd de vrede getekend. Kienhuis heeft een streep gezet onder die rel in zakformaat, maar stelt in zijn alge meenheid, dat het klassieke - negatieve - beeld, dat nog veel mensen van de sport raad hebben, niet terecht is. „Vroeger was de sportraad een papieren organisatie. Er was te weinig contact met de sportplek zelf. Dat was fout, maar dat wilde niet zeg gen, dat de sportraad niet actief was. We hebben een rol gespeeld in de totstandko ming van accommodaties en hebben voor diverse gemeenten sportbeleid gemaakt. Het stoffige imago van een club ambtena ren, die alleen maar vergaderde, klopte echt niet." „Ik ben in dienst van de overheid, maar ik heb me nooit een ambtenaar gevoeld. Dat geldt ook voor mijn collega's hier. We zijn - soms tot ergernis van anderen - anders, dan de meeste ambtenaren. We werken niet alleen van negen tot vijf, maar zijn ook vaak 's avonds en in het weekeinde op pad. Op die tijden zijn mensen met sport bezig, niet overdag. Op een uurtje kijken we ook niet. We zitten dan ook met een enorme overwerklijst." Profileren De organisatie en coördinatie van de sportmaand - een idee dat werd gelan ceerd door de provincie en de sportraad - heeft de werkdruk alleen maar doen toe nemen. „Op het moment, dat is besloten deze sportmaand te houden, heeft voorzit ter Jan Kruize van de sportraad direct en terecht gesteld, dat niet de provincie maar wij de organisatie op ons zouden ne men. De sportmaand is immers een ideaal evenement om je te profileren. We vinden het een enorme uitdaging, al hebben we de hoeveelheid werk, die het met zich meebrengt, schromelijk onderschat, 't Is een weektaak voor één man. En omdat ook het normale werk doorgaat, hebben we onze handen meer dan vol. Eigenlijk zouden we er iemand voor halve dagen moeten bij krijgen, maai1 dat is een over- heidskwestie." Kienhuis staat er niet te lang bij stil. Hij ziet het als een uitdaging om de nieuwe lijn, die de sportraad volgt, verder uit te stippelen. Bovendien is de kans groot, dat de sportraad gaat verhuizen naai1 een nieuw te bouwen sportcentrum in Arne- muiden. Een onderkomen, dat ook dooi de gehandicapten-sportbond en mogelijk ook de KNVB afdeling Zeeland zal worden betrokken. Voor de sportraad, die in de toekomst zelfstandig zal gaan opereren, zal zo'n onderkomen een goede zaak zijn, meent Kienhuis. De provincie heeft het licht inmiddels op groen gezet. Het wach ten is nu op een positief besluit vanuit Den Haag, dat begin mei wordt verwacht. Richard Thannhauser Bert Jacobs: Jongeren gaan minder naar turnverenigingen foto Willem Mieras Volgens het principe dat hij zelf zo graag hanteert is Morres Hulst al ve le jaren een provinciale topclub in het volleybal. Jo Everaert is 55 inmiddels en staat al meer dan dertig jaar aan de basis van het succes van zijn club. Morres heeft onder zijn bezielende leiding een sterke jeugdafdeling opgezet. Die aanpak resul teerde in nationale titels en heeft geleid tol een doorbraak van de seniorenteams. Jo Everaert hanteerde zijn eigen succes formule: „Je moet vechten om te winnen en lachend verliezen." 'Mister Morres', die in deze weken nauw betrokken is bij de organisatie van de pro motiewedstrijd die het Nederlands da mesteam op 14 mei in Hulst speelt tegen het herenteam van Morres, heeft noodge dwongen een stap terug moeten doen. Vo rig jaar (25 april) moest hij door slijtage aan de linker heup een ingrijpende opera tie ondergaan. Voor korte tijd heeft hij zijn trainersaktiviteiten gestaakt, maar lang zamerhand is hij tijdens de trainingen weer inzetbaar. „Ik heb een nieuwe heup gekregen en de revalidatie is wonderbaarlijk snel gegaan. Vóór die operatie kon ik nog niet van m'n huis naar het centrum van Hulst wande len. Vier