AXELSE COURANT Zijn wij een tuchteloos volk? De kolenvoorziening J. C. VINK Frankering bij abonnement, Axel WOENSDAG 9 JANUARI 1957 71e Jaargang No. 28 O NIEUWS- EN ADVERTENTIEBLAD VOOR ZEEUWSCH-VLAANDEREN VERSCHIJNT IEDERE WOENSDAG EN ZATERDAG Drukker-Uitgeefster: FIRMA J. C. VINK Red. en Adm.: Axel, Markt 12, Tal. 0 1155-646 Hoofdredactie: J. C.VINK Ideaal voor ieder die brieven schrijft! FIRMA Markt 12 AXEL. Men zegt wel eens dat wij Nederlanders een tuchteloos volk zijn. Wij drijven de hooggeroemde vrijheid zó ver, dat zij in bandeloosheid en vandalisme ontaardt, heet het dan. Discipline en zelftucht kennen wij niet. Wij vinden met dat wordt dan speciaal de jeugd van deze tijd, doch ook wel de ouderen bedoeld het heerlijk om van tijd tot tijd eens uit de band te springen en dingen te doen, waarvan een ge ordend volk zou moeten weten, dat het de grenzen overschrijdt. Wij maken van onze vrijheid dikwijls zodanig misbruik, dat het de vrijheid, het welzijn en het be lang van anderen aantast. Gevoel van betamelijkheid is vaak ver te zoeken. De voorbeelden heeft men voor het grijpen. In de nog niet zo lang achter ons liggende December-feestdagen, vooral van Oud en Nieuw, heeft men in vele plaatsen van ons land een hels 'kabaal kunnen aanschouwen en horen. Dat er voor een kapitaal aan vuur werk is „verdaan" is nog daaraan toe. Maar het gedonder, gekraak en geloei was niet van of uit de lucht. Het leek hier en daar we loorlog. Het was een ergerlijke geschie denis voor zieke mensen, slapende kinderen en zenuwachtige lieden. Men stoorde zich daarbij aan niets. Het was alsof dat alles geen geld kostte. Vele mensen ondervonden schade of hindernis. In vele gevallen moes ten brandweer en politie krachtdadig op treden. Klachten en nog eens klachten. Onze tuchteloosheid manifesteert zich ook in het openbare verkeer. Vandaar het grote aantal ongelukken. Van eerbied voor een andermans veiligheid is er geen of weinig sprake. Hoe sneller en hoe driester en roe kelozer, hoe mooier. Wij staan te dringen voor trams en treinen zonder respect voor anderen, ook niet als het vrouwen zijn of zwakkere ouderen. Als in vervoersgelegen- heden jongeren voor ouderen opstaan zijn wij getroffen over zoveel beleefdheid en goede manieren. In diverse plaatsen van ons land, vooral ten plattelande, worden bij fees telijke gelegenheden ware bachanaliën aan gericht op de openbare straat. Volgens in geroeste tradities mag dat. Men sleept van alle kanten brandbare rommel bijeen, men ontziet zich niet desnoods te roven en te plunderen van de boerenerven om zo groot en zo hoog mogelijke brandhopen te kunnen vormen en dan gaat tot groot vermaak van groot en klein de „fik" er in. Hoeveel schade en ongerief daardoor aan gericht wordt is niet te overzien. Men klaagt bij de autoriteiten over dit vérgaande van dalisme, en overwogen wordt strenge be palingen te stellen voor de productie van vuurwerk en het stichten van z.g. „feest- branden". Met een ongekende wellust wor den lantaarnpalen „onder vuur" genomen. Plantsoenen en tuinen worden achteloos platgetreden en begroeiing en bloemen ver nield. Zelfs ondanks bewaking dringt men leegstaande of in aanbouw zijnde huizen binnen en rammelt er op los. Lichtmasten vormen een geliefd object voor vernieling. Politierapporten spreken van tal van rel letjes tijdens de jaarovergang, die het ka rakter van straatoproeren aannamen, waar aan niet alleen de jongeren maar ook oude ren deelnamen en waarbij het zo toeging, dat de politie er met charges abn te pas moest komen en politiemannen gewond werden. En zo zouden wij voort kunnen gaan. Klachten en nog eens klachten over wat men geneigd is verwildering en tuchteloos heid te noemen. Feiten zijn feiten. Wat hier boven genoemd wordt berust op waarheid. Deze dingen gebeuren en zijn geen ver zuchtingen van bedaagde lieden, die ver geten, dat zij zelf jong zijn geweest en toen ook niet zulke lieve schatten waren. Wat moeten wij over dit alles zeggen Is er werkelijk een toenemende tuchteloos heid te constateren of dreigen wij zou gauw te vervallen in de fouten van ouderen, die menen en het ook zeggen, dat net vroeger toch