Nieuws- en Advertentieblad voor Z e e u w s c h - V1 a a n d e r e n No. 90. VRIJDAG 19 FEBRUARI 1932 47e Jaarg. J. C. VINK - Axel. Raadsverslag. FEUILLETON. Een moeilijke taak. Dit blad verschijnt eiken Dinsdag- en Vrijdagavond. ABONNEMENTSPRIJS: Per 3 maanden 75 Centfranco per post 1 Galden. Afzonderlijke Nos. 5 Cent. DRUKKER-UITGEVER Bureau Markt C 4. Telef. 56. - Postrek. 60263. ADVERTENT1ËN van 1 tot 5 regels 60 Centvoor eiken regel meer 12 Cent. Groote letters worden naar plaatsruimte berekend. Advertentiën worden franco ingewacht, uiterlijk tot Dinsdag- en Vrijdagvoormiddag 11 ure. Zitting van 16 Febr. 1932. 1. Installatie Raadslid. Met verwijzing naar hetgeen in ons vorig nummer reeds is gemeld, diene nog gezegd, dat na het afleggen van de bij de wet vereischte eeden door dhr. van Kampen, de Voorz. dezen mede namens den Raad geluk wenschte met zijn benoeming en hoopt dat hij de belangen der gemeente Axel zal voorstaan. Dhr. VAN KAMPEN dankt voor deze woorden en zegt den Voorz zoowel als het college van Burg. en Weth. te zullen steunen, mits deze rekening wenschen te hou den met de ordonnantiën, ons in Gods woord geopenbaard. 2. Notulen. De notulen van de vorige ver gadering zijn nog niet gereed. 3 Ingekomen stukken. Inzake het preadvies van B. en W. op het zgn. uitslachten van vee, als zou die kwestie behooren tot de competentie van den keuringsveearts, merkt dhr. VAN KAMPEN op, dat als men meent, dat volgens art. 19 van de Vleeschkeuringswet aan de uitponderij niets te doen is, het blijkt, dat andere Keuringsamb tenaren een andere meening hebben. Maar spr. stelt de vraag, dat zoo niet langs wettelijken weg men dan langs moreelen weg niet aan het bezwaar van den Slagershond kan tegemoet komen Als ik het wel heb, zegt spr., dan was er vroeger van uitponden zoozeer geen spra ke, maar meer van noodslach- tingen. Het uitponden is dus voortgekomen uit crisis-oorzaken, m. a. w. doordat de veehouders nu meer van hun vee kunnen maken dan door den verkoop aan de slagers. En hoewel zulks te verstaan is, vraagt spr. zich toch af, of daarmee niet gepaard gaat de ontwrichting van de be staande bedrijven En dan ko men we aan het cardinale punt of in casu de overheid moet me- dehelpen aan die ontwrichting, of heeft zij haar invloed aan te wenden om zulks te voorkomen De zaak staat nu toch zoo, dat door medewerking van de ge meente (slachthuis en vergun ning) aan de slagers oneerlijke concurrentie wordt aangedaan. Het voordeel aan uitponders ver strekt is niet correct tegenover degenen, die van het slachten een broodwinning maken en exploi tatiekosten hebben, als slacht plaats, licht, belasting, personeel, enz. Anders zou de zaak komen te staan, wanneer de houders van vee een zaak gingen exploi- teeren en dan de gemeente ver gunning moest geven. Dan eerst was er eerlijke concurrentie, waartegen de overheid zich geen partij kan stellen. En als men nu bedenkt, dat de slagersbedrijven door de wet geving in allerlei vorm lasten worden opgelegd, te zwaar om te dragen, dan is het toch te verstaan, dat de overheid zou moeten zorgen, dat geen toestan den moeten bestaan, als hier be doeld. Dhr. 't GILDE deelt mede, dat hij één der op de slagersverga dering aanwezige raadsleden is, waaruit niet afgeleid mag worden, dat alles wat door en namens de slagers in het midden wordt ge bracht, van a tot z door hem kan worden onderschreven. Indien ik, zegt spr., uit het ter visie gelegen schrijven van den Keu ringsveearts, Hoofd van Dienst zie dat het aantal uitslachtingen op een totaal van 1845 slechts 32 heeft bedragen, dus ruim ll/e pet., dan is dat m i. geen feit, waarover een storm van protest zou moeten opgaan of gerecht vaardigd is. De vraag is nu bij mij en de stukken logenstraffen zulks, of het in de lijn van de wet geoorloofd is, om dat z.g. „verponden" te sanctionneeren. Het schrijven van den Gem.