N1EUWSBLAD VOOR ZEELAND. No. 119. 1906. Dinsdag 20 Februari 20e Jaargang. fïï GHRISTELIJK- HISTORISCH leider RECLAMES. iet ïlburg. Luchtpijp- 3ert in uw M e 1 k w Ij k P iond, koop, :elemaker, P ^P eid iieelit necht 1 de putte, S- VERSCHIJNT ZESMAAL PER WEEK Wed. S. J. DE JONGE-VERWEST, te Goes F. P. D'HUIJ, te Middeiburg. PRIJS DER ADVERTENTIËN Het jaar van llembranrit en BildertSijk. Uit de Tweede Kamer. IETS WAT IEDEREEN BETREFT EN SPECIAAL UZELF. Gemengde Berichten. 100000660 ▼NrWvVWV *n krijgt, oopige prijs. i i m a s. en Detail. loose, Kou de ed. Meerman; ouwershaven.; lelis, Ritthem e, Winkelier, Fouw, Hoek seur uit twee, de Hof, m e- raagd issingen. fanoy. keur uit zes, WISSE Sz., Noord weg. ij de rekening, paard, bij A. „Weizicht". laar 3de kalf, nde gebruikte ires m. ma- te Souburg. keur uit vier, e k e r k e. ^d, bij A. DE Veldzicht". 1, Kouclekerke ERDIJK, Kle- met Maart ECHT AAL Pz., te rt, bij JACOB n d e. Mei vraagd en een J. POUWER muiden, „Brakenburg". feiwest Goes, IEDER EN WERKDAG DES AVONDS. Prijs per drie maanden franco p. p'>25. Enkele nummers0,02s. UITGAVE DER FIRMA EN VAN van 1—5 regels 40 cent, iedere regel meer 8 cent. Familieberichten van 1—5 regels 50 cent, iedere regel meer 10 cent. H E R IJ K Middelburg, ook voor St. Laurens en Nieuw- en St. Joosland, 20, 21, 22, 23, 27 en 28 Februari, 1, 2, 6, 7 en 8 Maart. Twee genieën van den eersten rang onder de zonen onzes volks zullen dit jaar her dacht worden. Het zijn Rembrandt, de wereldberoemde, de meerdere van Rubens, de meerdere van Michael Angelo, de vorst onder de schilders. En Bilderdijk, de groote dichter onzes volks, groot onder ons, groot als Vondel, maar door de beperktheid van ons taal gebied, minder bekend op het groote wereld- tooneel. Zij hebben als zonen onzes volks de eer onzer natie uitgedragen, en hebben met de hun geschonken talenten gewoekerd, niet minder als de krijgshelden in onzen vrijheidsoorlog. Zij waren reuzen wier arbeid de eeuwen verduurt. Maar als die heroën, door hun werken voor het nageslacht bewaard, als 't ware komen te herleven in ons midden, dan rijst en passant uit menig hart de klacht over omen tijd. Neen, gemeten met hun maat dan is onze tijd de tijd van klein gedoe, de tijd der epigonen. Dan geeft onze tijd enkel stof tot klagen. Het zij ons vergund nu de tijd ge naakt dat de herinnering aan deze geniën uit de zonen onzes volks levendig zijn zal bij dit vonnis verzachtende om standigheden te pleiten. Vooreerst is misschien de overweging der vraag gewettigd of het onthouden van groote talenten als een oordeel Gods, dan wel als een scheppingsordinantie moet beschouwd worden. De geschiedenis schijnt te pleiten voor de opvatting van het laatste. Immers, het is een feit dat de gouden eeuw waarop talenten zieh op verschil lend gebied openbaren, allerwege uitbotten, in elk land en onder elk volk meer uit botten zieh kennelijk onderscheidt van die andere tijd waarop ze bijster schraal zich openbaren. Om van de oudheid te zwijgen; gaf de eeuw der reformatie niet leven en be weging en stuwkracht aan menig talent? En Duitschland, wat was het vroeger niet arm aan talent, terwijl nu wel nie mand het de eerste plaats aan 't hoofd van de Europeesehe natiën betwisten zal. En verder bedenke men, klagende over de kleinheid van onzen tijd, dat, niet door eenig volk of door eenige natie het alzoo besteld is, dat sterren van de eerste grootte zeldzaam, van den tweeden rang vele, en van den derden rang de meest gewone en talrijkste zijn. Dezen stand van zaken heeft God de Heere altijd en overal zoo beschikt. Met dat feit hebben we te reke nen, daarnaar hebben we ons in te richten en God te danken als wij of onze kinde ren tot de gewonen mogen behooren. Met de waardeering en vereering van de groote talenten die in liet Rembrand jaar opbloeien