Nieuws- en Advertentieblad voor Z e e u w s c h - V1 a a n d e r e n Een moeilijke taak. No. 6. DINSDAG 19 APRIL 1932 4 Se Jaarg. Dr. J. Th. de Visser. FEUILLETON. J. C. VINK - Axel. Buitenland. Dit blad verschijnt eiken Dinsdag- en Vrijdagavond. ABONNEMENTSPRIJS: Per 3 maanden 75 Cent; franco per post 1 Gulden. Afzonderlijke Nos. 5 Cent. Zooals we schreven, lazen we in verschillende dagbladen be schrijvingen van den persoon en het werk van dr. de Visser, als mensch, dominee en politicus. Een van de meest sympathieke artikelen vonden we in de „Avp." en gedachtig aan de goede ge woonte, om toch onze groote mannen te eeren, ook na hun leven, meenden we goed te doen, met een greep te doen, uit het geen D. H(ans) van dr. De Visser schreef Het was vooral in onze dagen, een weldaad om te zien naar figuren als de zijne. Man van krachtige religieuze en politieke overtuiging, stak hij niettemin met hoofd en schouders boven alle partij-gedoe en klein politiek streven uit. Wat deze man in zijn leven zocht en vond in no bele toewijding wasde saam binding. Was niet allereerstzijn groep, maarzijn volk. Zoo werd hij een nationale figuur. Telkens, als ons volk in zuiver-nationaal streven naar een figuur, r.aar een stem zocht, om, op hoogtij-dagen uiting te geven aan wat diep leeft in de ziel der natie, kwam het bij De Visser terecht. In hem vereenigden zich vele stroomin gen en inzichten, om zich op te lossen in een hoogere eenheid Hij was vervuld van dien echt- christelijken geest, die in alles de goede kern weet te vinden, en die gelooft, dat wij kleine en zoo vaak hulpelooze menschen toch op verschillende wijzen kunnen streven naar het ware en het goede. Met warmte in zijn stem kon De Visser nog altijd spreken van zijn leermeester Nicolaas Beets, en de woorden van dezen dichter- theoloog Partij-man wezen wil ik niet, lk wil geheel mijn volk, behooren, waren op onzen Minister van Staat volkomen van toepassing. En zoo heeft hij om het Evan gelie te verkondigen, op den kansel van onze prachtigste kathedralen gestaan, waar de grootste en rijkste orgels met hun machtige metalen stemmen den zang begeleidden, en hooge ge welven het statige gebouw schra gen, maar den volgenden dag sprak hij, in een volksbuurt, op het schamele podium van een Leger-des-Heils-zaal. en aan zijn voeten zaten de muzikanten van het Heils-leger met hun tamboe rijnen. En als de vrijzinnige Pro testantenbond hem, den man van orthodoxe geloofsovertuiging, vroeg om in zijn midden het ontstaan van het Protestantisme te komen bespreken, dan aarzelde hij geen oogenblik, maar hij be klom ook daar den kansel, en een stampvolle zaal van vrijzinnig- godsdienstigen luisterde geboeid naar het klare prachtig-gebouwde betópg, en naar de regelmatige, forsche stem die van geestdrift trilde bij het herdenken der Re formatie. Na zijn eervolle en vruchtbare loopbaan in het parlement en aan de Regeeringstafel (hij was zeven jaar lang een voortreffelijk Mi nister) heeft dr. de Visser zich niet te rusten gezet. Neen. Hij schreef zijn groote stan daardwerk «Kerk en Staat" en hij bleef, tot op den laatsten dag toe, zijn volk in tal van functies en aan het hoofd van velerlei organen en corporaties dienen. En vele malen ging hij dan, 's Zondags, nog de trappen van den preekstoel op, want dominee is hij altijd gebleven en wanneer er in zijn ministers-jaren een- v.oudigen kwamen, uit de kringen van de protestantsche werklieden en ze wisten zoo gauw geen raad met zijn titel en ze spraken hem aan met „dominee", dan kwam er een lach op zijn ge zicht, want dat vond hij maar wat prettig. En zoo verrichtte dominee de Visser dan ook nog vaak op den Zondag-morgen het werk, waarmee hij een halve eeuw geleden in het kleine en liefelijke Leusden begon. De Visser was een redenaar. Maar een redenaar in bizonderen DRUKKER-U1TGEVER zin. Ik heb als jongen, als kind reeds onder z'n gehoor gezeten. Steeds waren er de kerken over vol. De Visser trok de menschen tot zich en tot de kerk Door z'n eigenaardig spreektalent. Hij was een kansel-redenaar