Nieuws- en Advertentieblad vóór Zeeuwsch- VI aan deren. No. 1. VRIJDAG 1 APRIL 1932. 48e Jaarg. J. C. VINK - Axel. Doelmatige Overheidsbemoeiing. FEUILLETON. Een moeilijke taak. Kamer van Koophandel. Dit blad verschijnt eiken Dinsdag- en Vrijdagavond. ABONNEMENTSPRIJS: Per 3 maanden 75 Centfranco per post 1 Gulden. Afzonderlijke Nos. 5 Cent. DRUKKER-UITGEVER ADVERTENTIËN van 1 tot 5 regels 60 Centvoor eiken regel meer 12 Cent. Groote letters werden naar plaatsruimte berekend. Advertentiën worden franc® ingewacht, uiterlijk tat Dinsdag- en Vrqdagvoormiddag 11 ure. Er wordt in den laatsten tijd meer en meer aangestuurd op overheids-bedrijven en behalve dat we hebben licht- (gas en electriciteit) grondexploitatie, wa ter, trams en misschien nog en kele andere bedrijven, ziet men ook op velerlei gebied een soort neiging om van overheidswege zooveel mogelijk zelf te doen. Als particulier kunnen we daar niet sympathiek tegenover staan en we achten het goed, dat daarop in de laatste raadsvergadering alhier eens het licht is gevallen. Hoewel men ons kan tegenwer pen, dat het nut van zelfexploi- tatie niet te weerleggen is, moeten we toch opmerken, dat het meer malen de vraag is, of het wel opweegt tegen, of evenredig is aan de kosten, die in overheids bedrijven worden gemaakt. En als we overtuigd zijn, dat in be paalde gevallen men niet buiten overheidsexploitatie kan, dan wil dat niet zeggen, dat het daarom niet voordeeliger of economischer zou kunnen. Er zijn zóóveel factoren, welke verschil geven tusschen particuliere en overheids- bedrijfsleiding en uitvoering, dat men alleen daarover kolommen kan vullen. We laten dat onbesproken, maar het komt ons voor, dat zooveel mogelijk getracht diende te wor den, dat de overheidsbedrijven, voornamelijk gemeente- en pro vinciale bedrijven onder zoodanige leiding worden gesteld, dat zij de particuliere exploitatie even aren. We lazen over dat onderwerp in „De (groene) Amsterdammer" een artikel van de hand van Prof. Mr. F. G. Scheltema, dat we hier laten volgen, opdat men er zijn conclusie uit trekke. Er is op het eerste gezicht aldus de schrijver inderdaad tusschen de begrippen „demo cratie" en „doelmatig overheids bestuur" een zekere wanverhou ding. De democratie legt het overheidsgezag in handen van vertegenwoordigende colleges parlement, staten, raad die in menig opzicht de qualiteiten, noodig voor een zakelijk beheer, missen. Er is een (in een college van hoofdzakelijk op grond van politieke praestaties gekozenen welhaast vanzelfsprekend) gemis aan deskundigheid ten aanzien van vele technische aangelegen heden er is overlading van ar beid, die belet, details naar be- hooren te behandelen er is, last not least, de practische onmoge lijkheid van snel besluiten en handelen, die een zakelijk beheer vóór alles verlangt. De ver-doorgevoerde democra tie, de democratie, waarin alle overheidsbemoeiing geschiedt door, of althans onder de directe controle van, de vertegenwoordi gende colleges, is met een doel matige overheidsbemoeiing inder daad moeilijk te rijmen. Is verzoening tusschen de twee desiderata (het democratische en het doelmatige) mogelijk Inderdaad mits de democratie niet tot dat uiterste wordt door gevoerd mits zij zich eenige zelfbeperking weet op te leggen mits zij de verzorging van zuiver zakelijke belangen aan de poli tieke sfeer weet te onttrekken, en durft toe te vertrouwen aan lei ders, die binnen zeer wijde gren zen zelfstandige gestie kunnen voeren. Ruime delegatie van be voegdheid met betrekking tot economisch beheer moet het pa rool der democratie zijn, wil zij aan de eischen der doelmatigheid kunnen voldoen. Te constateeren valt, dat de ontwikkeling der overheidszorg in de latere jaren, en, in aan sluiting daaraan, de ontwikkeling van ons staats- en administratief recht, inderdaad in deze richting geschiedt. Men kan b.v, wijzen op de toenemende neiging van provincies en gemeenten, om hun bedrijven in den vorm van stich tingen of naamlooze vennoot schappen te gieten (electriciteit, drinkwater, gemengd trambedrijf e.d.) waardoor deze bedrijven worden losgemaakt uit het poli- tiek