- opzichter omtrent het nieuw te bouwen slachthuis zegt toch in elk geval dat het vleesch ver- koopen niet in het slachtlokaal zelve geschieden mag, waarom ook de breede vestibule van het a. s. nieuwe gebouw als winkel gebruikt kan worden. Daarin zie ik een streven, dat B. en W niet voornemens zijn eenigermate te beteugelen en waar ik ten zeerste voel voor de be langen van den middenstand, zoo ben ik zoo vrij de vraag tot het College te richten, gaan wij niet te ver met van gemeentewege op onnoodige (ik zeg nog niet onwet tige) wijze onze bemoeiïngen op particulier terrein uit te strekken. Zijn B. en W. niet buiten hun boekje en is het principieel in hun geest dat het aantal nood- slachtingen dat nu nog miniem is, geen buitengewone afmetingen aan zal gaan nemen. Men zal mij tegemoet voeren, uit een oogpunt van concurrentie is het toe te juichen, en dit is een argument, dat veel opgeld doet. Men is genegen de prijzen, die men bij de meeste slagers moet betalen, testellen tegenover hetgeen iemand ontvangt die vee of varkens aan den slager ver koopt en dan is dit argument eenigszins te verklaren, maar er wordt toch licht uit het oog ver loren, dat de slagers vaak met groote kosten hun winkels en slagerijen moeten inrichten. Indien evenwel door B. en W. wordt verklaard, dat het beperken niet tot de competentie van B en W. behoort, gezien het feit dat hun geen vergunning noodig is, dan ligt het m. i. evenmin op den weg van den Raad en zullen wij hopen dat het College in elk geval niet te ver gaat en zich op geen glad ijs begeeft. Om van gemeentewege in prijs- regelenden geest te gaan werken, daar moet het niet heen, al ben ik zelf een groote voorstander van concurrentie, die hier wel noodig is. Dhr. VAN BENDEGEM zegt het met B. en W. eens te zijn en verheugt er zich over, dat ze het voor kennisgeving aannemen. Ook staat hij aan de zijde van den veearts, als deze zegt, dat een te hoogen toon wordt aan geslagen, en dat dit allerminst Mevrouw de Bonne, mompelde past voor de Axelsche slagers, omdat de vleeschkeuringswet en de verordening heel soepel op hen worden toegepast. En nu kan ik mij wel voor stellen wanneer men slager is, dat het niet mee valt, dat men telkens hoort van uitslachten, maar ik kan mij nog veel beter voorstellen, dat wanneer men of als arbeider, of als boer een beest gekweekt heeft voor den verkoop en de slager komt daar een lut tel bedrag voor bieden, men zich haast om uit te slachten, wanneer men van zijn buurman hoort, dat hij een beest heeft uit- geslacht, en dat hij 100 pCt. heeft meer gemaakt en het tevens nog 20 pCt. onder den prijs van de meeste slagers verkocht. En ik heb er niet op tegen voorzitter, dat een slager ook tracht zooveel mogelijk te ver dienen, maar ik vind het heel kleinzielig van de slagers, dat zij er tegen op komen, dat een an der ook tracht zooveel mogelijk van zijn waar te maken. En daarom voorzitter, kan ik er mij mee vereenigen, dat dit adres voor kennisgeving wordt aangenomen, opdat de vrijheid niet beperkt worde, en dat er voor een ieder de gelegenheid openblijft, zoo veel mogelijk van zijn waar te maken. De VOORZ. vindt het adres van den Slagershond zeer be vreemdend. Er is hier een slacht huis met 2 afdeelingen, een voor noodslachtingen en een voor de kleine slagers, opdat deze men- schen zouden kunnen slachten, zonder een dure slachtplaats te moeten inrichten en dus om aan dezen tegemoet te komen. Ze moeten er hun vleesch onder toezicht kunnen verkoopen vol gens de wet en deze toestand nu is er reeds jaren en tot heden bestendigd, zonder klachten ge hoord te hebben. Gezien het rapport van den keuringsveearts meent ook spr., dat door de slagers hier nogal hoog van den toren wordt geblazen. Als er misbruiken waren was het iets anders, maar dan zouden er ook reeds andere maatregelen geno men zijn. Het adres wordt hierna voor kennisgeving aangenomen. Aangaande de plannen voor het nieuwe slachthuis gelooft dhr. HAMELINK, dat B. en W. nog niet geslaaed zijn in het kiezen van een geschikte plaats, al heb ben ze de P. Paulusstr. verlaten. Er is al veel over dat punt ge sproken, le omdat van zoo'n in richting geen opvoedende kracht uitgaat en 