Na dwangarbeid Duitsland actief bij opsporen NSB'ers Winschoten Donderdag 2 mei 2002 EENDRACHTBODE, DE THOOLSE COURANT Op 7 november 2001 bezoeken Piet Lindhout en zijn vrouw uit Sint-Maartensdijk, en Han Moerland uit Sint- Annaland het stadje Winschoten in Groningen. Het is een bijzondere reis. Lindhout en Moerland zijn uitge nodigd door b. en w. van de Groninger gemeente om aanwezig te zijn bij de presentatie van een boek over Winschoten in de Tweede Wereldoorlog. Hoe een stra tenmaker en een huischilder via de Rotterdamse politie dwangarbeid in Duitsland verrichtten en betrokken raakten bij het oppakken van NSB'ers in Winschoten. Aanbiedingen Razzia Piet Lindhout en Kees Moerland opgepakt bij razzia van Rotterdam Jonge ventjes Honger lijden Bunkers bouwen In de modder Gestapo Hard nodig De schrijver Henk Strating biedt het boek aan aan burgemeester J.G. Vlietstra. Strating heeft een hoofd stuk gewijd aan de inzet van een po- litie-eenheid kort na de bevrijding. Bij die eenheid dienden Piet Lind hout en de vader van Han Moer land, Kees Moerland. Het is een feestelijke plechtigheid in de raadzaal. Lindhout en Moer land voelen zich vereerd. De 78-ja- rige Lindhout als overlevende, Moerland (54) als oudste zoon van zijn in 1996 gestorven vader. Lindhout: „Hoe is het toch moge lijk hè, dat twee jongens, uit Smur- diek en Setalland, via de Rotter damse politie terecht zijn gekomen bij de bevrijding van Winschoten? En zoveel jaar later in een boek staan en in het Noorden nog geëerd worden?" De geschiedenis van de politieman nen kwam weer helemaal boven drijven toen vorig jaar Lindhouts dorpsgenote Riek Polderman bij hem aanbelde en hem vertelde dat zij was benaderd door Strating die bezig was om een boek over Win schoten tijdens de oorlog te schrij ven. Strating was er bij zijn onder zoek achter gekomen dat een van de politiemannen, Lindhout, uit Sint- Maartensdijk kwam. Stratings echt genote bleek nog een nicht in de smalstad te hebben wonen: Riek Polderman, die daarop bij Lindhout aanbelde. „Ik bleek de enige overlevende van de groep. Alle anderen zijn overle den. Strating was natuurlijk heel blij mpt mijn verhaal over die perio de. Het staat ook in het boek." Bij Lindhout kwamen de herinne ringen weer naar boven. Hij wil ze nog wel eens vertellen, maar tijdens het gesprek valt hij af en toe even stil. Dan wordt het hem te veel. Van Cornelis Moerland Johs zn. die vol gens Han nooit veel over de oorlog vertelde, is echter wel een schrijven bewaard gebleven. Hij zette in het begin van de jaren negentig zijn 'le vensverhaal' op papier voor het krantje Volluk, van de familie Moerland. Gedeelten daaruit vullen het verhaal van Lindhout aan. Moerland was voor het uitbreken van de oorlog stratenmaker bij zijn opa Kees Moerland in Sint-Anna- land. Lindhout kwam na de am bachtsschool terecht bij zijn vader die huisschilder was in Sint-Maar tensdijk. „In de oorlog zakte het werk wat weg. De bezetter werd hoe langer hoe grimmiger. In 1943 moesten de lichtingen uit 1923 en Het was een straffe opleiding. Exer citie, wetten uit het hoofd leren. De leiding was hoofdzakelijk in handen van de NSB. Daar heb ik Kees Moerland ontmoet. Mijn enigste motief om bij de politie te gaan, was om niet naar Duitsland te hoe ven. Dat deden veel jongens. In de volksmond werd het POB ook wel de politie onderduikers bataljon ge noemd." Tijdens de opleiding werd aanvan kelijk niet aan politiek gedaan, ver telt Lindhout. „Er werd nooit ge vraagd of je Duitsgezind was. Op het