Een nacht te Brczwezragisl. No. 55. Woensdag 17 October 1900. 16e *laarg. Nieuws- en Advertentieblad voor Zeeuwse h - Vlaanderen F. DIELEMAA, AXEL. Ingezonden. FEUILLETON. Bniienland. COURANT. Dit Blad verschijnt eiken Dinsdag- en Vrijdagavond. ABONNEMENTSPRIJS: per 3 Maanden 50 centfranco per post 60 cent voor België 80 cent. Afzonderl. numm. 5 ct. DRUKKER UITGEVER Advertentien van 1 tot 4 regels 25 oent voor eiken regel meer 5 cent. Groote letters worden naar olaatsruimte berekend. Plaatsing 3/2 maal Advertentiën worden franco ingewacht, uiterlijk tot Dinsdag- en Vrijdagnamiddag TWEE uren. "Wie de Algemeene Vergadering van de vereeniging »Steunt Elkander® in Febr. van dit jaar heeft bezocht, zal«ich her inneren, dat door een der leden het voor stel werd gedaan tot het stichten van een pensioenfonds voor oude werklieden. Den werklieden op hun ouden dag een pensioen verschaffen, voorzeker een goed ideeZooals de toestand toch nu is, is hij treurig, diep treurig te noemen. De arbeider, die wegens zyn ouderdom den strijd om het bestaan niet meer kan voeren is als een gewonde op het slagveld, terwijl de strijd nog voortduurt, Uitgestrekt ter aarde, hulpeloos, de ge beurtenissen afwachtend zonder iets te kunnen af- of toedoen aan den loop er van, ligt hij daar. Brengt het plan van den veldslag mede, dat een regiment zijn weg verkiest over de plaats, waar hij ligt, zoodat de verplettering zeker is, wat er ook gebeure, hij kan er niets aan doen, hij kan slechts hopen, dat het toe val hem gunstig moge zijn en dat hij door liefderijke handen in de ambulance zal worden gebracht. Zoo ligt ook de oude arbeider op het. slagveld van den strijd om het bestaan. Zoolang hij nog krachtig, jong en sterk was, en er uit zijn arbeid nog wat te halen viel, werd hij geduld in de fabriek, op de werk plaats, op het veld, maar nu zijn haren beginnen grijs te worden, nu hij den pas niet meer kan houden met de jonge krachten nu is er geen plaats meer voor hem in 't gelid der strijders (Slot.) Ik gevoelde mij in die eenzaamheid niet op mijn gemak. Ik had liever mijn verblijf gekozen in het logement, en had ik het maar gedaan Maar gedeeltelijk uit vreesachtigheid, gedeeltelijk om te toonen, dat ik niet bevreesd was in de nabijheid van eenen doode, zweeg ik. Ik twijfelde er niet aan, of Lebrecht, zoowel als ook de keukenmeid zou mij dien nacht gezelschap houden. Lébrecnt stak snel twee kaarsen aan, die op de tafel gereed stonden. Daarna vertrok hij, om een avondmaal voor mij gereed te laten maken, en mijn koffer van het posthuis té doen halen, en ook om de keukenmeid van mijne aankomst kennis te geven. De kof fer kwam en ook het avondeten, maar Lebrecht, zoodra hij het mij voorgeschoten geld terug had, wenschte mij goeden nacht en vertrok. Ik begreep hem eerst, toen hij verdwe nen was, zoo snel maakte do kerel zich uit de voeten. Verschrikt sprong ik op, om hem na te ijlen. Schaamte weerhield mij echter. Zou die hatelijke man getuige zijn van mijne vreesIk twijfelde niet, of hij zou in eene der kamers overnachteD, die aan deze grensden, waarin zijn heer Zijn geheele leven heeft hij wellicht hard en veel gewerkt misschien te hard en te veel, zoodat hij nu reeds voor zijn tijd „op" is. Hij is zijn patroon hetzij deze heer, boer of baas is in wiens dienst hij stond niet alleen behulpzaam geweest in het, wat men noemt den kost verdienen, neen hij heeft hem ook geholpen om zijn bezittingen te ver meerderen, om hem winsten te doen vergaren, die hem in staat zullen stellen een genoeglijken, rustigen ouden dag te slijten. En terwijl de patroon afscheid neemt van zijn fabriek, werkplaats of boerderij en met een glimlach op het gelaat het kalme leven aanschouwt, dat hij nu voor zich ziet, staat voor den arbeider de on verzorgde oude dag daar als een dreigend