F 295. MIDDELBÜRGSCHE Donderdag 1872. C O R AIV T. 12 December. Dit blad verschijnt dagelijks met uitzondering van den Zondag, den 2en Paasch- en Pinksterdag en een der Kerstdagen. De prijs per 3/m.»franco is f 3.50. Middelburg 11 December. KEEK EN STAAT. Het is te verwachten dat in de tweede kamer bij de behandeling der begrooting van financiën scherpe dis cussion zullen gevoerd worden. De heer van Dclden heeft namelijk van die begrooting de gebruikelijke pos ten weggelaten: traktementen voor nieuwe standplaatsen en verhooging van bestaande traktementen voor gods dienstleeraars van sommige kerkgenootschappen, en deze daad zal de clericale partijen met hunne parasitische bondgenooten, de conservatieven, in gesloten gelid tegen den minister in het slagveld roepen. Men weet dat artikel 168 der grondwet (onveranderd uit de grondwet van 1815 overgenomen) de „trakte menten, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ookthans [in 1814] door de onderscheidene gods dienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten" bij voortduring aan haar verzekert, terwijl het tweede lid van hetzelfde artikel bepaalt dat aan de „leeraars welke tot nogtoe uit 's lands kas geen of een niet toereikend traktement genieten" een traktement toegelegd of het bestaande vermeerderd kan worden. Dit artikel be- heerscht de verhouding van den Nederlandschen staat tegenover de kerkgenootschappen als zedelijke lichamen en hunne leeraren, en trekt daarom de oogen tot zich van allen, die de losmaking van de oude banden tus- schen kerk en staat op het financieele terrein verlangen. Tweërlei meening bestaat onder hen. Er zijn er die een zeer radicalen maatregel vorderen, die wenschen dat de staat tot een definitieve afrekening komen zal met de kerkgenootschappen en hun in eens af gekapitaliseerd betalen wat hij thans jaarlijks uitkeert; anderen daar entegen gaan in hunne eischen niet verder dan aan te dringen op het onuitgevoerd laten der bij het tweede lid van art. 168 gegeven faculteit, het aannemen van het op een zeker tijdstip krachtens het eerste lid van dat artikel uitbetaalde bedragdus de stationaire som van 1814plus de later toegekende verhoogingen of nieuwe subsidiën ter huldiging van het verkregen recht als maximumwaarboven noch ten behoeve van nieuwe stand plaatsen noch tot verhooging van bestaande toelagen een penning zal worden toegelegd. Tegen het eerste middel, dat vooral de verdienste heeft der radicaliteit en inderdaad table rase maken zou, bestaat een zeer groot bezwaar. De grondwet heeft namelijk den toestand van 1814 uitdrukkelijk besten digd, en handhaaft met zooveel woorden het toen ge noten recht, de traktementen, pensioenen en andere inkomsten zooals ze in dat jaar genoten werden; de staat is dus niet bevoegd van die regeling af te wijken en de aldus in den vorm van jaarlijksche toelage ge waarborgde uitkeeringen af te doen in den vorm eener kapitaalsverrekening. Alleen de toestemming van de wederpartij zou deze verandering mogelijk maken. Maar juist die toestemming is ook bij de gunstigste stem ming der belanghebbenden uiterst moeilijk te ver krijgen, wat het hervormde kerkgenootschap althans betreft, vermits de staat niet zou hebben te onderhan delen over de kapitalisatie dezer jaargelden met een centraal kerkbestuur, maar met alle gemeenten welke daarvan genot hadden, elke afzonderlijk. De geheele zaak moet namelijk beoordeeld worden naar den staat van zaken in 1814. Toen bestond er nog geen Neder- duitsch hervormd kerkgenootschap zooals dat nu, bij koninklijk besluit van 1816 georganiseerdaanwezig is; de eenige rechthebbenden op de jaargelden waren de individueele gemeentenwier rechten onder de bescher ming der grondwet gesteld zijn Wil men dus de onmisbare toestemming der rechthebbenden verkrijgen Dit pnnt is, ouder niéer, düiclclijk uiteengezet iu clc zeer lezenswaardige studie van het lid der tweede kamer mr. H. J. Smidt, welke dezer dagen (te Assen bij van Gorcum Co.) in liet licht verscheen onder den titel van: «Scheiding van staat en kerk en het budget van ecredienst". om tot de kapitalisatie te kunnen overgaan, dan zal de staat met een duizendtal kerkelijke gemeenten