VERSLAG VAN HET VERHANDELDE I DEN GE1SENTE-RAAD TE GOES Zitting van Donderdag 5 April 1855. zors-, Afwezig de heereu Verschoor en Saaijmans Vader. De notulen (Ier vorige vergadering zijn gelezen en gear resteerd. Alvorens mededeeliug te doen van den ingekomen brief van Heeren Gedeputeerde Staten, houdende bezwaren tegen het verleenen van subsidie aan het algemeen of burgerlijk armbestuur, deelen burgemeester en wethouders mede: dat na de invoering der armenwethet algemeen armbe stuur werd gemaglrgd om tot 30 September II. met de gewone bedeelingen voort te gaan, niet last om op dien dag'de be deelden te verwijzen tot de kerkgenootschappen waartoe zij behoorden; dat zij bet wenschelijk en noodzakelijk achten daarover met den kerkeraad der hervormde gemeente in overleg te treden en zich lot dat einde, bij deii vooizitter Ds. van Oosterzee hebben begeven, die hun gevoelen ten vollen deelde, waarop burgemeester en wethouders werden uitgenoodigd tot bijwoning eener kerkeraads vérgadering Vvaarraan zij gaarne hebben voldaan; dat burgemeester en wethouders in die vergadering bun gevoelen nopens de toepas sing der armenwetwat de diaconie betrof, hebben medege deeld, waarop van den kerkeraad is ingekomen het verzoek tot prolongatie van clen beslaanden toestand van zaken tot 1 Januarij en een voorstel tot regeling van bet armwezen. Dat het verzoek tot prolongatie door dezen raad is inge willigd doch het voorstel als strijdig met de armenwet verworpen. Dat daarop de kerkeraad zonder in eenig nader overleg te treden en zonder vooraf eenigen maatregel te beproeven tot opwekking der liefdadigheid, heeft genomen bet besluit, om de diaconale zorg te beperken tot zulk een getal bedeelden, als uit de inkomsten der diaconie gevoegelijk konden onder steund worden terwijl de overigen zouden worden over gelaten aan de zorg van het burgerlijk bestuur. Dat daarop door den raad is besloten de zorg voor dat klein honderdtal aan bun lot over gelalene behoeftige», op te dragen aan het burgerlijk armbestuur en uit medelijden met die ongelukkige» de noodige fondsen op de begrooting van het algemeen armbestuur zijn beschikbaar gesteld, waar aan de raad zijn zegel hechtte, doch waar legen bij Heeren Gedeputeerde Staten bedenkingen zijn gemaakt hij brief van 9 Maart, welke voorgelezen wordt. Uit dien brief blijkt hoofdzakelijk: Dat Gedeputeerde Staten de volstrekte onvermijdelijkheid van de subsidie van 13500, - niet kunnen erkennen en uit het cijfer meenen op te maken, dat niet alleen de roomsch katholieke armen maar ook die van andere gezindheden door het algemeen armbestuur zouden worden ondersteund. Dat dit in strijd zou zijn met art. 20 en 21 der armenwet, die in de eerste plaats, de armenzorg opdragen aan de ker kelijke instellingen van weldadigheidterwijl slechts bij volstrekte onvermijdelijkheid, hel burgerlijk bestuur die zorg op zich mag nemen. Dat indien een kerkelijk armbestuur zich aan die zorg onttrekt, bet burgerlijk bestuur moet trachten dit van zijne verkeerde handelwijze te overtuigen en terug te doen koeren op den weg door de wet voorgeschreven. Datindien ook dit niet baat, die zorg alleen daar waar zij gansch onvermijdelijk is, door het burgerlijk bestuur kan over genomen worden, die evenwel nimmer het karakter van regelmatige armenzorg mag verkrijgen en dat de betreu renswaardige gevolgen, die uit eenen dergelijke» toestand van zaken, voor de armen voortvioeijen, geheel komen voor rekening van dat kerkbestuur, dat zijne armen aan bun lot overlaat. Dat dus, indien eenig kerkelijk bestuur