einde van de opleiding deden ze wel aanbiedingen; of je lid wilde worden van een bepaalde groep. Of je onderduikers wilde oppakken. Dan zou je 500 gulden voor een on derduiker krijgen." In januari 1944 slaagden Moerland en Lindhout voor het examen bij de 'staatspolitie' en gingen dienst doen bij de politiecompagnie van Rotter dam. Zo'n compagnie telde steeds honderd man. „Onze groep was de eerste politiecompagnie van Rotter dam. We werden ondergebracht aan de Westersingel waar de gemeente Rotterdam drie grote herenhuizen als kazerne had ingericht." Volgens het wetboek van strafrecht waren de politiemannen opspo ringsambtenaar. Ze kregen beschik king over een karabijn en een pi stool. „We moesten persoonsbewij zen controleren bij het centraal sta tion bijvoorbeeld. En distributie kantoren bewaken. Dan zat je afge scheiden, als één man, in een bunker. Al snel dachten de mensen dat je Duitsgezind was. Die waren er wel bij, maar het gros was dat niet. Je kon als politieman de bezet ter ook saboteren door een oogje dicht te doen. Het gebeurde ook dat, als er een overval werd gepleegd op een distributiekantoor, dan de poli tie ook onderdook." 15 september 1944 was een bijzon dere dag, zo herinnert Lindhout zich nog. Het was de verjaardag van zijn moeder, maar op die dag wer den de Kruiskade en de Westersin gel afgezet met Duitse troepen. „Wij moesten aantreden met bewa pening. We dachten dat er iets bij zonders zou gebeuren. Overal zaten sluipschutters op de daken. Onze commandant zei dat we ontwapend zouden worden door de Wehrmacht en dat we ontbonden zouden wor den. Maar door toedoen van een ge- In Winschoten hield de politie-eenheid zich onder meer bezig met het interneren van NSB 'ers en het opsporen en arresteren van Duitsers die zich nog in dé omgeving schuil hielden. Hier bewaakt Lindhout (staand in de auto) samen met een collega een chef van de Duitse Gestapo, de geheime staatspolitie, tijdens een rondrit door de stad. 1924 naar Duitsland voor de Ar- beitseinsatz. Ik ben van 1924. Je ging toen verzinnen hoe je daar on deruit kon komen. Je zou onder kunnen duiken. Er is even sprake van geweest. Bij familie op Noord- Beveland, maar dat zag ik niet zit ten. Ik ben een doener. In die tijd stonden er advertenties in de krant om bij de politie te gaan. Ik had een nicht die was met Izaak Polderman getrouwd en die had ook de politie opleiding gedaan. Laat ik dat ook maar doen, dacht ik." Moerland werd via zijn oom (van moeders kant) Dimme Scherpenisse op het spoor van de politie gezet. Scherpenisse was zelf politieagent in Rotterdam, vertelt Han. Later werd hij teamchef van het bureau Sandelingenplein in de Maasstad waar Moerland en Lindhout werk ten. Moerland en Lindhout werden ge keurd en kwamen op 1 juli 1943 te recht op de opleiding in Schalkhaar bij Deventer, in een ontruimde mili taire kazerne. Lindhout: „Het poli tie opleidings bataljon, het POB. meenteambtenaar konden we toe treden tot de gemeentepolitie. Er was een tekort. Ik werd straatagent en werd gestationeerd in Rotter dam-Zuid op het Sandelingenplein. Dat was voor mij heel leuk want in de buurt, op de Beijerlandselaan, zaten veel mensen uit Smurdiek die daar waren geëvacueerd. Op de Sluisjesdijk had je het café 't Sluis je en daar stonden altijd wel een paar mannen uit het dorp. Als ik dan dienst had, dan ging ik daar naar toe om over Sint-Maartensdijk te praten." Ook 10 november 1944 staat in zijn geheugen gegrift. Dat was de dag dat er een grootscheepse razzia werd gehouden onder