en toch was hij het weer niet. Hij had niets van de franje en de trucjes, die zooveel dominee's ter „versie ring" in hun preeken aanbren gen, niets van „den prediker hoog in de lucht", wiens rede „een galmend geiucht" is. En datgene, wat de vrouwelijke kerkgangster bedoelt als zij zegt dat dominee „dierbaar" preekte, bezat hij volstrekt niet. Hij heeft de menschen altijd onder beko rende suggestie gebracht door een zekere rustige, breede voor naamheid in z'n spreken, zor.der een oogenblik aarzelen of hape ren, helder en begrijpelijk en menschelijk. In een persgesprek over de richtingen in de Ned. Herv. Kerk, zeide dr. De Visser eens, dat hij daaromtrent somber gestemd was. Hoe langer hoe minder staat men in vlam voor het gemeenschappe lijk ideaal. Er komen steeds meer schotjes en hokjes. En dat is mijn geest niet. Voor mij is het geloof bovenal een persoonlijke relatie tot een persoon, tot Jezus Christus. Christendom en leer zijn voor mij nevenbegrippen. Het is de persoonlijke relatie die bovenal invloed oefent op de menschen. Als u aan uw ouders en leermeesters denkt, dan denkt u niet in de eerste plaatswat leerden ze maarwat waren ze loo is voor mij het Christendom een persoonlijke relatie tot Chris tus de leer komt eerst daarna. Van de leer gaat voor mij nooit een heel weldadige invloed uit. lk verheug er mij over, dat onder de vrijzinnigen en ook in andere kringen meer en meer het intellectualistische en materialis tische standpunt wordt prijsge geven. Ook onder de sociaal democraten Men heeft onlangs tot mij gezegd nu het religieuze beginsel onder de socialisten veld wint, worden ze dubbel gevaar- ADVERTENTIÈN van I tot 5 regels 60 Centvoor eiken regel meer 12 Cent. Greote letters werden naar plaatsruimte berekend. Advertentiën warden franc® ingewacht, uiterlijk t«t Dinsdag- en Vrïjdagvoormiddag 11 ure. lijk. Daarmede ben ik het niet eens. Ik waardeer het verschijn sel, en ik hoop zelfs, dat het in de toekomst geleid zal worden in de bedding, die leidt tot de erkenning van de positieve vor men van het Christendom, met de persoonlijkheid van Christus als middelpunt. Want nog altijd is en blijft dit het criterium wat dunkt u van den Christus Dit blijft het onderscheid bepalen. En overigens hecht ik niet aan den vorm als men maar in de goede richting ziet. „Och" zei hij met een zachte stem, waarin bewogendheid trilde, „ik zie zooveel brave menschen, ook aan de linkerzijde, ik zie er menigeen, die veel beter is dan ik!" Ook aangaande zijn politieke loopbaan was dr. De Visser be vredigend. Ik heb alzoo zeide hij liefde en waardeering ge vonden, veel rr.eer dan ik ver diende, en ik heb er mij dikwijls klein onder gevoeld. Vooral als minister had ik een gezegende loopbaan. Aan het contact met de Kamer heeft nooit iets ont broken. Ik zie met groote dank baarheid op dat alles terug. In de studeerkamer van den staatsman hing o.a. het volgende versje Dit zij het doel, waarnaar gij streeft Eens, aan den eindpaal uwer wegen Te mogen denken: 'k Heb niet vergeefs geleefd, Ik was gezegend, en tot zegen. Het doel, in dit eenvoudige liedje genoemd, heeft deze chris ten-staatsman bereikt. De brDinhemden. De Fransche pers volgt de gebeurtenissen in Duitschland met de grootste aandacht. Van de ontbinding der national-soci- alistische stormafdeeling maken de bladen met groote voldoening melding. Algemeen leggen de groote bladen verband tusichen dezen maatregel van de Rijksregeering en de Ontwapeningsconferentie en zij interpreteeren het aldus, dat de Duitsche regeering er prijs op stelt met een zuiver ge weten de hoofdbesprekingen te Genève te willen beginnen. Portinax geeft in de „Echo de de Paris" uitdrukking aan zijn verbazing, dat de Rijksregeering dit besluit pas zoo laat heeft ge nomen. Men heeft wel ingezien, dat het te Genève zeer moeilijk zou zijn gevallen de overige mogendheden van de vreedzame bedoelingen van Duitschland te overtuigen, wanneer men naast het officieele Duitsche leger, een 400,000 man sterk illegaal leger zou hebben laten voortbestaan. De „Petit Parisien" schrijft, dat men tegenover de z.g. een heid in het Duitsche kabinet tamelijk sceptisch dient te staan. De betrekkingen tusschen het hoofdkwartier van de Rijksweer en het hoofkwartier van Hitier zijn te nauw en te hartetijk ge weest, dan dat de ontbinding van de stormtroepen met een gerust geweten door tal van generaals zou zijn aangezien. Duitschland heeft echter niet het gevaar willen loopen te Ge nève rekenschap te moeten af leggen over het bestaanrecht van het leger van Hitier. Bij de beoordeeling van het verbod der na.t.