zal behoort o. i. geene klacht te rijzen over onze armoede tegenover den rijkdom van weleer. Vooreerst niet, omdat het God is die de gaven geeft naar welgevallen en in de tweede plaats niet. omdat ook onder ons nog sterren van de eerste grootte leven, wier werken, na hun verscheiden, tot de clas- sieken zullen gerekend worden en in de derde plaats niet, omdat we rekening heb ben te houden met de verschillende gaven die de menschen met elkander gemeen heb ben. Juist in die gemeenschap van gaven, hoe verschillend ook, ligt de eiseh dat we ze besteden ten meesten nutte van anderen, maar ook dat we de van God geschonken ga ven zullen waar deer en en niet klagen over andere die we missen of welke ons juist pnlnomen zijn. Het gemis van groote talenten, het niet ontluiken van het geniale, de voortdurende klacht dat onze eeuw niemand naast een Rembrand of naast een Bilderdijk of naast een Calvijn plaatsen kan moet ons op de lippen besterven als we bedenken dat niet wij, zoomin als een universiteit of school het talent scheppen kan of de vonk van het genie ontsteken. Klagen mogen we als het gemis gevolg is van gebrek aan ijver of toewijding, van gemis aan inspanning, want het is maar al te waar, dat ook in onze dagen, gelijk Jezus het in de gelijkenis teekende, velen, door allerlei omstandigheden hun talent begraven, er geene winste mee doen, geen proiijt van trekken. Maar onze samenleving aan te klagen omdat zij geen meerder talent bezit dan God haar gaf, is niet een klacht tegen over de maatschappij waarin we leven, maar tegen God zelf, die alleen deze ta lenten schenken kan. Bij de herdenking vau wat onze natie als weelde in mannen als Rembrandt en Bilderdijk genoot, sta geen klacht over mindere talenten op den voorgrond, maar wake het besef op dat de sterren van de eerste grootte altijd zeldzaam, die van den tweeden rang meerder in aantal en die van den derden rang de meest gewone zijn, en dat dezen stand van zaken niet alzoo door ons is gezocht, maar door den Heere onzen God alzoo over ons is beschikt. Het is dan nu beslist, dat de Velzer- brug zal verdwijnen zoodat er voorloopig althans aan die lijdensgeschiedenis een eind is gemaakt. En nu geprobeerd met de pont onder veranderde omstandigheden. Gaat het niet, minister Kraus verzekerde, dat hij dan niet zou aarzelen om een ander verkeersmiddel voor te stellen. De heer Pastoors was er nog niet bijster ge rust op. Zeven jaren lang zitten we nu al met het zaakje. Het wordt tijd, dat we verder komen en meer zekerheid krij gen. En daarom volgde een motie van dien afgevaardigde, om nog in dit zittings jaar een plan of voorstel van den minis ter te krijgen voor een nieuw communi catiemiddel en wel zulk een, waarbij de scheepvaart niet belemmerd wordt. Vooral dit laatste deed bij dhr. Passtoors de deur dicht, want daaraan is ten slotte alles gelegen. De motie werd echter spoedig ingetrokken, toen de Minister de verze kering gaf, dat reeds in September bij de begrooting een rapport zal worden overgelegd omtrent den stand van de on derzoekingen. Ze werd toen trouwens ook overbodig. Heel wat heeren afgevaardigden voer den in deze kwestie het woord. Behalve de minister, de heeren Passtoors, afge vaardigde uit die buurt en Van Foreest, de waterstaatsman bij uitnemendheid, Lieftinck met zijn luimige invallen, Plate, Ferf en Van Dedem. En hoe zouden de sluizen van welsprekendheid opengegaan zijn, als bijv. de minister een woordje gerept had over de „verantwoordelijkheid" van den toestand en gevraagd had „Wie zijn de schuldigen?" Wijselijk liet de minister deze zaak maar rusten. De verant woordelijkheid loopt over zooveel schijven, dat het schier niet uit te maken is, wie in dezen iets op zijn kerfstok heeft. En het was ook hier zaak, om zooals dhr. Lieftinck luimig opmerkte, niet met het bejaarde