verband, en als gewone par ticuliere bedrijven kunnen worden beheerd; op de mogelijkheid, die sinds 1922 onze Grondwet biedt, om overheidsorganen (niet nood wendig vertegenwoordigende) in het leven te roepen, aan weike bepaalde overheidsbelangen ter behartiging kunnen worden opge dragen (mogelijkheid, waarvan tot dusverre nog niet is gebruik ge maakt) men kan eindelijk wijzen op de positie van de openbare staats- en gemeentebedrijven, die weliswaar in form eel en zin nog steeds door een departe- ments-hoofd of door B. en W., onder controle van parlement of raad, worden beheerd, maar waar van vele in f e i t e 1 ij k e n zin reeds eer. groote zelfstandigheid genieten. Toch is het de vraag, of juist in dit laatste opzicht niet verder moet worden gegaan. Indien het b.v. waar is, dat bij de benoeming van directeuren van gemeentebe drijven nog wel eens de politieke richting in stede van de bekwaam heid van den benoemde den door slag geeftindien het waar is, dat ontslag ook van totaal onge schikte werknemers in het pu blieke gemeentebedrijf vrijwel uitgesloten is, dan beteekent dat, dat het overheidsbedrijf, wat zijn efficiency betreft, noodwendig bij het particuliere achterstaat, en dat die achterstand alleen kan worden ingehaald, door de staats- en gemeentebedrijven rechtens een meer zelfstandige positie toe te kennen, dan zij thans bezitten. Ik kan, naar gezegd, in het voorgaande slechts hoofdlijnen trekken. Die hoofdlijnen loopen in de volgende conclusies samen. De democratie moet bedacht zijn op doelmatig overheidsbe stuur; zij moet dat te meer zijn, naarmate de economische taak der overheid in omvang toeneemt. Daartoe is ruime delegatie van zakelijk beheer noodiggetracht moet worden, zooveel mogelijk de behartiging van zakelijke be langen uit de politieke sfeer uit te schakelen, teneinde aldus aan die overheidbemoeiïng dezelfde Dezelfde mijnheer, antwoordde kans op efficiëncy te geven, als het particuliere bedrijf heeft. Het recht der overheid blijve in be ginsel afgeleid van de geregeer- den. Maar, waar doelmatigheid dat verlangt, durve men, binnen het kader der democratie, toe kenning van zelfstandige machts uitoefening op zakelijk terrein in ruime mate aan. Op Zaterdag 19 Maart is te Terneuzen de eerste vergadering van dit jaar gehouden door de Kamer van Koophandel en Fa brieken voor Zeeuwsch-Vlaande- ren. Zooals gebruikelijk werd daarin door den voorzitter, den heer J. A. van Rompu het over zicht gelezen, dat was geschreven over den toestand van dit gewest in 1931. We ontleenen hieraan het volgende Het spreekt van zelf, dat ook 't gebied der Kamer de gevolgen van den toestand ondervindt. Terwijl zich die gevolgen elders in ons land reeds begonnen te doen gevoelen, heerschte hier nog zekere welvaart, als gevolg van den bouw van het fabrieks complex te Sluiskil, dat tijdelijk een zeer groot aantal werkkrach ten van geheel Zeeuwsch-Vlaan- deren en daarbuiten tot zich trok. Toen na de voltooiing der fabriek het aantal benoodigde werk krachten sterk verminderde, was bij de voortschrijdende algemeene inzinking, de terugslag zeer sterk en kreeg men op vele plaatsen met groote werkloosheid te kam pen, hetgeen de een na de an dere gemeente noopte tot ingrij pen, wat een zwaren last op de gemeenten legde. De loodsgeldenkwestie bleef on opgelost. Evenzoo de electrifiatie der kanaal bruggen te Sluiskil en Sas van Gent. Te betreuren valt het, dat de internationale politieke toestand de oplossing dezer kwestie tegenhoudt, en met een verruimd kanaal en het bou wen eener nieuwe sluis, ten be- Wat is dat riep hij met luide stem» U weet niet waar ze ls hoeve der Gentsche haven zal moeten wachten op de rati ficatie van een eventueel verdrag tusschen Nederland en België. Hoewel de Staten-Generaal in beginsel gunstig hadden besloten over het regeeringsvoorstel tot het uitbreiden der havenwerken van Terneuzen met een derde, ruime kanaalhaven, is de nood der tijden oorzaak geworden dat op de Staatsbegrooting voor 1932 aanvankelijk slechts f 15,000, nog teruggebracht tot f 5000 kon wor den uitgetrokken. Toen verno men werd, dat werd uitgezien naar