-socialistische mi litaire organisaties, houdt de Engelsche pers zich volkomen aan de officieele motiveering en verklaart algemeen, dat de ver dere ontwikkeling der Duitsche toestanden nog ernstige zorg blijft baren. De „Daily Expres" wijst op de moeilijke positie van Hitier. Toch is voor hem de zaak nog niet verloren. Wanneer hij zijn Ieg?r moet ontbinden, dat hem echter trouw blijft, wanneer hij zijn lijf garde ontslaat en niettemin zijn invloed op het publiek behoudt, wanneer hij de macht van den staat erkend had zonder zijn overtuiging prijs te geven, dan zal hij leven om de gekozen En zou lk u nu een oogenblik (Wordt vervclgéJ AXELSCHE COURANT Bureau Markt C 4. Telef. 56. - Postrek. 60263. 28) De vreemdeling stotterde dit nog een paar maal en nam eerbiedig zijn hoed af. Ik heb u voor uw broeder Maximiliaan aangezien, die, naar ze zeggen, op het oogenblik te Rosny is. Ik kan u wel zeggen, dat dit niet waar is, antwoordde de RoSny, want ik kom er juist vandaan. En nu mijnheer, daar we de poorten nog door willen, zult u ons wel moeten verontschuldigen, waarop hij boeg en doorreed. Ze gingen een eind voor ons uit den weg, waarvoor de Rosny met een hooghartig gezicht bedankte, en nau welijks ontsnapt aan de gevangenne ming, reden we door de pooit. De eerste straat, die we doorkwamen, was breed en mijn reisgenoot kwam daarom naast me rijden. Dat was me een avontuur, me neer de Marsac. Het angstzweet staat me nog op het voorhoofd, ik heb dien truc meer dan eens toegepast, want mijn broeder Salomon en ik gelijken als twee druppels water op elkander. Als een van die gekken hem goed gekend had, dan waren we er niet loo doorgerold. Eind goed, al goed, zeide ik op zachten toon, daar ik er het oogenblik niet voor vond, hardop complimenten te maken. Ineens kwam Maignan ons Verteilen, dat we gevolgd werden. Ik keek om, maar ik zag niets dan tegen en duisternis en enkele men-» «chen, die onder de overhangende luifels stonden. De bedienden echter hielden vol, dat het zoo was, en zon der stil te staan overlegden we een oogenblik wat ons te doen stond. Als we ontdekt werden dan zou men ons in een valstrik lokken en ik merkte op, dat het de Rosny speet over Blois te zijn gegaan. Het kasteel, dat aan het einde van de straat somber en drei gend verrees, gaf me een koude ril ling en moest voor hem nog iets huiveringwekkender hebben. We wis ten echter geen uitweg te vinden en besloten dus naar de herberg te gaan waar onze geestverwanten gewoon waren te logeeren. We stegen voor het logement af. Nauwelijks waren we binnen, of Magnain kwam ons achterna en wees ons een man, die voor de deur heen en weer liep, als hield hij de wacht. Helaas, zeide de Rosny, het is onvoorzichtig dat we hier langs zijn gekomen. Zoudt u niet kunnen vluchten De wallen overklimmen of zoo iets vroeg ik. Dat zouden ze ons in „Het bloe dende Hart" kunnen vertellen. Maar ik vrees er voor. Och, het is stom van me, dat ik me hier gewaagd heb binnen het bereik van Mendona. Maar daar is Maignan weer. Wat is er? vervolgde hij haastig. De man is weg. edele heer. En heeft hij iemand achter ge laten Niet zoover ik zien kan. We gingen naar de andere kamer en keken door de ramen. De man stond niet meer op dezelfde plaats. De regen viel bij atroomen neer, de luifels dropen, de straat was verlaten 1 en somber, met hier en daar een licht j de man kon dus net zoo goed ergens anders zijn gaan staan. Maignan hield echter vol, dat hij vreesde dat de man met een bedoeling was weggegaan. Daar