maanden nadat ik was geope reerd, stond ik weer voor de klas. Niet meer hetzelfde vak als vroeger. Ik heb 27 jaar gymnastiek gegeven. Nu geef ik Ne derlands in de brugklas en ik ben coördi nator. En inmiddels doe ik ook alweer vol leybaltrainingen." Hij heeft als trainer nooit een opleiding ge volgd, maar is door de volleybalbond op zijn waarde beoordeeld. Jo Everaert kreeg, toen hij zowel met het herenteam als met het damesteam van Morres pro moveerde naar de eerste divisie, toestem ming om ook op dat niveau te coachen. „Ik ben nooit ontmoedigd geweest, omdat we later weer terugvielen naar lagere klas sen. Het vertrek van spelers en speelsters door studie was onvermijdelijk." „De mensen in mijn omgeving hebben wel eens gedacht, dat ik toen zou instorten. Dan hebben ze me verkeerd beoordeeld. Het lijkt allemaal een prestigezaak, maar dat mag je er niet van maken. Ik heb ei genlijk ook nooit stress gekend. Je moet altijd reëel blijven, vind ik. Je steekt al je energie in een ploeg, maar je mag niet ont moedigd raken als dat wegvalt. Dan begin je gewoon weer met een nieuwe lichting te werken." Twee-eenheid Jo Everaert (in alles gesteund door z'n vrouw Ria) en volleybal: het is een onlos makelijke twee-eenheid. Hij was samen met Louis Provoost in 1955 de drijvende Jo Everaert kracht van de toenmalige Sportclub Ter- hóle. Na de verhuizing naar Hulst veran derde de naam in Taktika. sinds 1974 heet de club Morres Hulst. Jo Everaert had een eenmansbedrijfje in het verleden. Hij leid de de club met zijn vrouw, was trainer, coach, voerde alle onderhandelingen voor de club en stimuleerde de jeugd op de school waar hij ies gaf. Morres Hulst bouwde overal in het land aan een zekere reputatie. De jeugdoplei ding werd alom geroemd. Everaert is trots op de vele kampioenschappen die zijn jeugdteams hebben behaald en bezit nog steeds de gedrevenheid om jeugd te laten doorstromen. Hij vindt ook dat andere Zeeuwse clubs daarin nogal eens tekort schieten. De ranglijsten bij de adspiranten spreken in dat opzicht klare taal. Morres domineert het jeugdvolleybal nog nadrukkelijk. De Hulster volleybalvereniging heeft in de jeugdklassen vijf teams bij de eerste acht. Everaert heeft heel zijn carrière vanuit die jeugdopleiding gewerkt. Zijn uitgangs punt was: „De jeugdopleiding krijgt de grootste aandacht. Alles wat daar uit komt. is meegenomen." En inderdaad had die aanpak succes. Grote talenten Morres promoveerde met de heren in 1984 naar de eerste divisie. Er zaten grote ta lenten in de ploeg. Zoals Michel Everaert. Martin Roodzant. Roandl Reunis latei- alle drie naar TDK Brevok vertrokken), Guido de Beule, William Taelman, Ro nald van Eerdenburg en Pieter Hamelink. Een jaar eerder had het damesteam dat niveau ook al gehaald. In die ploeg gingen veelbelovende speelsters schuil: José en Elly de Theye, Maria de Regter, Jolanda van Esbroeck, Karine Mangnus, Tiny de Witte en Marleen van de Vijver. Jo Everaert was als geen ander verant woordelijk voor de opkomst van deze ta lenten. Hij heeft ze vervolgens ook bijna stuk voor stuk zien vertrekken. Vooral ook daardoor heeft het Zeeuwse volleybal aan het eind van de jaren tachtig aanzien lijk aan kwaliteit moeten inleveren. Mister Morres volgt het allemaal nog op de voet en signaleert met gemengde ge voelens hoe het er nu voorstaat. „We heb ben in Zeeland met de herenteams rede lijk gedraaid. EWC. De Sterre. Morres functioneren goed. Bij de dames is het een rampzalig jaar geweest. Zeeland heeft drie ploegen in de derde divisie gehad. Ze zijn alle drie gedegradeerd, weggeveegd dus. Wel een beetje blamerend voor onze pro vincie..." Frits Bakker

Krantenbank Zeeland

Provinciale Zeeuwse Courant | 1991 | | pagina 19