vrouwtje, die zwaar verkouden was, te vragen „Mensch, hoe kom ik toch zóó verkouden", maar wel„Hoe kom ik er af?" De zaak is dan nu beslist. De toestand van het spoorwegpersoneel kwam aan de orde. De heer Jansen uit Maastricht begon. Klacht op klacht na-' tuurlijk. Sinds de stakingswetten, die aangenomen werden op voorwaarde, dat de toestand van het spoorwegpersoneel ver beterd zou worden, is er wel wat verbete ring gekomen b,v. in de regeling der rechts positie, maar niet wat betreft „betere arbeidsvoorwaarden". De rechtmatige ver wachtingen zijn tot dusver niet bevredigd. En wat de werk- en rusttijden betreft, zegt spreker, dat men beter had gedaan, in plaats van voor alle categorieën den dienst tijd te regelen, voor sommige, bijzondere categorieën, den arbeidstijd te regelen. En wel in het bijzonder voor de machi nisten. Hun diensttijd is feitelijk niet 16, maar 19 uren. De conducteurs hebben feitelijk slechts 45 minuten, hoogstens één uur om te middagmalen. Dat is te weinig. Ook de Zondagsrust, voor persoon en gezin zoo noodig, laat veel te wenschen over. En dan is ook een groote grieve het gemis van een recht van beroep bijaldien een eervol ontslag gegeven wordt, hoewel niet op verzoek. Gok dhr. Talma behandelde de grieven en klachten in den breede en stelde zich evenals dhr. Jansen op den grondslag van de voorstellen der Enquête-commissie (com missie tot onderzoek). Zooals altijd is het ook voor de regeering moeilijk op alle punten verbetering aan te brengen en alle grieven, zeer rechtmatig soms, weg te nemen. De staat heeft immers, zoolang er geen staatsexploitatie van spoor wegen is, te rekenen met de spoorwegmaat schappijen. De staat kan wenschen en verlangen, doch de maatschappijen hebben de beslissing in handen. En dit is zoo met de loonregeling en ook met de dienst-en rusttijden. Volgens dhr. Jansen en ook dhr. Talma zou zulks willen moest een regeling dqr arbeidstijden die van de diensttijden vér- vangen. Maar zie nu komen de be zwaren, en wel financiëele bezwaren van de zijde der maatschappijen. En zoo zijn er meer gevallen. De Staat kan ook niet doen wat hij wil, zoolang er geen staats exploitatie is. En het blijft alzoo zaak, dat de regeering bij aldien ze niet alles kan krijgen, wat de staatscommissie noodig oordeelt, in het belang van het personeel, eenvoudig neemt wat het krijgen kan. Zoo ook in zake het scheidsgerecht bij eervol, doch niet aangevraagd ontslag. Tot dusver was men er beter aan toe indien men ontslagen werd zonder meer, dan wel ontslagen met het predioaat „eervol", in dien men n.l, het ontslag niet had aange vraagd. In het eerste geval kon de be langhebbende zich wenden tot een scheids gerecht, om daar zijn zaak te laten berechten, in het tweede niet. Het is dus noodig dat daarin verandering kome. Ook bij een niet op verzoek gegeven „eervol ontslag", dient er mogelijkheid te zijn van verhaal en appel. Niet in dien zin, dat ooit eenig werkman de maatschappij zou kunnen opgedrongen worden, maar wellicht in dien zin, dat „schadevergoeding" ge geven werd, bij aldien mocht blijken voor het scheidsgerecht, dat er geen vol doende redenen waren, voor zulk een „eervol ontslag" te verleenen. Geen wonder dat bij de discussie bleek, hoe van socia listische zijde munt geslagen werd uit de zaakrijke, wel overwogen redevoeringen van de heeren Jansen en Talma. Men sprak van die zijde, bij monde der heeren v. d. Zwaag en Schaper van de „schromelijke tekortkoming" bij de ver vulling van afgelegde "beloften door het vorig kabinet. Een van beiden, zegt dhr. v. d. Zwaag óf de wil, óf de macht bij het ministerie ontbrak. Natuurlijk kwam dhr. Talma tegen deze ongegronde, ongemoti veerde beschuldiging op. Er is verbetering gekomen. Het spoorwegpersoneel zal de tot stand gebrachte verbeteringen erken nen. En op dit chapiter