de mannelij ke bevolking van Rotterdam. Alle mannen van 17 tot 40 jaar kregen die ochtend het bevel zich te mel den, met bagage en een mondvoor raad voor een dag, om te werk ge steld te worden. Eind augustus had Hitier al besloten verdedigingslinies Piet Lindhout (links) en Han Moerland met het boek over Winschoten in de oorlog, waarin een hoofdstuk gewijd is aan de 'Vliegende brigade aan te laten leggen en de schade van de bombardementen te laten her stellen. De operatie kreeg de naam Organisation Todt (OT). Na Rotter dam zou Den Haag volgen, daarna Amsterdam en Utrecht. Seyss In- quart had de Führer beloofd om tus sen 1 augustus 1943 en 1 juli 1944 in totaal 150.000 arbeidskrachten naar Duitsland te sturen. Om de raz zia in Schiedam en Rotterdam uit te voeren waren achtduizend militai ren, met mitrailleurs en geschut en afweergeschut, plus luidsprekerwa gens ingezet. Een paar dagen voor de operatie had de Ordnungspolizei alle wapens van de Rotterdamse po litie in beslag genomen. De bevol king werd volkomen verrast. „Ik had ochtenddienst en liep met mijn boterhammen naar het bureau op het Amelandseplein. Op de Strevel- seweg zag ik een heel gedoe. Heel Rotterdam zat vol met Duitse mili tairen. We waren volledig ingeslo ten. Je werd zo van de straat opge pikt en bij de groep geduwd. We werden naar de havens gedirigeerd en moesten in een rijnaak. We wer den zo in de kolenschepen gesode mieterd. Ik had alleen mijn uniform aan en een paar boterhammen bij me." Ook Moerland werd opgepakt, ver telt Lindhout. „We zaten op hetzelf de bureau. Dat was toeval. We zijn gelijk opgepakt, maar hij zat in een ander schip. In totaal waren er 100 politiemannen bij, bleek later." De Rotterdamse en Schiedamse mannen werden vervoerd per sleep boot, rijnaak of trein. Ongeveer 20.000 mannen van de 50.000 wer den per schip afgevoerd. De mannen waren drie dagen on derweg. „Het was onbeschrijfelijk smerig. Allemaal gruis en stof. Er zaten zoveel mensen op elkaar ge pakt. Zo'n rijnaak is verdeeld in rui men van ongeveer 25 vierkante me ter. Daar zaten dan wel 150 man in. Je kon nergens je behoefte doen. Het was van tevoren allemaal ge pland en heel goed georganiseerd. Dat konden de moffen goed, maar het was gewoon mensen stelen." Na een nacht en een dag varen wer den de mannen in Amsterdam over gebracht naar de bananenloods in de haven, waar ze konden rusten en wat te eten kregen. „De vloer van de loods hadden ze helemaal vol stro gegooid. Toen moesten we weer in een rijnaak. We wisten niet waar we naar toe zouden gaan. Via het IJsselmeer zijn we toen naar Kampen gevaren waar we weer van boord werden gejaagd." Dat was op 13 november. Lindhout en Moerland kwamen terecht in de Theologische Hoogeschool. „Die werd bewaakt door Duitse parachu tisten, jonge ventjes van 18 jaar. Dat stelde niet veel voor. Het ergste was dat de bevolking van Kampen, die ons erg goed hielp door eten te brengen, dat na vier dagen verbo den werd." De mannen sliepen er op de vloer. Via het Rode Kruis probeerden de Rotterdamse agenten nog kleren over te laten komen, maar die zen ding werd door de bezetter in be slag genomen. „A la minute. We za ten nog steeds in hetzelfde schuitje. We waren nog niet uit de kleren ge weest." Het einde was nog lang niet in zicht. De mannen uit de rijnaken werden op 19 november op de trein naar Zwolle gezet. „Weer bovenop elkaar gepakt in een ouderwetse trein met houten banken. Ramen dicht. Onderweg hebben er twee ge probeerd te ontsnappen. Ze spron gen gearmd uit