anders en beter was, ondanks het feit, dat wij in beschaving uiterlijk althans en kennis toenemen en in stad en land hoe langer hoe meer deel krijgen aan en profi teren van moderne culturele waarden Men hoede zich voor overdrijving. Wij komen tot deze overdenkingen omdat wij ergens lazen van een mijnheer, die een groot deel van de wereld bereisd had en die verklaart, dat het nergens, althans in West-Europa niet, zo'n bende is als in ons land. Hij roept op tot strenge bestraffing van wat hij noemt de straatboeven en ver wijt de politie een te „zachte" hand te heb ben en te veel.toe te laten. Deze schrijver eindigt met woorden uit de Bijbel, te weten van Koning Salomo, die in Spreuken 23 vers 13 zegt„Weer de tucht van de jongen niet als gij hem met de roede zult slaan zal hij niet sterven gij zult hem met de roede slaan en zijn ziel van de hel redden." En hij besluit met deze zijn eigen woor den De hel der tuchteloosheid, die ons volk berucht heeft gemaakt in geheel West- Europa en wellicht verder. Met alle begrip voor en erkenning van de feiten, zoals boven genoemd, menen wij toch dat hier van overdrijving sprake is. Het spreekwoord zegtWie te vfeel iwil be weren of bewijzen, bewijst niets. De Fran sen zeggen het nog treffender Qui trop embrasse mal étreint. Wij en daarmee bedoelen wij de ouderen denken zo gauw dat vroeger alles beter was. Maar zelfs het citaat uit de Heilige Schrift zou er op kun nen duiden, dat het in Salomo's tijd ook niet zo ideaal was en vandaar zijn ver maning. Anderszijds staat voor ons vast en vrijwel alle opvoeders en opvoedkundigen zijn het er over eens, dat er van verslapping en gebrek aan tucht bij een deel der jeugd sprake is. Maar daar mogen wij niet alleen de hui dige jeugd op aanzien. De schuld daarvan treft de ouderen evenzeer en misschien nog meer. EN WAT ER ALLEMAAL AAN VASTZIT. Het regent in de kcrade herfstnacht. De automobilist in zijn behagelijk verwarmde wagen heeft van dat alles geen last. Regel matig zwiepen de ruitenwissers de water druppels van de voorruit. Vrrkeer is er op dat moment één uur des nachts nauwe lijks. Al enkele uren is de nachtelijke reizi ger in zijn zacht zoevende auto op weg van Amsterdam naar Heerlen. De rit wordt wat eentonig. Plotseling rode waarschuwings- lichten in de verte. Een gesloten spoorweg overgang bij Susteren tussen Roermond en Sittard. Onwillekeurig begint even later de reiziger de voorbijschietende spoorwagens te tellen. Al bij de tachtigste raakt hij verwon derd ovr de lengte van de trein. En als hij zijn auto start om verder te gaan, is hij in de buurt van de honderd de tel kwijt geraakt. Treinen van 120 wagons. De kans om des nachts voor een gesloten spoorwegovergang bij Susteren te komen, is zeer groot. Vooral tussen 11 en 2 uur is er daar een intensief spoorwegvervoer. Het is geen uitzondering hier dan treinen bestaande uit 120 wagons met elk twintig ton kolen te zien passeren. Dertig jaar geleden was dit Susteren nog een onbekend Limburgs dorp. Thans behoort het tot de grootste rangeer stations in ons land. De lange, zwaar be laden kolentreinen worden er samengesteld, die overdag maar vooral des nachts men hindert dan het personenvervoer niet met grote regelmaat naar het noorden rijden. Op enkele kilometers afstand van deze spoorbaan varen door het Julianakanaal, dat evenwijdig aan de Maas loopt, schepen ge durig af en aan. In Born een haven, ge ëxploiteerd door de Nederlandse Spoor wegen) en Stein een haven van de Staatsmijnen, die op één na de grootste bin nenhaven van Europa is nemen die vaar tuigen hun kostbare lading in. Treinen en schepen dienen slechts één doel huishouding en industrie tot in de verste uithoeken van ons land zo sneel moge lijk te voorzien van brandstof, die van hon derden meters diep uit de Limburgse bodem naar de oppervlakte is gebracht. Zonder ideze onafgebroken zwarte stroom zou onze samenleving niet denkbaar zijn. Jaarlijkse behoefte aan kolen ruim 18 millioen ton. En het gaat hier waarlijk om geen geringe hoeveelheden. Dat blijkt al dadelijk uit enkele cijfers. In 1955 bedroeg de z.g. verkochte productie d.i. de beschikbaar gekomen pro ductie