2e omdat het niet hy giënisch is die binnen de kom te zetten. Spr. had het liever gezien in de buurt van de gas fabriek of nabij den spoorweg in de buurt van de P. Paulusstr., met het oog op het centrum der streek, waar het geschikt moet zijn voor export slachting. Eeni- gen tijd geleden trokken hier tal van auto's door met geslacht vee voor uitvoer via Vlissingen, maar dat kon evengoed hier gebeuren. De VOORZ. merkt op, dat dit meermalen is gevraagd, doch het wordt niet toegestaan dan uit sluitend voor Terneuzen. Dhr. DE RUIJTER kan zich ook moeilijk met de gekozen plaats vereenigen. Het gebouw komt nu halverwege de straat en spr. zag het liever op het eind van de straat. Niemand wil gaarne naast het slachthuis wonen en dus zullen de volgende per- ceelen slecht verkocht worden. Ook zouden de nieuwe huizen veel beter uitkomen, dan wanneer er een slachthuis tusschen komt. De VOORZ. gelooft, dat men meer bezwaren ziet dan de gem.- opzichter, die het nu naast zijn woning krijgt. Bovendien wordt het zoo gezet, dat niemand er hinder van kan ondervinden. En waar men kijkt, overal gelden dezelfde bezwaren. Bovendien zou men, ingaande op het idee van dhr de Ruijter dadelijk de volle straat klaar moeten maken. Wat het idee-Hamelink betreft, buiten de kom, dat geeft het bezwaar, dat als er een nood- slachting is, de menschen ver (Wordt vefvolgè) XELSCHE COURANT 13) Ja, antwoordde ik driftig. U zegt zelf, dat we onmogelijk vannacht op straat kunnen blijven en ik weit niet waar ik u onder dak moet bren gen. Zeg eens vriend, zeide ik, mij weder tot den herbergier wendend Ken je soms een mevrouw de Bonne Een mevrouw de Bonne? mom pelde hij, ja dien naam heb ik wel eeas gehoord. Wacht even. In het huis verdwijnend kwa-n hij een oogenblik later terug met een langen bleeken jongen, die een be vlekte zwarte jas droeg. Ja, knikte hij, er woont iemand van dien naam in het huis waar deze jongen ook woont Simon Fleix zal wel even met u medegaan. Ik bedankte hem voor zijn inlich tingen en vroeg den jongen ons den weg te wijzen. Wij waren even op weg, toen de jonkvrouw de la Vire, die achter ons reed, stilstond en mij riep. ik hield den teugel in en vroeg wat er was. Ik ga niet mede, zeide ze met een stem, die beefde van boosheid of Van angst (dat kon ik niet onderschei den). Ik weet niets van u af. Ik Wil naar mijnheer de Rosny. Als u dien naam zoo hardop door de straten schreeuwt, freule, merkte ik op, dan zou het wel eens kunnen gebeuren, dat u ergens mee naar toe werd genomen, waar u het minder aangenaam zou vinden. Wat mijn heer de Rosny betreft, ik heb u ge zegd, dat hij niet hier is, hij is naar Rosny. Breng mij dan bij hem. Op dit uur van den nacht vroeg ik droog, het is twee dagen reizen van hier. Dan wil ik naar een herberg, hield ze koppig vol. U hebt toch gehoord, dat er ner gens plaats ti krijgen zal zijn. Kon den we nog probeeren van herberg tot herberg te gaan om ergens iets te vinden, dan zou dat ons zeker in moeilijkheden kunnen brengen. Nu we eenmaal dicht bij het huis van mijn moeder zijn Maar ik weet niets van uw moe der af, riep ze hartstochtelijk uit. U hebt mij met valsche beloften me- degelokt, mijnheer en ik bedank er voor nog langer voor den gek te worden gehouden. Dan weet ik niet wat u doen wilt, freule, zeide ik ten einde raad door haar koppig verzet, dat de aan dacht zou trekken als het nog langer duurde. Ik kan u alleen zeggen, dat u zich niet behoeft te schamen om mede naar mijn moeder te gaan, want al is ze in moeilijke geldelijke om standigheden, ze is in ieder geval een vrouw van even goede geboorte als u. Dese woorden schenen indruk op haar te maken. Ze sprak een oogen blik met haar kamervrouw, die mij met vernietigende oogen aankeek, doch haar niets beters aan de hand scheen te kannen doen, We volgden dus den jongen» die ons door vele straten tenslotte voor een hoog huls bracht» dat er armoedig uitzag. Ik hielp de freule afstappen en na de paarden vastgebonden te hebber, volgden we den jongen naar binnen. Welke