onder handelingen moeten aanknoopen en pogingen aanwen den om het met haar eens te worden over het wat en hoe. Men gevoelt dat dit bezwaar van uitvoering zoo goed als onoverkomelijk is. Het staat in onze meening althans aan de kapitalisatie dier jaargelden oneindig meer in den weg dan het meermalen geopperd politiek .bezwaar, d^t het bedenkelijk zou zijn den staat het middel van óontróle te ontnemen op de werkelijke besteding dier groote sommen voor het bestemde gebruik. Die controle ware op andere wijze uit te oefenen. De minister van Del den heeft zich in de kamer steeds een voorstander getoond van het andeie stelsel, dat van het maximum. Cleen nieuwe jaargelden meer, geen verhooging van bestaande traktementen, maar vasthou den aan den bestaanden toestand, zonder van de facul tatieve bepaling in het tweede lid van het grondwets artikel gebmik-fè' maken. Hij brengt thans als minister in praktijk wat hij als lid der kamer voortdurend verkondigde hetgeen niet altijd van alle ministers gezegd kan worden en liet de posten voor nieuwe toelagen van de begrooting weg. Het komt ons voor dat deze handelwijze door ieder vrijzinnig man behoort te worden goedgekeurd. Artikel. 168 der grondwet mag uitsluitend worden uitgelegd in het licht der geschiedenisde jaargelden aan kerkelijke gemeenten en godsdienstleeraars zijn een gevolg van de naasting der kerkelijke goederen, meer niet. Zij die daarin willen zien een bewijs dat de staat zich de be vordering en aankweeking van den godsdienstzin uit staatsbelang wilde aantrekken en dat hij daartoe zijne kas openstelde, plaatsen zich niet op het standpunt van den grondwetgever van 1815; zij nemen den toestand niet zooals die was, maar zooals zij dien gewenscht hadden. Trouwens de bijna zestigjarige practijk heeft deze opvatting op de meest stellige wijze gelogenstraft; want wanneer de regeering zich op dat ruime (en gevaarlijke) standpunt hadde geplaatst van bevor dering van godsdienstzin door subsidiën, dan zou het belang van den staat geëischt hebben dat het subsi diestelsel tot elke nieuw gevormde kerkelijke secte of gemeenschap werd uitgestrekt. Dat men, om een voorbeeld te stellen, aan geen enkelen leeraar of ge meente der Christelijke afgescheidenen een subsidie, of hoe men die geldelijke ondersteuning anders noemen wil, uit s'lands kas schonkterwijl men voor nieuwe hervormde gemeenten of nieuwe pastoorsplaatsen trak tementen verleende, is, van het ware standpunt be schouwd, hoogstens eene onbillijkheid; maar het wordt een verzuim van 's lands belang zoo men die subsidiën beschouwt als eene erkenning door den staat van de hooge waarde van den godsdienst. Of is de godsdienst der Christelijke afgescheidenen minder eerbiedwaardig, minder gewichtig als kracht in den staat dan die der Nederduitsch hervormden of der Roomsch-katholieken Godsdienstzin aankweeken en godsdienstig onderwijs bevorderen want hiermede werden de subsidiën verdedigd is een uiterst gevaarlijk handwerk voor den staat. Het voert hem op een vreemd en glibberig terrein, waarop de strikte onzijdigheid in zake van geloof en eeredienst moeilijk te handhaven is. Zoo ontegenzeggelijk het lager onderwijs behoort tot de werkkring van den staat en het zijn plicht is aan de toekomstige staatsburgers, zij het ook een minimum van kennis en ontwikkeling des verstands te verschaffen, even ontwijfelbaar moet alles wat den godsdienst raakt aan zijne bemoeiingen vreemd blijven en overgelaten worden aan het individu en aan zijne vrijheid van aan sluiting en vereeniging. Met den eigenlijken godsdienst staan derhalve de subsidiën ten behoeve van kerkge nootschappen in geenerlei verband; op den breeden grondslag van eerbiediging van den godsdienst kunnen zij niet worden verdedigd. De ondersteuning aan nieuw opgerichte kerkelijke gemeenten geeft alleen aan leiding tot een nauwer aanhalen van de banden tusschen staat en kerk, welke integendeel meer en meer bekooren te worden losgeknoopt. De minister van Delden handelde dus wèl door te breken met het tot dusverre gevolgd stelsel en te zeggen: thans zijn wij tot een maximum van geldelijke hulp aan de kerkgenootschappen geko men; verder zullen wij niet gaan. Maar