inogt blijven vol harden in zijne weigering, niet het algemeen armbestuur, maar het gemeente bestuur behoort te voorzienwelke voorziening evenwel niet verder kan of mag gaan dan de policiezorg vereischt en dan alleen in geval van volstrekte onvermijdelijkheid. en. dat Gedeputeerde Staten bereid zijn tot dat einde eene som beschikbaar te stellen- Burgemeester en wethouders deelen verder tnede, dat zij hebben willen trachten aan de uitnoodiging te voldoen, door langs den weg vao overreding den kerkeraad van zijne ver keerde handelwijze te doen terugkomen, waartoe door hen, met toezending van copie van clen brief van Gedeputeerde Staten is geproponeerd eene gecombineerde vergadering, op welke propositie evenwel door den kerkeraad is geant woord, dat hij, hoezeer dat aanbod waarderende, vermeende dat zoodanige zamenkornst overbodig was, daar hel besluit des kerkeraads genomen was na rijp beraad en men daarop niet zou terugkomen. Uit dat antwoordt blijkt dus dat de kerkeraad wars is van alle minnelijke onderhandelingen en zelfs ongezind om de gronden van overreding aan te hooren. zoodat burgemeester en wethouders het beneden de waardigheid van bet gemeente bestuur zouden achten, daartoe verdere pogingen aan te wenden, waarvan zij door toezending der gewisselde cor respondentie, aan Heeren Gedeputeerde Staten zulle» kennis geven. Het voorstel dat zij thans meenen te moeten doen, is: 0111 met den laalsten dezer maand de bedeeling der armen, zoo als die lot nu toe plaats had te staken de bedeelden te verwijzen tot de arm verzorgers der kerkelijke gemeenten waartoe zij behoorèn en daartoe de noodige bevelen te geven aan het algemeen armbestuur. Dit voorstel komt in beraadslaging. Dhr. van den Bosch zegt, dat dit voorstel lot vele en ve lerlei beschouwingen kan aanleiding geven en hij zou ver langen de gronden te kennen waarop hel rusthet komt hem voor, dat reeds in October een gelijk besluit genomen is als dat. wat nu door burgemeester en wethouders wordt voorgesteld en hij kan niet zien dat daardoor de toestand eenigzins veranderd is; hij vertrouwt gaarne dat burgemeester en wethouders maatregelen hebben bedacht, cm aan bet besluit uitvoering te gevendaar men anders weer bij het oude zou blijven en hij vreest dat de waardigheid van den gemeente-raad er door zou lijden, steeds besluiten te nemen aan welker uitvoering hij de hand niet kan honden. De voorzitter antwoordt aan dien heer, dat hij in Zeker op- zigt gelijk heeft; wat in October geschiedde berustte op den- zelfden grond maar nu is er een bestuit van Gedeputeerde j .1 Slalen, een besluit dat burgemeester en wethouders als eene lastgeving moeten beschouwen de consideratie dus, die men in de toepassing van het besluit in iiet belang der armen gebezigd heeftmoet alsnu vervallen en in hoever het besluit in zijn geheel kan worden nageleefd, moet be- proefd worden men is wel verpligt tol dezen maatregel j over te gaan. daar gedeputeerde staten weigeren tie begroo liiig der gemeente goed te keuren en de gelieele geldelijke gemeentelijke administratie in liet riet wordt gestuurd, wan neer men de cijfers voor de armen op de begrooting laat. Dhr. van den Bosch repliceert dat bij geheel onvoorbereid dat voorstel van burgemeester en wethouders heeft aange boord en eene andere wending dezer zaak meer gehoopt dan verwacht had, de aanschrijving van Gedeputeerde Staten i is stellig en wil men aan de bepalingen der armenwet, j vraarop die heeren hun besluit gronden rigoureus vast houden, dan zou hij beschroomd zijn daartoe mede te werken, i