gaat dhr. Talma voort, om dhr. v. d. Zwaag te doen gevoelen dat het niet de schuld is van het ministerie Kuyper, dat het spoorwegpersoneel geen verlanglijst meer heeft. Ook dhr. Schaper mengt zich in het debat. Het spreekt van zelf, zegt deze afgevaardigde, dat een der sociaal-democratische leden bij deze ge legenheid een hartig woord heeft te zeggen. En hij begint met op te komen tegen de bewering van dhr. Lohman, dat men hier in de Kamer de particuliere belangen van het spoorwegpersoneel zou bepleiten. Dat is een „ongewilde of gewilde verdachtma king". (De voorzitter zegt die uitdrukking niet te kunnen toelaten). Hoe het ook zij, vooral bij de spoorwegen is het algemeen be lang de som der particuliere belangen van het personeel. Dat heeft men wel ondervon den in 1903, toen do „catastrophe" van die dagen is ontstaan door de weigering om te voldoen aan de bekende grieven. En na die terechtwijzing aan dhr. Lohman, een soort van afstraffing alzoo, steekt dhr. Schaper verder en verder van wal, critiseert de rede des heeren Talma en ziet zich gedrongen door overvloed van stof in verband met den tijd, om zijne rede af te breken en de rest in uitzicht te geven op Dinsdag 20 Februari a.s. des morgens elf uur. Een bewoner van Middelburg geeft het onderstaande bericht ten nutte van ande ren. Wij beschouwen de bewoners dier stad als onze buren en dit getuigschrift, gegeven door een aldaar wonend persoon zal dus voor ons van belang zijn. De Heer C. L)E JONGE, wonende Seis- plein 323 te Middelburg, meldt onsHet is thans reeds twee jaren dat ik geleden heb aan een aandoening der nieren, waar door ik veel pijn in den rug en in de lendenen te doorstaan had. Ik klaagde eveneens veel over hoofdpijn en scheme ringen voor de oogen. Ik gevoelde mij steeds erg vermoeid en zwaar in de bee- nen en over het algemeen bemerkte ik dat ik verzwakte en achteruitging, niet tegenstaande ik reeds menigmaal hiervoor medische hul]) had ingeroepen. Ik was blij toen ik hoorde van Uw Foster's Rug pijn Nieren Pillen, welke mij veel op knapten, na een paar dagen kon ik hier reeds de goede werking van bemerken en toen ik dit prachtig geneesmiddel ge durende veertien dagen had gebruikt, waren de pijn en de verdere ongemakken geheel en al verdwenen. Met vertrouwen kan ik dan ook Uw pillen aan nierlijders aanbevelen. Ik ondergeteekende verklaar dat het bovenstaande waar is en machtig U het publiek te maken op elke wijze die U goeddunkt. De bovenstaande verklaring zoo een voudig en oprecht bewijst ons het doel treffende van Foster's Rugpijn Nieren- pillen. Het is een zeker middel voor alle ongesteldheden der nieren en der blaas, evenals voor hunne eerste kcntee- kenen als pijn, stramheid en zwakte in den rug, opstopping, overvloedige urine- loozing, bezinksel der urine, rugpijn ver oorzaakt door een koude, aandrang van bloed in de nieren of blaas, ontsteking enz. en al de ziekten daaruit voortvloeiend, zooals suikerziekte, waterzucht, verlies van eiwitstoffen, onreinheden in het bloed enz. Vermijd dus de ziekte, terwijl gij direct bij de eerste verschijnselen de kiemen doodt, welke zich voordoen. Verzeker U dat men U de echte Foster's Rugpijn-Nierenpillen geeft, dezelfde die de heer DE JONG gehad heeft. Zij zijn te Goes verkrijgbaar bij de Firma NATHAN EMANUEL; en te Middelburg bij den Heer Joh. DE ROOS, Vlasmarkt K 157. Toezending geschiedt franco na ontvangst van postwissel f 1.75 voor één of f 10.voor zes doozen. Tholen. Vrijdagavond, 16 Februari, trad alhier namens de antir. kiesvereeni- ging „Nederland en Oranje" op de heer H. de Wilde van 's-Gravenhage, in de bewaarschool. De samenkomst werd met gebed door ds. G. Verrij, alhier, geopend, die na een korte inleiding het woord gaf aan den spreker, wiens rede op de aanplak biljetten was aangekondigd als: „Alle verandering