spookbeeld aan het einde van zijn loopbaan. Wat zal hij nu beginnen? Toch door blijven werken Ja, we hebben ze gezien, grijsaards ouder dan 70 jaar, die in de fabriek de grondstoffen nog hielpen vervormendie midden in den zomer in de brandend heete zon in het zweet huns aanschijns den oogst nog hielpen snijden. Maar we hebben ze ook gezien, trekkend van huis tot huis, de vereelte hand uitstrekkende om een aalmoes te ont vangen. Is het wonder, dat onder zulke omstan digheden menig arbeider naar een vroegen dood verlangt? Wat wacht hem na zijn werkzaam leven Of voortgaan met werken, tot hij er bij neervalt, öf gaan bedelen, öf naar het armhuis. Zijn kinderen kunnen hem meestal niet houden, die hebben genoeg aan zichzelven te doen stond. Maar daar hoorde ik de huisdeur op hare hengsels knarsen het drong mij door merg en been. Ik begaf mij naar het venster, en zag den knaap wegijlen, als zat de dood hem op de hielen. Weldra was hij in de duisternis verdwenen, en ik met het lijk in de oude starosty alleen. DE SCHILDWACHT. Ik geloof aan geene spoken, maar des nachts vrees ik ze toch. Zeei natuurlijk is dit. Wie zou al het raogelyke willen gelooven maar men hoopt en vreest al Jicht al het mogelijke. De doodelijke stilte, de oude, gescheurde tapijten in die groote zaal, het onaangename en vreemde, de doode boven miju hoofd, de haat der Polen, alles droeg by, om mij in eeneonaangenamestemmingte brengen. Ik kon niet eten, hoewel ik honger had ik kon niet slapen, hoewel ik zeer vermoeid was. Ik trad voor het venster, om te zien, of ik ook in geval van nood daar door zou kunnen ontvluchten, want ik vreesde in het groote huis en in dien doollrof van kamers en gangen te verdwalen, maar sterke ijzeren staven beletten mij zulks. Op dit oogenblik hoorde ik in de sla- rosty een groot geweld. Ik hoorde deuren open en toeslaan, voetstappen naderen, en een dof gemompel van menschenstem men. Ik begreep niet, van waar dat plotseling gedruisch ontstond. Maar het onbegrijpelijke begrijpt men dikwijls het spoedigste. Eene geheime stem zeide mij is het werken hem totaal onmogelijk, dan moet hij het kleed der liefdadigheid aan trekken. Lezer, is het noodig nog voort te gaan met het lot te schetsen van den ouden werkman? Neen, niet waar? Ook gij zult zeker reeds de overtuiging hebben gekregen, dat in het lot des ouden werk- mans verandering hoognoodig is. Die overtuiging wint hoe langer hoe meer veld. Men begint behoefte te gevoelen het voorstel in „Steunt Elkander" was er een uiting van om den misstand op te heffen, dien de onverzorgde oude dag van den arbeider daarstelt. Men begint in te zien, dat het een betreurenswaardig feit is, dat in. een maatschappij' waar zooveel wordt voortgebracht, den voortbrenger bij uitputting van zijn arbeidskracht, niets anders overblijft dan het armhuis of de bedelnap. Hoe nu verandering te brengen Den arbeider loon te geven, waarvan hij iets kan overleggen voor den ouden dag Dat zou in de praktijk onuitvoerbaar blijken. Neen, meer heil verwacht men van het stelsel van pensionneering. In de vergadering van 29 Maart 1895 van de Tweede Kamer werd door den heer Heldt de volgende mootsie gesteld De Kamer, van oordeel, dat verze kering van bet lot van oude werklie den door een pensioenstelsel wensche- lijk is, verzoekt de Regeering te doen onderzoeken op welke 'grondslagen en op welke wijze, die verzekering zal kunnen en behooren te worden ge- De mootsie werd met 5 stemmen tegen »het geldt u. Die stomme Peter had u de moordaanslagen der Polen verraden red u 1" Eene koude rilling liep door mijne leden. Ik zag de bloeddorstigen, hoe zij onder elkander beraadslaagden, welken dood ik sterven moest. Ik hoorde hen reeds in de kamers, die aan de mijne grensden. Hunne stemmen werden zach ter. Ik sprong op, en schoof