verdieping? vroeg ik on zen gids. De vierde, antwoordde hij rustig. Hoe kan dat? mompelde ik. Want ik was uiterst verbaasd. Het inkomen van mijn moeder was, hoe wel niet groot, toch wel volloende om behoorlijk te leven. Ik begreep dat er iets niet in den haak moest zijn. Bovendien schaamde ik mij een weinig tegenover freule de la Vire. Daar het zeer donker was, kon ik op haar gelaat niet zien, wat of ze er van dacht. Bij iedere stap vreesde ik, dat ze zou weigeren om verder te gaan, maar gelukkig bereikten we zonder verdere stoornis de bovenste verdie ping. Onze gids klopte zacht aan en deed daarop dadelijk de deur open. Ik deed een paar passen voorwaarts en zag met verbaasde blikken in het rond, want op alles l.g de stempel van de grootste armoede. F.en ge barsten aarden lamp stond op den rottenden vloer te rooken. Aan den muur hing een oude zwarte japon, die heen en weer bewogen werd door den tocht, die door de gescheurde muren naar binnen kwam. Achter in de lange, smalle kamer zag ik een bed. Denkende cftt de kamer leeg was, wendde ik mij tot den jongen en vroeg hem op hoogen toon wat hij er mede bedoelde om mij hier te brengen. Hij deed een stap achteruit en zeide, dat ik toch gevraagd had om naar mevrouw de Bonne gebracht te worden. ik, is dit de kamer van mevrouw de Bonne? Hij knikte. Natuurlijk is dat zoo en dat wist u wel, riep jonkvrouw de la Vire op gewonden uit. Denkt u, dat u ons nog langer voor den gek kunt hou den Deze kamer en ze wees in het vertrek rond is van uw moeder, nietwaar? Uw moeder, die aan het hof geweest is en die eenvoudig maar toch behoorlijk kan leven? U bent een oplichter, mijnheer. Een ellendige oplichter. Laten we gaan, laten we weggaan. Tot tweemaal toe trachtte ik dien stroom van woorden te keeren, maar tevergeefs. Eindelijk riep ik uit Stilte, freule. Dit is inderdaad mijn moeder. Een magere uitgeteerde hand had het gordijn half weggetrokken endoor de opening staarde het ontstelde ge zicht van mijn moeder mij tegen. Voor eenige oogenbükken vergat ik jonkvrouw de la Vire. De schok, welken de woorden van deze laatste mijn moeder gegeven hadden, had haar flauw doen vallen. Slechts lang zaam kwam ze bij. Ofschoon ik vurig verlangde te weten, hoe ze zoo ach teruit gegaan kon zijn, begreep ik dat het er nu het oogenblik niet voor was dit te vragen. Ik peinsde er slechts over hoe haar de harde woorden, die de freule zooeven had gesegd, uit te leggen. Toen mijn moeder bijkwam herir.» nerde zij zich niets, maar toen haar cogen eensklaps op de belde vrouwen, vielen, die voor den haard stonden riep ze ontsteld uit: Ga«t)n was het waar, wat ik hoorde. Maakten ze je voor een oc« lichter uit? Moeder, zeide ik met een poging om rustig te spreken. Gelooft u werkelijk dat iemand zoo ie s tegen ml) zou zeggen in uw tegenwoordig heid. U hebt bepaald gedroomd. Neen, zeide ze, mij angstig aar kijkend. Ik weet het zekar. Waarom was dat Wat u hoorde moedtr was xeker een standje dat zij maakten tegen den gids. die ons van Tours hierheen bracht en driemaal een fooi heelt ge vraagd. De ellendeling verdiende het om zoo uitgescholden te worden. Was het dat? zeide ze enge- loovig. Ja natuurlijk, dat hebt u gehoord. Ze viel met een zucht van verlich ting in haar kussens terug, maar haar oogen bleven op de freule gericht, die verveeld in het vuur stond te kijken. Eensklaps begreep ik dat ik dwaas gedaan had het jonge meisje hier te brengen, ik voorzag de eindelooze vragen, die gedaan zouden worden, al den uitleg dien ik zou moden geven en een blos van schaamte steeg naar mijn wangen. Wie is dat vroeg mijn moeder zacht. Ik ben ziek, Je moet mij verontschuldigen. Ik stond op en haar hand in de mijne houdend zeide ik: Moeder dit is freule maar haar naam zal ik u later wel aeggen. Het is iemand uit de hofkringen, waarvan de zorg mij door een zeer hoog geplaatst pei« soon is toevertrouwd. Een hooggeplaatst persoon 1 vroeg mijn moeder met een glimlach van blijdschap op haar gelaat,

Krantenbank Zeeland

Axelsche Courant | 1932 | | pagina 1