terwijl bij evenzeer overtuigd is dat eene eenvoudige mede- j deeling van het te nemen besluit niet zal baten hij acht alle verdere onderhandeling met bet kerkelijk bestuur, niet alleen hier, maar overal, waar men zich aan de armenzorg wil onttrekken overbodig en doelloos, daar het eene praclische onmogelijkheid is, eene wet toe te passeu, welke dooi degenen die niet de uitvoering zijn belast kan ontdoken worden. Indien men dus vasthoudt aan het beginsel zoo als in het I nu gedaan en vroeger reeds aangenomen voorstel ten grondslag I ligt, clan zal die maatregel noodwendig ten gevolge hebben, dat 9/10 van de armen aan hun lot zijn overgelaten, j Het komt hem voor dat zoo iets niet kan of mag dat het welzijn der armen stoffelijk en zedelijk boven alles moet gaan reeds is tot die verbetering veel gedaan voor j het opkomend geslacht en op dien weg voortgaande, mag i men daarvan in de gevolgen goede vruchten verwachten; armenzorg toch, beslaat niet in bet uitreiken van aalmoezen, maar in een toezigt op de zedelijke en maatschappelijke I vorming der minvermogenden; met dat toezigt, met die zorg i belast de wet de kerkelijke bestureu en waar deze zich I onttrekken neemt de staat ze aan en daar is staats-armen j Ook in Goes is dit het geval en du kan alleen de vraag zijn, wat het meest doelmatig is; vraagt men, of op den duur de zaken kunnen gaan zoo als nu, dan antwoordt spreker neen burgerlijke instellingen van liefdadigheid die cut geene iundatien of bezittingen inkomsten hebben en uitsluitend van subsidie heslaan, kent de wet niet en belet alzoo dal op den ingeslagen weg voortgegaan woi de. Het bezwaar dus tegen clen bestaancien staat van zaken, is dat het algemeen armbestuur geene inkomsten heeft; hac! het die, dan zou bet bezwaar opgeheven zijn; de vraag rijst, dus bij hein op, op welke wijs kan men aan het arm bestuur inkomsten bezorgen? Als middel daartoe zou mis schien kunnen strekken, dat men de ingezetenen met den toestand van zaken bekend maakte, er op wees dat bet bedrag van den hoofdelijken omslag juist gelijk staat aan dat voor de armenverzorging benoodigd en verzocht om vrijwillige bijdragen b. v. voor een jaar, welke bijdragen dan konden strekken in mindering van ieders aanslag op den hoofdei ijken omslag. Het is toch hetzelfde of eene som als gift of als belasting betaald wordt en velen zullen misschien liever bet eerste dan het laatste doen men was clan voor een jaar gedekt en kon clan wéér verder zien. Beproeft men dit of een dergelijk middel niet, dan zullen de armen bet slagtoffer zijn het zedelijk toezigt zal op houden, de goede vruchten in de laatste jaren aangekweekt zullen verloren gaan en even als vroeger zal toenemende armoede daarvan het. gevolg zijn. Spreker wenscht dit niet beschouwer te hebben als een bepaald voorstel, bij geeft het alleen als een denkbeeld, omdat bij huiverig is het vooistel van burgemeester en wet houders aan te nemen, welks gevolgen niet te overzien zijn. De Voorzitter verklaart dén neer van den Bosch persoonlijk dankbaar te zijn voor de mededeeling zijner zienswijze; ook bij hem weegt bet zwaar, de moeijelijkheden van de uit voering van het besluit te boven te komen, waarvan, dit is niet te ontkennen de armen het slagtoffer zullen zijn. Hij stuit evenwel op een paar punten in het denkbeeld van den lieer van dbn Bosch en gelooft in de eerste plaats niet dat het gemeentebestuur bevoegd is, de liefdadigheid der ingezetenen op te wekken: dat is de pligt van de kerk. In de 2e plaats, vermeent hij evenzeer ontkennend te moeten beantwoorden