naast deze banden van financieelen aard, die den staat aan de kerkgenootschappen als zedelijke lichamen verbondbestaan er nog andere zakenwaarop men doelt wanneer men over scheiding van kerk en staat spreekt. Vooral betreft dit de quaestie in hoeverre de kerkelijke (want van godsdienstige in den eigenlijken zin des woords is hier geen sprake) gezindheid van personen bij benoemingen op de keuze der regeering van invloed mag zijn. Het antwoord op deze vraag is niet moeilijk te gevendie invloed mag niet bestaan. En is zij nu werkelijk niet aanwezig? Helaas, ja. Schoon de bedoeling van het grondwetsartikel dat de „belijders der onderscheiden godsdiensten gelijke aan spraak hebben op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen" klaarblijkelijk geen andere is dan het privilegie ten gunste der voormalige staatskerk te doen ophouden, en te verbieden dat men bij het be geven van eenige waardigheidambt of bediening naar de kerkelijke gezindheid der mededingers onderzoek doe, teneinde zich daarnaar bij de keuze te richten, wil men dat artikel in een geheel anderenin een onzinnigen zin toegepast zien. Het „gelijke aanspraak" vat men op als in „evenredigheid tot hun zielental", en beweert dat bijv. de lidmaten van een kerkge nootschap dat 1/10 der bevolking des lands bevat ook 1/10 van alle waardigheden ambten en bedienin gen behoort te bezetten. Vandaar de statistieken die jaar op jaar in de tweede kamer worden ter tafel ge bracht en den grond leveren voor de klacht over „stelsel matige achteruitzetting der katholieken", eene klacht die echter onder de katholieke kamerleden zelve van haar krediet schijnt te verliezen, daar zij voor eenige jaren den heer van Nispen als woordvoerder had, later door den heer Heijdenrijck werd op het tapijt gebracht en sinds eenige jaren verder door is gezakt tot den heer Haffmans. En wat was nu de houding der regeeringen, der liberale regeeringen, tegenover dezen onzinnigen eisch? De heer Olivier beantwoordde inder tijd als minister van justitie de beschuldiging van achteruitzetting der katholieken met eene categorische ontkenning; hij tartte den beschuldiger om het te be wijzen, en de beschuldiger zweeg. Dit was het juiste standpunt; de regeering, mits ze zich van trouwe uit voering der grondwet bewust is, behoort in dergelijke debatten niet te treden; eene beschuldiging van achter- uitzetting van katholieken of lidmaten van een ander kerkgenootschap behoort eenvoudig te worden ontkend evenals men niet in wederlegging zou treden van eene beschuldiging dat de regeering alle rood- of zwartharige staatsburgers stelselmatig zou uitsluiten. Maar latere ministers gingen anders tewerk. Wanneer de ultramon- taansche klagers op takken van dienst wezen, waarbij niet 2/5 der ambtenaren katholiek warendan wezen zij daar entegen op anderen waarbij de katholieken meer dan hun toekwam, 3/5 of 4/5, van de ambten bezet hielden. De heer Blussé voerde dit nog in de jongste begrootings- discussiën nopens de ambtenaren van het kadaster aan. Maar de heer Jolles maakte het als minister nog veel erger, door te zeggen dat de bekwaamheid der sollici tanten in de eerste plaats de keuze beheerschteen dat eerst daarna bij gelijke bekwaamheden andere omstan digheden, waaronder ook de godsdienst, in aanmerking kwam. Deze verklaringen komen ons ongrondwettig en on vrijzinnig voor. Bij benoemingen behoort de regeering niet op godsdienstige overtuiging of kerkelijke' gezind heid te letten. Of iemand Eoomsch is of protestantsch gaat de regeering even weinig aan als of hij vrijmet selaar of jezuïet of lid van 'tNut is, staande of liggende boordjes draagt, of schoenen of laarzen aan de voeten heeft. Komt nu iemand met eene statistiek aan, welke aantoont dat bijv. 4/5 der rijks-veldwachters niet roomsch isdan hechte de regeering daaraan even weinig waarde als aan eene statistiek waaruit blijkt, dat de groote meerderheid der rijks-ontvangers staande boorden draagt. Betoogt ze daartegenover dat 4/5 van de ambtenaren van het kadaster daarentegen wèl Roomsch isdan han delt ze even dwaas als indien zij een staatje inleverde.

Krantenbank Zeeland

Middelburgsche Courant | 1872 | | pagina 1