de trein maar wer den beschoten, precies door hun armen. Ze werden in de trein ge gooid en er werd verder niet naar omgekeken." De reis ging naar Ol denburg, ten noordwesten van Bre men. Een deel van de mannen bleef daar, de anderen reisden verder naar het doorgangslager Ohmstede. Sa men met andere burgers uit Rotter dam. „Het was heel slecht weer. We werden de trein uitgedreven: Los, los, riepen de moffen. Ze deden net of je misdadiger was. We kwamen in houten barakken terecht. In het kamp zaten Polen, Russen en Let ten. Als politiemannen zochten we elkaar op en we benoemden ook een leider, net als bij een vakbond. Onderofficier Trees van de rivierpo litie in Rotterdam, een man met een baard. We wilden er weg natuurlijk en verzonnen een verhaaltje. We zouden de grens weer overgaan bij Weener en daar vertellen dat we burgers hadden begeleid en dat we nu weer terug gingen naar Rotter dam. Maar die vlieger ging niet op. Er zaten mannen van de SS op het grensstation. We werden doorge stuurd naar Emden." De groep kwam in het lager Rüsten- burg terecht. „Weer een vies lager. In Emden zagen we pas wat de ge allieerde bombardementen uitricht ten. De stad lag voor een groot deel in puin. Vele gebouwen waren inge stort. Van 's ochtends tot 's avonds moesten we puin ruimen om de we gen weer vrij te maken." Moerland schrijft: „Als voedsel kreeg ik vier sneetjes brood, een klontje margari ne en 's avonds een kom soep. Dat was alles wat we per dag kregen. Dat was honger lijden." Zoals alle mannen van de compag nie had Lindhout het er moeilijk. „We regenden er doornat en er was weinig eten. We hadden nog steeds ons uniform aan. Kees Moerland was een van de voormannen. Die durfde veel. Die deed gevaarlijke dingen. Hij stal bijvoorbeeld brood uit de Wehrmachtkeuken. Die broodjes stak hij onder zijn uni form. Het is een wonder dat Moer land niet is doodgeschoten. Maar een mens doet veel voor een stukje brood." Lindhout zegt veel te danken te hebben aan Moerland. „Als je in de put zat, kon hij je opbeuren. Hij zag altijd nog wel een lichtpuntje." Na een weekje werden de mannen weer op transport gezet. Nu naar het zuiden, naar Osnabrück. „Ze scho ven ons van het een naar het ander, maar in Osnabrück werden we ge scheiden van de burgers en stonden we als 100 man apart. De druk op ons was groot. Als er een van ons zou vluchten, dan zouden er tien doodgeschoten worden, zeiden ze." Ook deze stad lag in puin. Moer land: „Osnabrück was een belang rijk spoorwegknooppunt naar het westelijk front waar iedere nacht werd gebombardeerd. Door honder den mensen werden er kraters ge dicht en de spoorlijnen hersteld zo dat er 's avonds weer een paar treinen door konden. Het was onbe gonnen werk." Lindhout: „Bijna geen enkel ge bouw stond daar nog overeind. We gingen nu niet naar een lager, maar moesten in de trein overnachten. De hele dag waren we bezig om de spo ren te herstellen die de geallieerden hadden kapotgegooid. De Duitsers hadden de stelregel: vannacht ka potgegooid, 's ochtends gerepa reerd. We stonden de hele dag ach ter de schop om spoordijken te herstellen, 's Avonds reden ze de trein met ons erin de polder in. In de trein konden we niet fatsoenlijk sla pen. Er was weinig eten en elke nacht kwamen er vliegtuigen om de spoorwegen te bombarderen. De nood was zo hoog dat we zeiden: la ten ze ons nu maar doodgooien." Moerland: „We waren gehuisvest in een coupé van een trein met acht man. Ik sliep in het bagagenet! Soms op de vloer of op de bank. Het was ondertussen