...een mistige middag in een zwarte polder... SPEURENDE SCHATGRAVER OP ZEEUWSVLAAMSE SCHORREN Rijke plantengroei in natuurgebied DE POLDER IN HET VERLEDEN UL VLOEIDEN DE FLARDEN mist uit een over strand en schorren van de Zwartepolder in West Zeeuwsch-Vlaande- ren, waar evenals in het Zwin eb en vloed vrij spel hebben. Uit de ondoordringbaar grijze nevels klotste een al even grijze zee af en aan, in de trage regelmaat van eeu wen steeds nieuwe golven op het kleine strand werpend, in een rustgevend ruisend ritme. Een grijze wereld in een zwarte polder vol kleurenMaar voor die kleuren moet men oog hebben; het oog van de botanicus. Van de heer A. de Visser uit Sint-Laurens bij voorbeeld, die deze middag als een mysteri euze schatgraver op rubberlaarzen over de schorren dwaalt, scherp speurend naar de geheimen van moeder natuur, die voor hem al lang geen geheimen meer zijn. Voor de leek wel. De leek ziet niets in een trosje ge ringe groene blaadjes, hoogstens een mals hapje voor een geit. Maar daar is de leek dan goed naast, want het gaat hier om zo geheten „Oogstpeterselie", dat tot voor vijf jaar in Nederland niet voorkwam. Een zeld zaam plantje dus, evenals het tegen de bin nenkant van de dijk groeiende Zwitsers doornzaad. En wilgsla. Zeldzame planten. Soms zelfs zéér zeldzame planten, die in het handboek voor de ken ners worden aangeduid met drie „z'tjes", van z(eer) z(êld) z(aam). Zo iets als ster ren bij cognac, of zoals in de Guide Michelin de goeie hotels ook met sterren worden aan geduid Bescherming Evenals de echte Franse cognac (uit Cognac) trou wens regeringsbescherming geniet, kennen zeldzame na tuurgebieden in zekere zin bescherming van „hoger hand". Daar valt ook de Zwartepolder onder. Dit ge bied geniet onder meer de speciale belangstelling van de landelijke „Natuurweten schappelijke commissie" en vooral sinds er plannen be staan om niet slechts tot dijkverhoging over te gaan, maar ook om dit miniatuur zeegat zonder meer af te sluiten. Dit laatste zou het einde beteke nen van de uitzonderlijk rijke plantengroei in de Zwartepolder en daarmee van een uit botanisch oogpunt hoogst belangrijk ge bied in Zeeland. Het is daarom begrijpelijk, dat men zich in sommige kringen afvraagt waar om uit veiligheidsovei'wegingen voor het Zwin wél met dijkver zwaring kon worden volstaan en waarom dit voor de Zwartepol der niet het geval zou kunnen zijn. Daar komt nog bij, dat het Zwingebied kunstmatig in stand moet worden gehouden door het jaarlijks uitgraven van de aan slibbende Zwingeul, terwijl de sterke vloedstroom in de Zwar tepolder kunstmatig onderhoud totaal overbodig maakt. Waar er hier veiligheidsoverwe gingen in het geding zijn, herin nert men in „botanische krin gen" gaarne aan het feit, dat de dijk van de Zwartepolder het bij de stormvloed van februari 1953 voortreffelijk heeft gehouden. Het water vloeit hier namelijk heel geleidelijk uit over het rond tachtig hectaren grote gebied, verdeelt zich en is als het ware al „uitgewoed" wanneer het de dijk bereikt. Bij dijkverhoging (zonder afsluiting) zou welis waar de opvoerhoogte van het via het bestaande gemaal af te voe ren water wellicht vergroot moe ten worden (het wordt over de dijk gemalen), maar dit zou slechts een geringe investering van een sterkere motor in het gemaal vergen. En de Zwarte polder zou als waardevol natuur gebied behouden zijn. ....spel van zwart en wit in t I Zwartepolder... Het werken aan bedijkingen kon in vroeger .jaren een luc ratieve bezigheid zijn. Daar het enthousiasme voor inpolde ringen klaarblijkelijk niet zo bijster groot was, kénde men speciale beloningen toe, zoals blijkt uit het van 1664 date. rende „Groot Plaeaetboeck", waarin te lezen staat: „dat de Bedijckers zullen ghe- nieten van de te bedijcken Landen vrijdom en exemptie van Thienden voor dén tijdt van thien Jaren, ten respecte dat de Generaliteyt als Thien- de-heffers anders het