Bijvoegsel van de Middelburgsche courant. Donderdag 14 juuij 1855. taters» flïremefl.'ia»li Tweede Kamer. Zitting van 11 junij. In deze zitting is ingekomen eene overeenkomst op den 19den februarij jl. gesloten betrekkelijk de vereeniging der bondscontingenten van het hertogdom Limburg en het her togdom Nassau, welk stuk tot onderzoek in handen eerier commissie van vijf leden is gesteld. De commissien van rapporteurs voor de wets-ontwerpen; a. verklarende het algemeen nut van den aanleg van een rijweg in de gemeente Veendam, en b. tot goedkeuring van het tractaat omtrent de regeling van de grenzen der neder- landsche en portugesche bezittingen op Timor en onderhoorige eilanden, liebben daaromtrent hare eindverslagen uitgebragt. De kamer heeft bepaald dat de dag der beraadslagingen over die wets-ontwerpen nader zal worden vastgesteld. De commissie tot onderzoek der verklaringen van toetre ding van Hannover, Oldenburg en Schaumburg Lippe tot het verdrag tusschen Nederland en het Tolverbond heeft daaromtrent bij monde van den heer van Lynden rapport uitgebragt. Over de daarbij voorgestelde conclusie zal nader beslist worden. Bij de voortzetting der beraadslagiug over het wets-ont- werp tot afschaffing van den accijns op het gemaal heeft de heer Hoynk van Papendrecht het eerst het woord gevoerd. Na de belangrijke rede des ministers van financien kan hij beknopt zijn. Hij had verwacht dat dit ontwerp vooral zou worden beschouwd 1. met betrekking tot de geldmiddelen en 2. uit eeu staathuishoudkundig oogpunt. Ten aanzien van dat tweede punt zag hij zich veelal te leur gesteld. De politiek voorbijgaande, heeft hem ook bij den heer van Bosse de opmerking getroffendat te veel op de koloniale geld middelen is gerekend. Dit bezwaar deelt hij niet, vooral na de inlichtingen der ministers van financiën en koloniën, en behoudens zijnen eerbied voor de financiële kennis van den voorzigtigen oud-minister. Men heeft opgemerkt dat overschotten uitsluitend moeten worden aangevoerd tot amortisatie en de toekomst niet mag worden bezwaard, maar ziet voorbij dat ook de be sprokene belasting eene nalatenschap is uit de buitenge wone omstandigheden van vóór 25 jaren geboren, terwijl dit geslacht reeds 53 millioen tot amortisatie heeft besteed. Wat de vrijstelling van het gemaal bij voorkeur betreft, daarmede is hij hoogelijlc ingenomen. In onze belastingen moet niet ieder gelijkmatig dragen. Zoo wei de arbeiders stand, als de middenklasse, die voor hunne uoodwendigste levensbehoeften belasting betalen, zullen gebaat worden bij de afschaffing. Volgens officiële opgaven toont hij aan dat de geringere klasse voortdurend naar een goedkooper voedsel zocht, de aardappelbouw nam steeds toe en met het pauperisme breidt ook het misbruik van sterken drank zich uit. Hij brengt dus uit volle overtuiging zijne stem ten gunste van het ontwerp uit. De heer Meylink motiveert even zeer zijne stem die hij goedkeurend zal uitbrengen. Hij werpt de beschuldiging van zucht naar populariteit van zich af en ontwikkelt in het breede de gronden waarom hij het voorstel doordacht, wijs en doeltreffend, en de bestijding ondoordacht en on voor- zigtig noemt. De afschaffing van dezen accijns beschouwt hij niet alleen noodzakelijk en nuttig maar pligtmatig, daar sedert jaren ten onzent de grens van belastingheffing is overschreden. Na eenige bestrijders te hebben beantwoord, verwijt hij de anti-revolutiounaire partij die aan het ministerie voor waarden van ondersteuning of bestrijding stelde; die steeds de onderdrukking schijnt te willen van een reeds lang en nog gedrukt onderdeel der bevolking dat zij zich tegen dit ontwerp heeft verzet met opoffering van den eerbied dien men aan het gezag verschuldigd is. Hij beschouwt.],de voordragt regtvaardig, daar de mindere klasse is onderdrukt en liet brood eene eerste behoefte is stelselmatig omdat vele lastige formaliteiten worden opge heven; tijdig omdat de financiële toestand het gedoogt, en het equivalent voldoende, zonder