december ge worden en erg koud. Er was ons be loofd dat we eten zouden krijgen via de OT. Bij het aantreden 's avonds kregen we te horen dat we niet goed gewerkt hadden en dan verdween het eten in de zwarte han del. Dit duurde een week en na die week met bijna geen eten, werden we weer op transport gezet." Lindhout herinnert zich een voorval uit die dagen. „Bij een van de hui zen die nog overeind stonden, kwam een vrouw in het zwart ge kleed naar buiten met een pannetje soep. We kregen allemaal een klein bakje. Ze vertelde dat er al twee zo nen van haar waren gesneuveld. Zij leefde met ons mee, zoals vele men sen onder de bevolking. Die soep was een geschenk uit de hemel." De mannen werden steeds naar an dere plaatsen gebracht. „Daar waar ze je nodig hadden. We waren goed koop personeel. We kregen bijna geen eten en drinken en toch werk ten we." Na Osnabrück werden ze verkast naar Rüstringen, ten zuiden van de stad. Na drie dagen gingen de dwangarbeiders weer terug naar Emden waar ze in het lager Neue Heimat bivakkeerden. Het slapen was er beter. Ook het eten. Op 11 december moesten ze weer weg en werden ze naar Norddeich vervoerd aan de Duitse Waddenzee. „Daar zijn we opgeknapt. De bewaking was er minder streng. We moesten bunkers bouwen langs de zeedijk. Vele kleine bunkers. We moesten karretjes met grind en zand duwen over de hoge zeedijk. Eerst ging dat met locomotieven, maar de diesel olie raakte op. We moesten ook prikkeldraad vlechten. We hebben een grote bunker gebouwd achter de dijk met een dak dat twee meter dik was. Er ging eerst gevlochten ijzer in, dan werd er beton op gestort en wij moesten met stokken de beton tussen het ijzer werken. Het werk ging dag en nacht door. De Duitsers waren bang dat de geaillieerden daar zouden landen." Moerland schrijft: „Eén van de bun kers lag op ongeveer zeven kilome ter van het dorp aan de zeedijk. Al het materiaal, zand, grint, cement enz. werd met een snelspoortreintje naar de bouwplaats gebracht. Ik werd aangesteld als machinist. Het bestond uit een diesellocomotiefje en 12 kuubse kipkarren. Het spoor tje lag over de kruin van de dijk. Nu wilde het geval dat er onder de dijk drie boerderijen lagen. Al gauw had ik een handeltje met die boeren. 'Per ongeluk' kiepte ik wel eens een kar waarvan de inhoud dan werd 'opgeruimd' door de boeren. In ruil kreeg ik spek, eieren en brood. Tegen de bouwleiding zei ik dan dat er een kar uit de rails was gelopen en die moest kippen om hem weer in het spoor te krijgen. Maar daar trapten ze niet in. Ik kreeg vier Russen mee die het spoor moesten opknappen. Na een paar dagen lag het er als een staatsspoor bij. Wat eten betreft had ik het daar niet slecht. Wel was ik er altijd op uit om eten te 'organiseren'." Lindhout: „Het was winter en koud, maar we kregen er contact met de bevolking die voornamelijk uit vis sers bestond. We hielpen dan wel eens als de vis aan wal werd ge bracht. Dan kregen we vis mee. Die kookten we in grote pannen. De ba rak was vies, maar van bunkerhout hebben we zelf kribben getimmerd. Met stro konden we jutezakken vul len. Van een oude kachel hadden we verwarming. Zo werd het steeds een stukje comfortabeler. We konden ons fatsoenlijk wassen en ook eens een hemd wassen." De houten barak was gecamoufleerd en stond in de modder. De mannen damden het water af en legden hou ten vlonders zodat ze niet met natte voeten de barak in hoefden. „We werden bewaakt door de Grüne Poli zei. Die was makkelijk. Zij zagen de capitulatie al aankomen. Ze waren goed voor ons. 