verminderd met o.m. het eigen ge bruik van de mijnen en ue voorraadvorming) van alle twaalf Limburgse mijnen te zamen ruim 9J/2 millioen ton, bestaande uit kolen, cokes en briketten. Van deze hoeveelheden werd 2,3 millioen ton uitgevoerd dit is in hoofdzaak door de Staatsmijnen gefabri ceerde cokes, waarvan Zweden, Frankrijk, Luxemburg en Zwitserland grote afnemers zijn. Van de 9J^ millioen ton houden we dus ruim 7J/£ millioen ton over voor de verbrui kers in ons eigen land. Een groot deel hiervan wordt als huis brand geleverd aan de circa 2J^ millioen Nederlandse gezinnen. De kachels in de millioenen Nederlandse huiskamers zijn ver geleken met de stookketels van onze in dustrie, echter geen slokoppen van de kolen die we jaarlijks in ons land opstóken, Zelfs als we bij dit huishoudelijk gebruik de tien duizenden tonnen optellen, die jaarlijks in de ketels der centrale verwarming of kachels van openbare gebouwen, ziekenhuizen, kan toren, kerken en scholen gaan plus door de ambachtsbedrijven en kleine industrieën op gestookt worden, dan komen we in 1955 aan de 5, 8millioen ton. In hetzelfde, jaar beliep het verbruik in de industrie daarentegen 8,7 millioen ton, zodat bij elkaar 14,5 millioen ton nodig was. Het eigen verbruik van de mijnen is in dit cijfer echter niet begrepen en oo'k niet de hoeveelheden vetkolen, waarvan de Staatsmijnen de cokes maken (in 1955 circa 3,7 millioen ton). Wat er in Nederland jaarlijks aan kolen nodig is, is in totaal dus minstens 18 millioen ton. Daar de productie van onze mijnen circa 12 millioen ton per jaar beloopt, is er dus een flinke hoeveelheid buitenlandse kolen nodig. Stijgende energiebehoefte. De behoefte aan energie, aan warmte, ver lichting en kracht, waarvoor steenkool de belangrijkste bron is en voorlopig ook zal blijven, neemt allerwegen in de wereld nog toe. In ons land b.v. is in ruim vijftig jaar de bevolking meer dan verdubbeld. Voor dat gestegen inwonertal moet behalve warmte en licht, werk zijn. Daarom is en wordt de industrialisatie krachtig bevorderd. Dat be tekent allemaal een stijgende vraag naar energie. Deskundigen hebben berekend, dat het bruto-energieverbrufk in Europa tussen 1950 en 1975 met ongeveer 50% zal toene men. Al is men in ons land druk bezig met de aanleg van een nieuwe mijn (de Staats mijn Beatrix in Herkenbosch, niet ver van Roermond) en onderzoekt men de mogelijk heden van steenkoolwinning in de Peel, toch zal voorshands import van kolen onontbeer lijk blijven. Dat vijf jaar geleden voor België, Duits land, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Neder land de „Europese Gemeennschap voor Ko len en Staal" (E.G.K.S.) werd ingesteld, is dan ook voor de Nederlandse verbruiker van het allergrootste belang. De 160 millioen afnemers in de zes bij de E.G.K.S. aange sloten landen hebben immers nu een gemeen schappelijke markt. Zij kunnen daar kolen en staal kopen, waar dit hun het beste schikt. De consument heeft de zekerheid, dat zijn regering hem de nodige deviezen zal verstrekken en dat hij nergens douanerech ten behoeft te betalen. Hij weet, dat hij geen discriminerende maatregelen behoeft te vre zen en dat geen enkele regering zich meer zal verzetten tegen de levering van wat hij bestelt. Arbeids- en kapitaalintensief bedrijf. Voordat de kolen uit de Limburgse mijnen in uw haard of kachel liggen, moeten er bergen werk worden verzet. Dat niet alleen door de houwer aan het koolfront. Per slot van rekening staat maar ongeveer 30% van de gehele ondergrondse bezetting wat men zegt „aan de kool". Er is een grote staf van personeel nodig voor allerhande werk zaamheden, die direct of indirect met de ont ginning te maken hebben of met het trans port ondergronds. Ook enorme kapitalen zijn met de steenkoolproductie gemoeid. Een mo derne ont'koolmachine, die het werk van de houwer overneemt bij de Staatsmijnen wordt thans ruim een kwart van alle ge produceerde kolen geheel mechanisch ge dolven kost soms enkele honderdduizen den guldens Bovengronds al niet minder inspanning, organisatietalent en vernuft. Een voorbeeld Om scheiding tussen steen en kolen moge lijk te maken, maakt men in de z.g. cycloon