de mindere klasse te drukken. De heer Baud gaat ook de binnen- en buitenlandsche politiek stilzwijgend voorbijhij wil ook niet onderzoeken of de oppositie het ministerie al of niet heeft op sleeptouw genomen; alleen wil hij nagaan: 1. of de accijns op het gemaal het eerst moet afgeschaften 2. de houding der regering tegenover de koloniale bijdragen. Hij was altijd voor het stelsel dat elke klasse naar evenredigheid moet bijdragen tot de staatslasten; indirecte be lastingen zijn daartoe bij de mindere klasse het beste. Om trent dezen accijns heeft hij de meest tegenstrijdige inlichtingen bekomen, met de slotsom dat de belasting niet gehaat is waar de ambtenaren welwillend zijn. Ook in de discussie heerscht die tegenstrijdigheid, die hem tot gecne vaste overtuiging kan voeren. Bij de warme verdediging door den heer Schimmelpenninek en den minister van buitenland sche zaken was hij bijna voor de wet overgehaald, maai bij de bestrijding door de heeren van Rappard en Ro- chussen was bij weder tot afstemming geneigd. Die zelfde heer Schimmelpenninek heeft echter de wet op het gemaal eens ten sterkste verdedigd. Hoewel hij dus bij alle par tijen aan overdrijving gelooft, komt het hem niet kwaad voor de ondervinding te raadplegengemakkelijk kan des noods de belasting weder ingevoerd worden. Maar naar sprekers inzien bevinden wij ons nog niet in de termen van alschaffiug; er worden nog jaarlijks 15 mil lioen minder aan lasten opgebragt dan de staatsuitgaven bedragen; er is te onvoorzigtig gerekend op de wisselval lige koloniale bijdragen, ten betooge waarvan hij in een uitvoerig overzigt treedt van de koloniale financiën, uit het oogpuut van de wijze van beheerterritoriaal exe- dent enz. Hij merkt op dat het eigenlijk territoriaal exedentslechts 2-J millioen bedraagt, terwijl de uitvoering van het nieuw regerings-reglement voor Nederlandsch Indie belangrijke kosten zal vereischen. Ook de prijzen der groote stapel- producten zijn wisselvallig, even als de middenprijzen van liet tin. Hij ontkent niet dat de minister van koloniën de opbrengst matig raamt, maar men is er toch niet zeker van. Hij concludeert dus dat het grootste deel der oostiudische bijdrage bestaat uit onzekere commerciële winsten, en voegt daarbij de klagten der residenten over gebrek aan gronden voor koffij-aanplanting. Hij wenscht dus dat men terugkeere tot de oude voorzig- tige gewoonte om niet te rekenen op die bijdragendie bewustheid moet de drift naar nieuwe afschaffing temperen, terwijl nooit genoeg lean herhaald worden dat het een onwaarheid is dat de natie meer betaalt aan belastingen dan hare behoeften vereischen. Het verwondert hem dat men den arbeid wil vrij maken uit de vruchten van den gedwon gen arbeiddie vruchten wenschte hij meer ten profijte der iudische bevolking te besteden. Eindelijk zal zijne stem afhangen van de nadere inlichtingen des ministers van kolo niën omtrent den terugkeer tot de vroeger bestaande axioma dat de Indische bijdrage hoogst wisselvallig is. De heer van Bosse wil zich, om de discussion niet te rek ken alleen bepalen bij een antwoord aan den minister van financiën. De drie vorige ministers van financien hebben zich allen om zeer goede redenen verklaard tegen de wet; bij ondervinding wisten zij dat niet mogt worden gerekend op dc koloniale bijdragen. Alleen den tegenwoordigen minister van financiën schijnt het geluk beschoren, slechts middelen te moeten bepeinzen om de schatkist ledig te maken. Hij is voorts overtuigd dat de meerdere opcenten ais equivalent voorgesteld, wel degelijk gevoelig zijn. Vaak heeft men op dat ongevoelige van eenige opcenten gewezen, en daar door zijn de opcenten plaatselijk op schrikbarende wijze geklommen. Verder wederlegt hij eenige berekeningen des ministers ook hij wil hervorming van het belastingstelsel maar geen zoo milde greep in ons financiewezen. Zonder de bestrijders te volgen die reeds een te kort voorzien grondt hij zijn tegenstand op de afkeurenswaardige houding der regering