's Avonds konden we naar buiten om hout te kappen voor de kachel en de keuken. Toen het in het voorjaar langer licht werd zijn Kees en ik bij een boerenvrouw voor eten en drinken de tuin wezen spit ten. Ze stond er alleen voor omdat haar man aan het Russische front zat, haar dochter in Italië en haar zoon in Noorwegen. Tot aan april zijn we als groep politiemannen bij elkaar gebleven, 's Avonds konden we overal karweitjes doen." Begin april was het plotseling af gelopen. Moerland: „Op een dag We hebben ons toen op 17 april met zijn negenen aangemeld bij commandant Hommes van de Bin nenlandse Strijdkrachten (BS) in Winschoten." De chirurg Hommes was comman dant van de ordedienst en van de BS (voortgekomen uit het verzet) en was gevraagd een eenheid te vormen om ondergedoken WA'ers en Landwach- ters op te zoeken. Op 18 april werd de eenheid een feit: Military police home forces. De mannen kregen een auto en meer wapens. Plus werd het uniform vernieuwd uit de voorraad kleding van geïnterneerde Winscho- ter NSB'ers. Lindhout: „We moesten hoofdzakelijk foute Nederlanders en Duitsers opsporen. Velen waren naar Oost-Groningen gekomen, op de vlucht voor de geallieerden. Er zaten ook leidingevende figuren tussen. We kregen tips van de bevolking. Ie dere dag was het wel raak. Ze moes ten ondergebracht worden in interne ringskampen. Zo hebben we een Gestapo-officier opgepakt die in Oost-Groningen veel mensen naar de concentratiekampen heeft ge stuurd. Het was een gevaarlijke fi guur. We hadden de tip gekregen dat hij in een klein boerderijtje zat. We zijn er eerst een paar keer rond gere den. Met drie man zijn we er naar toe gegaan. De bewoners ontkenden eerst dat hij er was. Op den duur bleek hij in de schuur te zitten. Hij gaf zich als een kleine jongen over. En het was toen overal de gewoonte om als je een grote vis ving, hem tentoon te stellen. Op de auto werd hij door Windschoten gereden. De man is de gevangenis ingegaan en la ter berecht." Voor Moerland begon in Winschoten een 'roemruchte periode'. „We meldden ons aan bij de Oost-Gro ningse verzetsbeweging. Een groep van negen man, waaronder ik, werd van wapens voorzien en we begon nen met het opsporen van NSB'ers, landwachters en andere verdachte personen. We kregen de naam de Vliegende Brigade. Inmiddels was het Poolse leger opgerukt tot Emden en was de oorlog afgelopen. Dat werd in Winschoten uitbundig ge vierd. Ons opgedragen werk begon nu in volle omvang." Er waren in Winschoten drie interne ringskampen. Lindhout: „In zo'n kamp zaten wel 600 mensen. Eentje was ondergebracht in een oude leer looierij. Dat waren grote loodsen die allemaal leeg stonden." Moerland kreeg de leiding over twee boerderij en in de buurt van Boertange die als kamp werden gebruikt voor de we gedaan hadden omdat we in de oorlog dienst genomen hadden." Lindhout kreeg daar op 28 juni 1946 uitsluitsel over van het ministerie van justitie. Volgens het zuiverings besluit uit 1945 werd hij gevrijwaard van het 'toepassen van maatregelen'.!; De zuiveringsmaatregelen in Rotter-) dam waren overwogen met betrek- king tot 447 politiefunctionarissen;! 