wasserijen gebruik van een middelpuntvlie dende kracht, die 1000 tot 2000 maal zo groot is als de zwaartekracht. Kooldeeltjes tot 0,15 mm worden tezamen met de grote korrels daardoor nog behoorlijk uitgewassen. Dan is er nog het drukke spoorwegver voer tussen de mijnen annex veredelingsbe- drijven en de overgave-emplacementen van de N.S. of de havens. De Staatsmijnen b.v. hebben hiervoor een eigen spoorweg, die wat goederenvervoer aangaat, een van de druk ste van ons land is. Per jaar wordt er circa 10 millioen ton getransporteerd. Kolenhandel heeft belangrijke functie. Ten slotte is er dan de taak van de kolen handel. Die handel zorgt er voor, dat iedere Nederlander zijn brandstof netjes op tijd in zijn bergplaats krijgt. Hiervoor zijn ruim 100 groothandelaren, ongeveer 6000 detaillisten en 3000 slijters in de weer. De brandstoffen- handelaar stelt in de zomer, wanneer er wei nig vraag naar huisbrand is, zijn kapitaal en opslagruimte beschikbaar, waardoor een re gelmatige afvoer van de in ons land gewon nen steenkool mogelijk is. Dat is punt één. Punt twee is de belangrijke service, die hij verleent. Wat dit aangaat, heeft o phet plat teland de kolenhandelaar het meestal wat gemakkelijkr dan zijn collega in de stad. De plattelandbewoner beschikt doorgaans over een flinke bergplaats hij laat die in één of twee keer vullen en de handelaar is van hem af. Anders is het gesteld met de kolenhan delaar in de grote steden. Er zijn er zoals in Den Haag die zo'n 15.000 klanten moeten bedienen. Dat wil zeggen dat zo'n 70.000 mensen zich warmen aan de kolen van een dergelijke firma. De bevolking dus van een niet eens zo kleine Nederlandse stad. Hierop is zo'n kolenhandel geheel inge richt. Mechanische losinstallaties zorgen dat een wagon van 20 ton kolen in een paar uurtjes leeg is. De stedeling is verder veeleisend. Hij ver langt zo min mogelijk gruis tussen zijn kolen. „Accoord", zegt de handelaar en moderne zeefmachines scheiden dat gruis zorgvuldig van de nootjes. „Ik moet mijn kolen desnoods onder het ledikant opbergen", zegt de Hage naar, die ergens vierhoog inwoont en maar 2 kamers tot zijn beschikking heeft. „Best", antwoord de brandstoffenhandelaar en ver pakt de kolen keurig in papieren zakken van één-tiende hectoliter. Machines zorgen, dat die zakjes met precies die hoeveelheid wor den gevuld. Amerikanen in de Residentie smijten met zak en al de kolen in de ver warmingsketels. De manier om geen vuile handen te krijgen Vakjargon kolensjouwers. „Kat in bakje" noemen de kolenbezorgers van zo'n grote Haagse firma het afleveren van hele autovrachten kolen tegelijk in de stortgaten der kolenbunkers onder grote ge bouwen. Het is één van de schilderachtige uitdrukkingen uit de „vaktaal" der kolen sjouwers. Zo'n kat in bakje is een gemakkelijk kar weitje, vooral als u dit vergelijkt met de af levering van kolen in een kelder, die alleen te bereiken is met een sterk hellende wentel trap of in een zolderkamertje in de nok van een huis. Dergelijke situaties heten dan ook jeen „rot put". Er zijn gevallen die tussen deze twee uitersten inliggendie noemen de mannen van het zwarte corps dan ook een „slijmertje". Van de meeste klanten weet men op de afdeling Expeditie precies waar de kolen afgeladen moeten worden. Nieuwe klanten moet men echter eerst „verkennen". Ondanks de grote afzet rust men bij zo'n grote kolenhandel nimmer op zijn lauweren. Voortdurend is men in touw om klanten te winnen en van dienst te zijn. Er is vaak een complete stooktechnische dienst, die gratis adviezen verstrekt. Neen, we heben niet te veel gezegd met oze bewering, dat er heel wat komt kijken voor de 'kolen goed en wel in uw kachel liggen Mr. W. C. Schuitman. GRIEP? Mijnhardt's Grieppoeders. Doos 50 ct. ABONNEMENTSPRIJS: Loste nummers 6 cent Kwartaal-abonnement i Axel binnen de kom f 1,55 Andere plaatsen f 1,75 Buitenland f 2,00 ADVERTENTIEPRIJS: 8 cent per m.m. Bij contracten belangrijke reductie. !n$» xonden Mededelingen 20 cent per m.m. Klein*. Idvertentiën (maximum 6 regels) 1-5 regels 70 cent iedere regel meer 12 cent extra.

Krantenbank Zeeland

Axelsche Courant | 1957 | | pagina 1