ten aanzien der koloniale bijdragen en het ge vaarlijke pad dat zij bewandelt. Wil de regering zich ver binden om voor 1856 in geen geval meer te eischen van de koloniën dan 14$ millioen, dan wil hij over zijne bezwaren heenstappen en ten blijlce zijner zucht om mede te werken voor het ontwerp stemmen. De heer Thorbecke beschouwt de wet afgescheiden van de personen, de rigting en de bedoelingen van dit ministerie. Hij acht zich niet bezwaard met de ondersteuning van een voorstel in zijne rigting, zij het ook al afkomstig van een ministerie waarvoor hij geen sym pathie kan hebben. Het is hem groote en genoegzame voldoening dat hij en zijne partij voorstellen deden in het belang der regering; geen betere regtvaardiging kan hen wedervaren dan hun nu van de zijde der regering is te beurt gevallen, en nooit is beter dan thans uitgekomen het nut eener parlementaire opposi tie, die zich niet bepaalt tot critiseren maar drijft tot handeling, tot verbetering.Wat de rede betreft des minis ters van financiën, hij had die met genoegen gehoord: zij had bij hem een gunstigen indruk gemaakt en wat er in ontbrak was het gevolg van des ministers meening, dat dit voorstel als een op zich zelf staand voorstel moest beschouwd worden. Eén punt wilde spreker slechts releveren: 'tis, dat hij vroeger zou gezegd hebben dat een moedig ministerie en eene moedige kamer het gemaal kon afschaffen zonder equi valent. Spreker gelooft niet dat hij zoo iets ooit heeft gezegd; zijne handelingen, zijne voorstellen pleiten er dan ook voor, dat hij bedachtzamer en gematigder was dan de regering. Spreker neemt vervolgens kort eenige punten op uit de rede van den minister van buitenlandsche zakenom aan te toouen dat deze minister zich kwalijk beroemen mag te behooren onder de //afschaffers van belastingen," of dat hij zelden of niet gelegenheid heeft gegeven om van zijn zin tot vooruitgang, waarop hij zich beriep, getuigenis te geven. Tot het voorstel zelf komende, zegt spreker, dat hij zich tegen misverstand dient te vrijwaren en daarom duidelijk moet verklaren waarom hij deze wet zal goed keuren. Hij ziet er namelijk in het beginsel van zuivering- van ons belastingstelselvan die elementen welke onze nijverheid drukken. Het is spreker niet hoofdzakelijk om afschaffing te doen, maar om beginselenvan welke men wil uilgaan tot ver betering van het belastingstelsel. Hij wenscht geene socialis tische kunstmiddelenmaar ook niet dat ons belastingstelsel de natuurlijke werking der volkshuishouding kome storen. Spreker beschouwt vervolgens het voorstel en ondersteunt het 1. in het belang van de arbeidende klasse; 2. in het belang der geheele maatschappij en in het bijzonder van de nijverheid3. in het belang van de financiën van den slaat. De heer Sloet wijst er op, hoe nog 14 redenaars zijn ingeschreven en hoe nog anderen wenschen te repliceren en daar er nog vele andere werkzaamheden zijn te verrigten stelt spreker voor om morgen ten 10 ure aan te vangen in plaats van ten 11 ure. De vergadering besluit dienovereenkomstig, waarna zij uiteen gaat, na alvorens eenige rapporten te hebben aan gehoord. Zitting van 12 junij. In deze zitting hebben het woord gevoerd en zich ten gunste van het wets-ontwerp verklaard de heeren van Aker laken, van Heiden Reinesteyn, Gevers van Endegeest en van der Linden. De minister van buitenlandsche zaken heeft weder het woord gevoerd en getracht te betoogen dat het ministerie niet was in de rigting der oppositie, maar geheel zelfstan dig handelde. De heeren Rochnssen, Schimmelpenninek van der Oije, van Rappard en van Nispen hebben mede ten tweede male gesproken ter beantwoording van hetgeen legen huuue re devoeringen was aaugevoerd. De discussien zullen morgen worden voortgezet. De heer Dommer van Poldersveld zal alsdan eene motie doen tot sluiting der algemeene beraadslagingen. TER DRUKKERIJ VAN DE GEBROEDERS ABRAHAMS-. UITGEVERS VAN DE MIDDELBURGSCHE COURANT.

Krantenbank Zeeland

Middelburgsche Courant | 1855 | | pagina 7