161 werden geschorst (de 'fouten').' Er bleven er 286 over die niet 'fout' waren geweest. Begin 1946 waren er negen van hen gestaakt, was er 1 ontslagen en was aan 31 een discipli naire straf opgelegd: 245 gingen ge heel vrijuit. Lindhout keerde terug naar Sint- Maartensdijk omdat zijn vader ern stig ziek was. Op 1 januari 1946 is hem eervol ontslag verleend. Ook die brief heeft hij bewaard. „Ik' moest het verzoek wel omkleden. Ik was de enige zoon in het schilders bedrijf. Het was wel vreemd. Ik kon het hier niet gewend worden na alles wat ik had meegemaakt. Het was een grote terugval. Het was zo erg dat ik in het najaar van 1946 overspannen ben geraakt. Ik ben toen een half jaar thuis geweest. Het was gewoon een oorlogstrauma. Er was weinig aan te doen. Je moest gewoon weer op nieuw leren leven. Daarom ben ik la ter bij de brandweer gegaan. Dat heeft me geholpen. Dat gaf weer wat actie." Moerland bleef langer in de Maas stad. Hij trouwde er op 6 juni 1946 met Martina de Wilde en bleef in Rotterdam wonen. Lindhout was bij het huwelijk aanwezig. Maar ook Moerland keerde terug naar Tholen: „In mei 1947 nam ik ontslag bij de politie en ging ik samen met pa en oom Marien in de aannemerij wer ken. We gingen 'inwonen' bij oom Marien (aan de Ring - red.) omdat de woningnood groot was." Terug op Tholen werden de politie mannen met enig argwaan bekeken, zegt Lindhout. „Sommigen dachten dat je eruit gegooid was. Ze dachten al gauw dat je fout was. Dan kun je wel van iemand denken, maar de fei ten zijn anders. Het speelde nog een rol toen ik in 1984 als commandant afscheid van de brandweer nam en de gemeente me een onderscheiding wilde geven. Burgemeester Bae- rends vertelde me dat er bezwaren waren van het voormalig verzet op Tholen. Het is toen ook nog eens uit gezocht en ik kon documenten over leggen. Niemand kent deze geschie denis." Lindhout sprak er eigenlijk alleen met Moerland over die hij regelma tig bezocht. „Als ik terugkijk dan is het vreemd gelopen: je bent bij de politie gegaan om niet naar Duits- Op 18 april 1945 werd in Winschoten de Military police home farces opgericht waar maar liefst negen Rotterdamse politieagenten deel van uitmaakten. Piet Lindhout staat rechts achteraan naast de auto, Kees Moerland is de derde van links. kregen we te horen dat we naar het oostfront gebracht zouden worden om daar verdedigingswerken aan te leggen. We zouden te midder nacht vertrekken. Ik vluchtte ech ter met enkele agenten (collega's) richting Nederland. We kwamen in Nieuweschans terecht en doken daar onder. Intussen was het Pool se leger opgerukt tot aan het kanaal achter Nieuweschans. Wij zaten nog onder Duitse bezetting. Met nog enkele mensen zag ik kans het kanaal over te komen en trokken we naar Winschoten. Dat was al bevrijd." Lindhout vertelt dat het weinig heeft gescheeld of hij had het niet na kunnen vertellen. Het groepje vond op zondag 15 april onderdak in de Marechausseekazerne in Nieuweschans. Poolse eenheden namen de volgende dag het dorp in. „Ze schoten op de molen. Ik heb de eerste Poolse tank binnen zien rijden. Daarachter kwamen de troepen. We hebben ons bij de commandant aangemeld en werden meteen volledig bewapend met buitgemaakte wapens. We zijn toen direct tegen de Duitsers ingezet. Op een nacht lagen we samen met een paar collega's met de Polen in stelling ten oosten van Nieuwe schans, in een mitrailleurnest, en werden overvallen door drie Duit sers. Die Pool heeft ons toen gered door de Duitsers, die met getrok ken pistolen en op kousenvoeten naar ons toe waren gekomen, neer te schieten. Je kon echt merken dat het een ervaren frontsoldaat was. Hij heeft ons het leven gered." Nieuweschans werd evenwel her overd op de Polen. Lindhout trok met de Polen mee op een tank naar het Duitse Leer (bij de Eems). „We reden er tot op de markt. De bevolking kwam rond de tank staan. Je kon