elfde ge- met souden behooren te dijcken'. Om de arbeidslust te stimule ren („encourageren") kregen de dijkwerkers ook nog in het vooruitzicht gesteld:...... „vrij dom ende exemptie van de im- g>rt ende excijs van kleine ieren voor de tijd van de Dijckagie". Ter toelichting diene nog, dat het drinkwater in die dagen schaars was en bier een alge meen verbreide drank, zodat 'kortingen op „kleintjes pils" ongetwijfeld bijzonder welkom moeten zijn geweest. Iets ter navolging bij de Deltawerken? Op het ogenblik staat omtrent de waterschapsplannen voor deze polder echter nog niets defini tief vast; zij verkeren nog In de „ambtelijke sfeer" en van de. zij de van het waterschap „Het Vrije van Sluis" verklaarde men in dit stadium geen commentaar te kunnen geven. PLANTEN Voorlopig lééft de Zwartepol der nog, gevoed door het zeewater, dat af en aan stroomt, in een rustgevend, rui send ritme. Ook op een mistige middag, wanneer een mysterieu ze schatgraver op rubberlaarzen over de schorren dwaalt, plotse ling stilstaat bij een heel klein kreekje en doceert: „Kijk, dat is de gesteelde obione, een steeds zeldzamer wordende plant". Dat neemt men gaarne aan, maar een leek op floristisch ge bied laat zich op zo'n ogenblik maar al te graag afleiden door een leeuwerik, die jubelend de mist inklimt, een bleke zon tege moet, los van alle al dan niet ge steelde obiones, weg van die paal mensen, die daar cle stilte komen verstoren en die met hun nade ring bovendien nog een troep bergeenden de lucht injagen. Verder gaat de sche .graver, steeds verder, vertellend intussen over een plant als bijvoorbeeld de „Catapodium marinum", die in-Nederland voor het eerst op Tessél werd gevonden, in 1937, en waar hij in november 1958 in „Acta Botanica Neerlandica" on der meer over schreef: „De der de groeiplaats in Nederland werd door mij op 27 mei 1952 ontdekt in de geïnundeerde Zwartepol der in Zeeuwsch-Vlaanderen. De volgende jaren bleek mij, dat het gras over een gro^e opper vlakte verspreid in de Zwarte polder groeide", waarna een we tenschappelijke uiteenzetting over deze plant volgt, die de heer De Visser besloot met: „De groeiplaats aan de Dellewal op Terschelling is in de oorlog als gevolg van vergraving door de bezetter verloren gegaan. In de Zwartepolder en in de Slufter (op Tessel) groeit het gras thans nog in vrij grote hoeveelheden en i het laat zich aanzien, dat zo lang deze gebieden in hun tegen woordige staat blijven er voor verdwijnen van het gras geen vrees behoeft te bestaan". Nóg is de Zwartepolder in die „tegenwoordige staat", nog kun nen de botanici gerust zijn over het „Catapodium marinum", dat in Nederland de romantische naam „Laksteeltje" kreeg. Om dat de bladscheden van 't gras In het voorjaar min of meèr rood gekleurd zijn en omdat de steel tjes van de tros in het zonlicht zeer rood en glimmend kunnen worden Botanicus-schatgraver De Vis ser.' ..Kijk., een slachtoffer van de stookolie". Een idyllisch (wit) strandje in een (zwarte) polderDe Zwartepolder is rijk aan plan tengroei en aan natuurschoon. iFOTO'.Z V.Z.G.t ONDERDEEL De „Laksteeltjes" vormen ook maar weer een klein onder deel van de z< utwaterflora in de Zwartepolder, die vanzelf sprekend het meest tot zijn recht komt in het voorjaar en in de zo mer, wanneer bijvoorbeeld de Lamsoren voor een prachtige, aarse 'bloemenpracht zorgen, chatgraver De Visser weet er alles van, kan er uren over ver tellen; als toverformules glijden de exotisch klinkende plantenna men van zijn lippen: Blauwe zee distel, Deens lepelblad, Zeewinde. Glad parelzaad, Zeerus, Rood zwenkgras, Duizendguldenkruid... Vele artikelen ook wijdde hij er aan, in natuurwetenschappelijke tijdschriften, waarin hij eens on der meer attendeerde op het vol gende: „De laagste schorrege- deelten zijn doorsneden door on diepe kreekjes, die ook op de bo dem begroeid zijn zijn en waar bij hoge vloed het water slechts traag doorheen