objecten voor werkverschaf fing in deze provincie, is de aan dacht van den Minister op deze productieve werkverschaffing ge wezen. De Minister antwoordde echter, dat op grond van het ontbreken van een daarvoor vol doenden post op de begrooting, met dit werk niet kan worden begonnen. De kanaliseering vanZeeuwsch- Vlaanderen verkeert nog in het zelfde stadium en het is niet te verwachten, dat daarmede voort gang zal gemaakt worden, even min als met de bestaande plan nen voor uitbreiding van tram lijnen. De weg tusschen Oost en West Zeeuwsch-Vlaanderen met IJzen- dijke is reeds in uitvoering. Voor den Stoombootdienst op de W. Schelde waren verschil lende verbeteringen in uitvoering Een schaduwzijde dreigde, toen de Minister van Waterstaat be richt zond, dat hij meende voor den dienst VlissingenTerneuzen niet langer een rijksbijdrage te kuqnen verstrekken waardoor het gevaar ontstond dat de provincie niet in staat zou blijken dien dienst geheel voor eigen rekening te kunnen uitvoeren en zij alzoo zou moeten vervallen. De bedrijvigheid in de haven te Terneuzen was geringer we gens het ontbreken van kolen- aanvoer. De cijfers van den spoorweg MechelenTerneuzen vertoonen voor wat het Neder- landsche gebied betreft eenigen teruggang in het passagiersver- (Wordt vervolgd.) AXELSCHEffi COURANT. Bureau Markt C 4. Telef. 56. - Postrek. 60263. 23) Het geselschap in de eetkamer, waar alles verstaan kon worden, scheen de opzet dadelijk te begrijpen. Het barstte in een verontwaardigd geschreeuw los en een van hen sprong uit het raam en vroeg wat ze er eigenlijk mee voor hadden. De anderen herhaalden met woedende gezichten en nijdige vloeken deze vraag. Daar ik mij niet geroepen voelde hierop iets te ant woorden, wachtte ik slechts af wat nu zou gebeuren. De vreemdeling, die onder dit alles zeer kalm was gebleven, scheen ook nieuwsgierig te zijn, na den afloop van zijn inval. Hij deed, alsof hij de woedende uitroepen van de beide ad vocaten niet verstond en de opgewon den lieden kalm den rug toekeerend, keek hij rustig naar buiten. Toen de man, die het eerst aan zijn veront waardiging lucht had gegeven, zag dat het niets gaf, holde hij naar de stallen om te trachten de grap te voorkomen, Het gezicht van de twee bedienden te paard, die hem tegemoet kwamen en zich hielden alsof ze hem wilden overrijden, deed hem besluiten maar terug te keeren. Bleek van woede ver dween hij weer in de kamer, terwijl de vier paarden naar buiten sprongen en in het bosch verdwenen. De ontstelde man verliet een oogen- blik later opnieuw de kamer en met machtelooze woede den vreemdeling !n het gezicht ziende, schreeuwde hij Daar zal je voor boeten I Deze vroeg echter kalm Maar mijnheer wat is er toch, u verveeit me met dat heen en weer geloop. De kerel zag hem rood van nijd aan en vroeg wat hij er mede bedoelde om de paarden te laten losmaken Dat dient om jou en je vrienden een beetje beweging te geven, ant woordde de jonge man spottend, wat wJ noodig is na zoo'n copieus mid dagmaal. De man, die geen antwoord wist, droop af. Wat denkt u et van zeide de vreemdeling tot mij. Hebben die brutale inhalige kerels niet een goede les gehad We lachten hartelijk om de grap. Maar nu moet ik er van door, zeide hij. Misschien dat we wel een eind samen kunnen gaan, mijnheer. Waar moet u heen Ik ben op weg naar de stad Rosny. Bent u dan niet van Parijs ge komen Neen, antwoordde ik, ik kom van het zuiden. Misschien van Blois Juist mijnheer. Zoo, zeide hij, daar verder niet op doorgaand, wat me zeer verbaasde, daar iedereen juist gaarne nieuws uit die stad wilde hooren. Ik ben toevallig ook op weg naar Rosny, dan kunnen we tot zoo ver samen gaan. Ik zag dat hij me oplettend gade sloeg, terwijl Magnaln zijn paard voorbracht, en daar ik mij in een vij andelijke streek bevond, deed het mij eenigszins onaangenaam aan, Toen hij echter plotseling in een hartelijke lach tt tbarstte over het Voorval in de hef* berg en me niet uithoorde, werd ik gerustgesteld en kon in hem een pret- tigen reisgenoot vinden. Niettegenstaande dit alles begon mijn stemming te zakken, naarmate ik Rosny naderde. De