zien dat de men sen opgelucht waren. Maar het stond ons toch niet aan om met de Polen verder Duitsland in te gaan. NSB'ers, zegt Lindhout. „Hij be zocht ons regelmatig en kwam dan op een motor naar Winschoten. Een keer is hij uit de bocht gevlogen. Hij reed er ook op een paard rond." De Rotterdamse hoofdcommissaris wilde echter zijn politieagenten te rug. Maar Hommes, die inspecteur interneringskampen was en alge meen adviseur van het militaire commissariaat in Winschoten, schreef op 15 juni 1945 dat hij zijn dienders niet kon missen. De brief heeft Lindhout nog altijd bewaard en wordt geciteerd in het boek van Stra ting: 'Hun paraatheid, hun correct heid, hun snelle verplaatsing naar punten waar wat te doen was, gaf hun bij het Districtscommando van het Militaire Gezag Oost-Groningen den naam Vliegende Brigade, die overal ingezet werd waar daadwer kelijk zwaar werk te doen viel. Nu hoop ik, dat U ze weer zult afstaan voor de bewaking (als commandan ten) voor de interneringskampen hier, want zulke jongens hebben we hier hard nodig'. Een dag later (op 16 juni 1945) deel de le luitenant Nienhuis van de een heid aan dezelfde hoofdcommissaris mee dat hij Lindhout voorlopig had aangesteld tot 'hoofd inwendige dienst van het interneeringskamp Winschoten'. 'Hij heeft mij bij de opbouw en inrichting van dit kamp groote diensten bewezen en ik zag hem gaarne in deze functie beves tigd'. Lindhout: „We zijn met spoed terug gegaan naar Rotterdam. Ze zaten om politiemannen verlegen. We gingen er weer de normalestraatdienst doen. Maar we waren ook drie we ken gestaakt geweest van dienst, zo als ze dat noemen. Vanwege het onderzoek naar de politieke be trouwbaarheid, de zuivering. We mochten gaan en staan waar we wil den. Het ging erom uit te zoeken wat ben veel land te hoeven maar ik slechter wegggekomen." Han: „Vader heeft zeer weinig over de oorlog verteld. Als kleine jongen van een jaar of vijf, zes ben ik wel eens mee geweest naar Groningen waar we het huis bezochten waar hij samen met Lindhout in de kost heeft gelegen, bij kapper Fröhling. Hij was een gesloten man. Maar ieder voorjaar, in april en mei, had hij last' van de oorlog. Hij was dan zeer ge spannen en zorgelijk. Hij heeft daar gewoon een trauma aan overgehou-! den." Ook Moerland werd volgens zijn zoon door sommigen 'met de nek' aangekeken nadat hij uit Rotterdam was teruggekeerd. „Daar had hij wel de pest aan, maar ze wisten niet wat hij allemaal had meegemaakt in Duitsland en in Winschoten bij de vliegende brigade. Dat sleet dan weer." Kees Moerland leed ook aan een zeer ernstige vorm van Parkinson en was op zijn vijftigste al thuis. Op 20- april 1996 is in de Schutse op een tragische manier een einde aan zijn leven gekomen, zegt zijn zoon. Op zijn grafsteen staat: Je hebt je strijd in stilte gestreden. Bij Lindhout heeft het contact met Strating weer veel losgemaakt. Hij is blij dat hij - als enige overlevende van de politie-eenheid - nog heeft kunnen bijdragen aan de totstandko ming van het boek. Met foto's en do cumenten, met namen en verhalen. „Het is nu voor het nageslacht be waard." Geraadpleegde literatuur: -De zwarte dag van Rotterdam, 10 november 1944. Met tekeningen van Frits Jansen en tekst van Claas Ek- steen. -Winschoten 1940-1945, van Henk Strating, 2001, Uitgeverij Meinders -Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dr. L. de Jong, deel 10 en 12.

Krantenbank Zeeland

Eendrachtbode (1945-heden)/Mededeelingenblad voor het eiland Tholen (1944/45) | 2002 | | pagina 7