dat de bijdragen zouden mogen strekken, in mindering van den hoofdelijken omslag; bij gelooft niet dat dit met eenige belasting is overeen te brengen. Overigens wenscht hij gaarne dat er iets op kon gevonden worden, maar het voorstel van den heer van den Bosch komt hem onverwacht voor om het zoo voetstoots te kunnen be oordeelenhij betreurt bet, met clen heer van den Bosch dat de kerk zich aan de armen onttrekt, doch zal gaarne ook de denkbeelden van de andere leden vernemen en hooren wal hun idee is, over deze hoogst gewigtige aangelegenheid. Dhr. van Kerkwijk acht het denkbeeld van clen heer van den Bosch zeer wenschelijk maar gelooft niet dat bet mag uitgevoerd worden. Ilij zou wensclien, omdat het een punt is van zoo overwegend belang, dat de zaak werde aange houden en in eene volgende vergadering behandeld. Dhr. Kakebeeke en Hochart opineren in gelijken geest voor verdaging, ook de beer van der Meulen is daar voor en zou aan liet besluit, zoo als door burgemeester en wet houders is voorgesteld, zijne goedkeuring niet kunnen schen ken bij vermeent dat de questie loopt over het al of niet volstrekt, onvermijdelijkedaarom zou hij wenschen dat het antwoord des kerkeraads werde medegedeeld aan heeren Gedeputeerde Staten en aangetoond dat de voorgedragen som dus wel volstrekt onvermijdelijk henoodigd is, dan kon zoo als dhr. van den Bosch heeft voorgesteld de zaak hlijven bestaan zoo als zij is, want ook bij acht de gevolgen voor de armen onberekenbaar. De Voorzitter antwoordt dat hetgeendhr van der Meulen verlangt, reeds is Januarij geschied is; Gedeputeerde Staten kennen de zaak en ontkennen de onvermijdelijkheid het voorstel is overigens niet het gevoelen van burgemeester en wethouders maar force majeure die dringt; ook hem evenzeer I als de beide wethouders grieft het en met leedwezen doen zij zoodanig voorstel. Dhr van Kerkwijk voegt daarbij, dat bet geen vrucht kan hebben de zaak aan Heeren Gedeputeerde Staten mede te deeJen liet gebrek zit in de armenwet, die bij wege van transactie de kerk eene verpligting oplegt en haar toch vrij laat ze al of niet na te komen; Gedeputeerde Staten hebben teregt en in den geest der armenwet gehandeld. Dhr van den Bosch beantwoordt denbeer van der Meuieji en zegt, dat ZEd. verkeert verstaan schijnt te hebben, dat de zaak kon blijven zoo als zij is. Dit is door hem niet gezegd en kan naar zijne overtuiging nietdaar liet in strijd zou zijn met art. 59 en 60 der armenwet. Bij hoofdelijke rondvraag verklaren al de leden zich voor het uitstel dezer zaak tot de volgende vergaderingterwijl ook het 2e punt (de gemeente begrooting) als daarmede in naauw verband staaude, wordt aangehouden. Op voorstel van burg. en weth.wordt besloten oih ook Wolphaarlsdijk te begrijpen, onder de gemeenten waarmede eene gemeenschappelijke verordening tol hulpbetoon bij brand zal worden vastgesteld en daartoe magtiging te vragen aan Heeren Gedeputeerde Staten. Het verzoek van E. de Meülmeester tot behoud van lichtramen ter vorige vergadering ingekomen en gesteld in handen van het bestuur over de bijzondere school der eerste klassekomt in behandeling. Dat bestuur adviseert om het verzoek des adressantsin te willigen, mits de ramen voorzien worden van rnat-glas de ventilatie boven aan de ramen in plaats van aan de onder- ramen worde aangebragt en de vergunning plaats hebbe tot wederopzegging. Conform dat advies wordt besloten. De Voorzitter deelt mede, dat de collecte voor de nood lijdenden heeft opgebrapjt 565,79 die zijn overgestort en waarvan het bewijs gedeponeerd