is op het oogenblik ver der niet veel aan te doen, antwoordde de Rosny. Als het op vechten aankomt, ben ik niet bang. Laten we nu gaan eten, want ik heb honger. We waren nog niet klaar mtt eten, toen Simon Fleix, vergezeld van Maig nan, met een bleek gezicht binnen kwamen. EJele heer, zeide hij, nu zijn er drie mannen te voorschijn gekomen. Twee van hen blijven op een paar pas afstand. De derde is naar binnen gekomen. Terwijl hij sprak hoorden we bene den luid praten. Maignan wilde naar beneden gaan. maar zijn meester ver zocht hem een oogenblik te blijven staan. Laat de vrouw des huizes het huis verlaten, zeide hij. Ik merkte nu op hoe koelbloedig de Rosny was, iets wat me lang is bijge bleven. Zijn pistolen had hij reeds klaar gelegd op een stoel naast hem, terwijl hij ze met zijn mantel bedekte. Terwijl we in ademlooze stilte wachtten, zag ik hem een stuk brood met vleesch aan zijn rijknecht ovei- handigen, die het met de grootste kalmte begon op te eten. Simon Fleix daarentegen zag zoo wit als 'n lijk en rilde over zijn geheeie lichaam. Hij staarde met een angstig gezicht naar de deur, bang dat hij een or andere domheid zou begaan. Ik fluisterde hem toe dat hij niets zou doen voor er bevelen gegeven werden, Op het» zelfde oogenblik deed lk twee van de vier kaarsen uit, die waren aangesto ken, terwijl de Rosny me goedkeurend toeknikte. Opeens had het gepraat beneden opgehouden en hoorden we een zware» stap naar boven komen en dadelijk daaiop geklop op de deur. Gehoorzamend aan den blik van mijn reisgenoot, riep ik: Binnen. Een lange slanke man, gelaarsd en gespoord, met htt gelaat half verbor gen in zijn grooten mantel, kwam naar binnen en na de deur achter zich gesloten te heoben, ging hij snel op de tafel toe: Wie is de Rosny? zeide hij. De Rosny had zijn gelaat voorzich tig van het licht afgewend, maar de klask van de stem hoorend, draaide hij zich met een kreet van verlichting om. Hij wilde spreken, toen de bin- nengetredene zijn hand gebiedend om hoog hief en vervolgdeQeen namen, alsjeblieft. De uwe is, naar ik veronderstel, hier wel bekend. De mijne niet en daarom wil ik hem ook niet hardop hooren noemen. Ik zou u graag spreken, dat is alles, Ik ben u zeer verplicht, ant woordde de Rosny opgewonden. Maar wie heeft u verteld, dat ik hier was lk zag u onder een lantaarn voorbijgaan, toen u door de straat reed, antwoordde de vreemdeling Ik herkende eerst uw paard en toen u en verzocht aan een knecht om u te volgen. Qeloof me, zeide hij met een geruststellende handbeweging. U hebt niets van mij te vreezen. Ik neem die verzekering op de zelfde wijxe aan, zooals ze mij gege ven wordt, antwoordde mijn reisge noot met een beleefde buiging. kunnen spreken? vroeg de vreemde ling. Ik maakte aanstalten om mij terug te trekken, maar de Rosny beval Maignain om licht in het nevenvertrek klaar te zetten en zich tegenover mij verontschuldigend, trok hij er zich met den vreemdeling terug, mij zeer verbaasd en nieuwsgierig achterlatend. Ik begreep absoluut niet wat dat be zoek beteekende. Het eene oogenblik dacht ik, dat het de broer van de Rosny was, dan weder meende ik dat het de Engelsche gezant was en ook kreeg ik het gevoel of het de heer de Briihl was. Zij bleven ongeveer een kwartier samen. De vreemdeling groette mtj zeer beleefd. Bij de deur zeide hij Dus dan om negen uur. Om negen uur, antwoordde de Rosny. U zult het mij zeker wel niet kwalijk nemen, dat ik u niet uit laat markies. Ja, ga liever naar binnen, antwoordde de vreemdeling. Bijgelicht door Maignan, die bij dergelijke gelegenheden een stalen ge zicht kon zetten, ging hij de trappen af en vertrok. De Rosny wendde zich met glin sterende oogen en een stralend gezicht tot mij. De koning van Navarre is beter, zeide hij. Men zegt dat hij buiten gevaar is. Wat zeg je daar wel van, beste vriend Dat is het aangenaamste nieuws, dat ik sedert lang gehoord heb, an> woordde ik, en voegde er bij, dat Frankrijk wel reden had om dankbaar te zijn.

Krantenbank Zeeland

Axelsche Courant | 1932 | | pagina 1