is nog geen verbetering Spreker ving zijne met den gloed der over tuiging uitgesproken rede aldus aan Prof. J. Woltjer zeide laatst bij het politiek debat in de Eerste Kamer, dat dit Ministerie in politieke ongerechtigheid was geboren. Daarmede bedoelde hij niets onaangenaams te zeggen aangaande de personen van dit Kabinet, maar had alleen het oog op de omstandigheden, waaronder dit Ministerie was opgetreden en op de leuzen, die ver leden jaar bij den heeten stembusstrijd waren aangeheven. Denkbeelden van vrij handel en dergelijke werden vervormd tot een caricatuur, de tegenstelling tusschen de christelijke en moderne levensbeschou wing tot een spotbeeld. Toch werd die antithese reeds volmondig erkend en uit gesproken in den jare 1869 door Prof. Buijs en later ook door den bekenden Mr. Van Houten, die de mogelijkheid van een schei ding tusschen geloof en politiek niet minder dan een „waan" noemde. Prof. Woltjer heeft het zelf aan Mr. Van Houten ge vraagd, of zijne opvattingen omtrent den godsdienst niet van invloed zijn op politiek gebied, waarop de heer Van Houten het bevestigend antwoord niet schuldig bleef. Maar al ware het, aldus ging de spreker voort, dat de liberalen van alle schakeering met de socialisten incluis het standpunt van Mr. Van Houten niet deelden, doch van hetzelfde gevoelen waren als Prof. v. d. Vlugt en Mr. Tydeman, dan zou daarmede toch het feit niet zijn weggenomen, dat de Heere is de Koning der Koningen en de Heere der Heeren, die het in Zijn Woord getuigt„Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde". De godsdienst kan niet gehouden worden buiten de politiek. Deze beschouwing, dat de godsdienst recht van meespreken heeft ook in de regeering des lands, wint meer en meer veld. Hoe zou dat ook anders kunnen Des Heeren sou- vereiniteit is zonder grens. Hij is de Wetgever en de Rechter en daarom moet ook naar Hem geluisterd voor het leven van volk en overheid. De liberalen en socialisten deelen dit standpunt niet. Wij zullen ze dan ook daarover niet lastig vallen. Maar laten ze het dan ook ons niet doen. Laat standpunt tegenover standpunt, be ginsel tegenover beginsel gesteld worden. Dan is de strijd eerlijk. En was dit ge daan bij den stembusstrijd van het vorige jaar, spreker twijfelt er geen oogenblik aan, of de uitslag van de verkiezing van 1905 was anders geweest, niet hier in Tholen, want hier hebben de kiezers de antithese blijkbaar wel begrepen, maar over het geheel, want het overgroote deel van Nederland is voor politiek met gods dienst. Men verwijt ons, dat wij die tegenstel ling tusschen Paganisten en Christenen in het leven hebben geroepen. Maar dat is nimmer gedaan. Dat mogen wij niet en dat kunnen wij niet. W èl hebben we de „beginselen" onzer tegenstanders ge toetst aan het Woord van God, aan de ordinantiën des Heeren en dan komen we tot een moderne en een Christelijke levens beschouwing. Prof. Woltjer zei dan in de Eerste Kamer, dat dit Ministerie in politieke on gerechtigheid was geboren en doelde daar mede voornamelijk op de valsche leuzen, waaronder dit Ministerie is opgetreden, vooral in Friesland en Groningen. Leuzen, niet aangeheven door de voormannen onder de Liberalen, maar door de zoogenaamde „dii minores", de mindere goden. Achter eenvolgens werden nu die leuzen aan een eerlijke, glasheldere, overtuigende critiek onderworpen. Ie. De leuze van: „Geen belastingver- hooging". In Den Haag, Rotterdam, Am sterdam, Utrecht Arnhem en tal van andere plaatsen stond op de biljetten met groote, dikke letters„Indien gij den candidaat stemt, die aan de zijde staat van het Ministerie-Kuyper, dan zullen de belas tingen verhoogd worden." Daardoor ver leid zullen vele kiezers ongetwijfeld ge-

Krantenbank Zeeland

De Zeeuw. Christelijk-historisch nieuwsblad voor Zeeland | 1906 | | pagina 1