den knip voor de deur, en in hetzelfde oogenblik trachtte men de deur van buiten te ope nen. Ik waagde het nauwelijks adem te halen, om mij daardoor niet te verraden. Uit hun gesprek vernam ik, dat het Polen waren. Tot myn ongeluk had ik dadelyk na mijne aanstelling zooveel Poolsch ge leerd, dat ik begreep, dat men van bloed, dood en Pruis sprak. Myne knieën beefden en het koude zweet gudste langs mijn gelaat. Nog eenmaal poogde men van buiten de deur te openen, maar het scheen dat men vreesde geraas te maken. Ik hoorde de menschen zich weder verwij deren of liever wegsluipen. Hetzij dat de Polen het op mijn leven of alleen op mijn geld voorzien hadden, hetzij dat zij hun aanslag zonder gedruisch wilden ten uitvoer brengen, of hunne poging op eene andere wijze vernieuwen, ik besloot mijn licht uit te doen, opdat men het. niet van de straat zou gewaar worden, en mij daaraan zou herkennen. Wie verzekerde mij, dat niet een der kerels door het raam op mij zou schieten. De nacht is Diemands vriend, daarom aangenomen. Een commissie werd be noemd. Men ging aan het werk en als uitkomst van het door de commissie gedane onderzoek werd aan H. M. de Koningin-Regentes medegedeeld 1® dat de commissie de verplichte verzekering zoowel tegen invaliditeit als tegen ouderdom raadzaam, acht; 2e dat zij wegens het groote ver schil van meening hetwelk zich in haar midden heeft geopenbaard, zich moet onthouden, van het aanbieden van een wetsvoorstel memorie van toelichting. Ligt het nu op den weg van vereeni- gingen als „Steunt Elkander" te Axel om pensioenfondsen in te stellen voor de arbeiders, m. a. w. moet het pensionneeren overgelaten worden aan het particulier iniatief of rust die plicht op den Staat? Ziedaar een kwestie, die niet op een, twee drie is uit te maken. Wellicht kom ik hier een anderen keer op terug. Wanneer door dit mijn schrijven de idee „een pensioenfonds voor den ouden arbei der is noodig meerdere aanhangers heeft gekregen, dan is het succes, dat ik met deze pennevrucht had beoogd, reeds ver- 0. A. Het staat nu vast dat de Engelsche regeering de meerderheid in het nieuwe parlement behouden zal. Wel heeft de oppositie door het winnen van eenige zetels haar laatste verliezen goedgemaakt maar zij heeft het toch niet verder weten te brengen dan tot het herstellen van de is de mensch een geboren vijand der duisterniszelfs kinderen, die nog nooit van spoken of geestverschijningen gehoord hebben, vreezen in de duisternis voor iets dat zij niet kenneD. Nauwelijks zat ik in de duisternis mijn naderend lot van dezen nacht te overdenken, of de afschuwelijkste mogelijkheden kwamen my voor den geest. Eén vijand of een ongeluk, dat men zien kan. is niet half zoo ontzettend, als die, waaraan men zich blindelings moet onder werpen, zonder ze te kennen Vergeefs zocht ik afleidingvergeefs besloot ik, mij op het bed te werpen en in te sla pen. Ik kon nergens rust vinden. Het bed gaf eene lykreuk af, en zat ik op mijne kamer, zoo schrikte ik van tijd tot tyd door eene beweging als van een mensche- lijk wezen in mijne nabijheid. Het meest kwam mij de gedaante van den vermoor den ontvanger voor den geest. Zyne koude strakke gelaatstrekken werden zoo akelig en welsprekend, dat ik ten laatste al mijne bezittingen ten beste had willen geven, indien ik slechts in de vrye lucht, of bij goede, vriendelijke menschen geweest ware. Het spookuui sloeg. Iedere slag van de klok deed mij ontstellen. Ik schold my zeiven wel uit voor een bijgeloovige gek, voor een lafaard, maar mijn schelden ver beterde het niet. Eindelijk, het zij uit wanhoop of heldenmoed, sprong ik op, ging tastende naar de deur, opende die, en was besloten, al moest het ook mijn leven kosten, de vrije lucht te zullen zoeken.

Krantenbank Zeeland

Axelsche Courant | 1900 | | pagina 1