wordt. Op uitnoodiging des voorzitters verlaat de secretaris de vergadering en wordt voorgelezen brief van heeren Ge deputeerde Staten, dat Zijl. zwarigheid moeten maken bet besluit van dezen raad tot betaling van 191.26 aan den secretaris, voor verrigte buitengewone werkzaamheden in 1852 en 1853goedtekeurenomdat dit besluit kennelijk ten doel heeft, de verhoogde jaarwedde over dien tijd te doen terugwerken, iets wat bij het besluit niet bedoeld is en door den koning niet bepaald. Vermits de billijkheid herhaalde malen door den raad is erkend, stellen burgemeester en wethouders voor, aan Z. M. den koning bij adres te verzoeken alsnog te bepalen, dat H. D. besluit zal geacht worden ingegaan te zijn met 1852 en om alsdan de betaling op onvoorziene uitgaven 1855 te doen. Waartoe besloten wordt. Worden medegedeeld de volgende ingekomen stukken Twee missives van heeren Gedeputeerde Staten houdende goedkeuring tot betaling van 306,54 uit de onvoorziene uitgaven. Gelijke missive houdende kennisgeving, dat bet door den gemeenteraad genomen besluit, om aan clen heer van der Bilt geene afschrijving van hoofdelijken omslag voor 1854 toe te staan, HKd. is voorgekomen in strijd te zijn met art. 245 der gemeentewet, waarom Zijl. dit ter vernietiging aan Z. M. den Koning hebhen voorgedragen. Waarvan den verderen loop zal worden afgewacht. Brief van den Heer Commissaris des Koningshoudende mededeelingdat de minister op het verzoek van den ge meenteraad besloten beeft, aan het verlangen tol bekoming van een telegraaf kantoor, tegemoet te komen en de hoofd ingenieur aangeschreven isdaarover inel het gemeente bestuur te handelen. Waarvan afschrift aan de kamer van koophandel zal worden gezonden. Missive van Heeren Gedeputeerde Stalen met het goed gekeurd kohier \an belasting der honden. Dito van de vaste commissie voor het Gnantie-wezendat zij geene verandering in bet belastingstelsel noodzakelijk acht; dan alleen de regeling der begrafenis regten, waarvoor de ontwerpen binnen kort zullen worden ingezonden. Dito van heeren regenten over de algemeene armen hou dende berigt van de installatie van den beer Pieterse. Dito van mevrouw de weduwe Vervenne, kennisgevende van het overlijden van haren echtgenoot. Waarop de deelneming van den raad zal worden hetuigd- Berigt van de commissie over de school voor minvermo genden en Je bewaarschoolmede berigt doende van het overlijden van den heer Vervenne. Brief van de goessche maatschappij voor stoom- en zeil vaartdie, erkentelijk voor de ondersteuning van de zijde des bestuurs ondervonden, als bewijs van erkentelijkheid en ter gedachtenis aan de eerste proefvaart, aan den gemeente raad eenen kristallen beker aanbiedt. De Voorzitter deelt mede, dat het voornemen bij de directie der maatschappij bestaan had dien beker bij de eerste aankomst met clen eerewijn aan te bieden doch daar de proefvaart toen niet gelukt was en de boot niet aanvaard kon worden, is daaraan geen gevolg gegeven kunnen worden. Dhr van Kerkwijk stelt voor dit geschenk aan te nemen en aan de directie dank te betuigen. Waartoe wordt besloten- Van de commissie voor de strafverordeningen: reglement op bet brandwezen, dat zal worden rondgezonden. en de staatsbladen no. 8 en 9. Daarna wordt de openbare vergadering veranderd in be sloten zitting, om te handelen over de opneming van ver latene kindereu in de godshuizen, minder geschikt tot be handeling in het openhaar. ff er drukkerij van F. KLEEUWENS kn ZOON, Uitgevers, Courantiers.

Krantenbank Zeeland

Goessche Courant | 1855 | | pagina 3