vroolijkheid van den vreemdeling begon me zelfs een weinig te benauwen. Ik was er dus niet rouwig om toen hij op een mijl van de stad tegen mij zeide dat onze wegen z ch nu moesten scheiden. Hij voegde zich bij zijn dienaren en reed een anderen kant uit. Ik stapte af aan een herberg buiten de stad, waar ik een glas wijn dronk en vernam, dat het slot niet meer dan een derde mijl van Rosny gelegen was. Ik besloot daarom er te voet heen te gaan. De brug was neer, maar de poorten waren gesloten en alle formaliteiten werden in acht genomen voordat mij verlof werd gegeven door te gaan. Toch waren er slechts een stuk of zes wachten. Terwijl een van de mannen verdween om mij aan te dienen, had ik den tijd om het slot op mijn gemak op te nemen. Het was een oud ge bouw, voor de helft vervallen, door klimop begroeid en door bosch om geven. Een eerbiedige page kwam naar me toe en leidde me langs een smalle steile trap naar een door twee ramen verlichte kamer, waarvan de een op een binnenplaats, de andere op de stad uitzicht gaf. Toen ik binnen kwam stond er een lange man op, om mij te verwelkomen en groot was mijn verbazing, toen ik in hem mijn vriend van dien middag herkende. Baron de Rosny riep ik uit, ter wijl ik hem verbaasd aanzag. hij met een rustigen glimlach. U komt van den koning van Navarre, nietwaar en met een boodschap van hem, u kunt openlijk spreken, de ko ning heeft geen geheimen voor mij. Er was iets in den toon van ernst waarop hij sprak, dat grooten indruk op mij maakte. Hij scheen tien jaar jonger dan ik. Ik voelde dat ik met een groot man te doen had en weder onder den indruk van de ellendige geschiedenis, die ik hem te verteilen had, dacht ik een oogenblik na hoe ik wel zou beginnen, toen de baron ongeduldig zeide: Kom, mijnheer, ik heb u immers gezegd dat u rond uit kunt spreken. U had hier reeds vier dagen geleden kunnen zijn, voor zoover ik het beoordeelen kanmaar u bent nu hier en waar is de dame die u mede zoudt brengen. Jonkvrouw de la Vire? stamdie ik, om tijd te winnen. Kom, kom, zeide hij de wenk brauwen fronsend. Het lijkt wel of u heel wat op te biechten hebt, voor uit maar, spreek op. Waar hebt u haar gelaten; het is geen zaak om gekheid over te maken, ging hij voort en er kwam een trek op zijn gezicht, die me zeer onaangenaam aandeed. De koning heeft u een dame toe vertrouwd die, ik kan het u nu wel seggen, op de hoogte was van staats geheimen. Het is bekend, dat ze Chizé ontvluchtte en veilig en wel te Blois is aangekomen. Waar is ze nu Ik zou voor alles in de wereld wenschen dat ik het wist, mijnheer, riep ik wanhopig uit, meer dan ooit het ellendige van mijn toestand yoelend. U spot, mijnheer de Marsac. Het zou een treurige aardigheid zijn, antwoordde ik en vervolgens gaf ik verslag van wat er gebeurd was. Van den tocht naar Blois, waar ik haar veilig en wel bij hem hoopte te bren gen en van de list, waarmede men haar weg had gelokt. Ik vertelde hem van de vondst van den strik, van het gevecht op de trappen, toen ik over winnaar was, doch tenslotte onver richter zake het huis moest ver laten. Hij luisterde zonder een woord van sympathie, neen met ongeduld, die eindelijk tot ongeloovigheid ovetsloeg en toen ik mijn geschiedenis verteld had, vroeg hij kortaf hoe ik heette. Niet goed begrijpend wat hij be doelde, herhaalde ik mijn naam. Hij antwoordde op ruwen toon, dat dat onmogelijk was. Ik geloof u niet, mijnheer, antwoordde hij meteen donker kijken. U kant onmogelijk die man zijn. U brengt me noch de dame, noch het teeken, noch iets anders, waardoor ik geloof kan slaan aan uw verhaal. Neen, mijnheer u tracht me wat op de mouw te spelden, zeide hij op scherpen toon. Ik sta in zeer nauwe verbinding met den koning van Navarre, voor wien deze geschie denis van het hoogste belang is. Ik kan niet geiooven dat iemand, die hij zou uitkiezen, in staat zou zijn om zoo te handelen. Het huia, waarvan u vertelt, de kamer met die twee deuren, het gevecht op de trappen Wat voerde u eigenlijk uit toen ze de freule met haar kamervrouw naaf een andere kamer overbrachten t

Krantenbank Zeeland

Axelsche Courant | 1932 | | pagina 1