vloeit. In het na jaar krijgen zij door de herfst tinten een mooi kleurenmozaïëk; rood van Zeekraal en Schorren- kruid, grijs van Obione en Zee- alsem, met een vleugje blauw met. geel van de spaarzame Zee asters, een en ander op een stra mien van diepgroen gras...." WAARDE Voorjaar, zomer, herfst, win ter. Een mistige middag in een zwarte polder, maar met de heer De Visser als gids ziet men de kleuren als het wa re opbloeien. Leert men iets ken nen van de waarde, de zeer grote waarde, die botanici en natuur liefhebbers hechten aan een ge bied als dit, begrijpt men iets van het enthousiasme waarmee zij melding maken van vondsten, zoals die eens in de vijftig jaar voorkomen, die drie „z'tjes" krij gen en waarvan voor wat betreft de Zwartepolder vloedmerkplan- ten als „Babington Melde" en „Gelobde Melde" voorbeelden zijn. Stil is het deze middag, heel stil. Slechts de vele vogels maken enig gerucht; een koppel patrijzen vliegt ge- ....het slachtoffer.... schrokken op, scholeksters en plevieren nemen de vlucht en brutaal krijsend als altijd scheren de meeuwen over zee en strand, waar slechts een beklagenswaardige, door stookolie lamgeslagen fuut angstig piepend ach terblijft. Dat is de Zwartepolder op een winterdag; in de zomer maanden weten de toeristen ook dit gebied al te vinden. De Zwartepolder aan de kust van West-Zeeuwsch-Vlaande- ren heeft een nogal bewogen historie, die begon in 1422, toen - volgens de „Historische geografie van West-Zeeuwsch- Vlaanderen" door dr. M. K. E. Gottschalk een zekere heer Van Moerkerke begon met het droogleggen van een polder, aansluitend bij de Tienhonderdpolder, die „nu eens eenvoudig werd aangeduid als de polder tussen Kadzand en Wulpen, dan weer als de polder van de heer Van Moerkerke of ook als de polder van het Zwarte Gat. De oppervlakte bedroeg 705 gemeten". Rond 1474 werd de polder weer aan de zee prijsgegeven in het belang van de Zwinhaven. Maarde toestand van het Zwin was sedert het doorsteken van de polder in het Zwarte Gat (in 1473) geenszins verbeterd. Men had gehoopt, dat het water, bij vloed door het Zwarte Gat naar binnen dringend, bij eb door het Zwin zou stromen en door de zandbanken weg spoelen. Het water trok zich echter door hetzelfde zeegat te rug, zodat de zandbanken in het Zwin rustig verder konden aangroeien". Brugge besloot toen het gat opnieuw of te sluiten en men be gon met de aanvoer van aarde, stenen, rijshout, palen, stro en ijzerwerk. Er kwamen moeilijkheden en het kwam er niet van; de stadsrekeningen van Brugge van 1 september 1487 tot 1 september 1489 vermelden alleen nog onderhoudskosten voor „twee dijcken liggliende an 't Zwarte Ghat"Ove rigens was een bejaard man, die als 18-jarige aan het door steken van de polder had meegewerkt „als dijckere ende ar- beydere" van mening dat het „bij grooten abuuse ende quade verstande ghebuerde" Uit de toevoegingen en verbeteringen van dr. J. de Hullu op het geschied- en aardrijkskundig woordenboek van Zeeuwsch- Vlaanderen-W.D. door G. P. de Roos blijkt verder nog, dat de Zwartepolder onder Cadzand en Nieuwvliet tezamen met de Tienhonderdpolder op octrooi van 18 augustus 1623 bedijkt werd; „ingeloopen bij stormvloed van 26 januari 1682; geïn undeerd januari 1802, voor een klein deel herdijkt rond 1S03 door het opwerpen van een dijk om den Sint Jans- en Groo ten Sint Annapolder te beveiligen". Rond 1829 werd een deel herdijkt, dat „naar den eersten gebruiker een tijdlang bekend heeft gestaan als het „Van Melleschorre". Er is zelfs een kampeer boerderij in de buurt. Direct schadelijk voor de planten groei is dit nog vrij spaar zame toeristenbezoek niet, maar een vaste toegangsweg naar het strand zou volgens de heer De Visser toch wel gewenst zijn. „Spaar de schorren" zou zijn devies kunnen zijn en terecht. De natuurgebieden worden schaars, ook in Zeeland!

Krantenbank Zeeland

Provinciale Zeeuwse Courant | 1961 | | pagina 3